Essay: Twee jaar denken na 11 september 2001

Wie ontsluit de Arabische wereld?

Sinds 11/9 heeft niemand een heldere verklaring kunnen geven voor de oorzaken van de opkomst van al-Qaeda en andere islamitische terreurbewegingen. En niemand weet hoe de Arabische wereld uit haar isolement kan worden bevrijd.

«Wij geloven nog steeds dat een betere wereld mogelijk is», schreef de Boliviaanse mensenrechtenactivist Oscar Olivares op 12 september 2001 in een brief aan Amerikaanse vrienden: «We are with you.» Voor sommigen van die vrienden kwam zijn solidariteitsverklaring geen dag te vroeg. Phyllis Bennis, activiste en medewerkster van het Institute for Policy Studies (IPS) in Washington, is Olivares nog altijd dankbaar en citeert zijn brief aan het slot van haar boek Before and After: US Foreign Policy and the September 11th Crisis (2003).

Toch hadden zijn woorden, geschreven op het moment dat de tv-beelden van de instortende Twin Towers in de hele wereld ad nauseam herhaald werden, veel weg van een wanhoopskreet. Niemand kon op dat moment zeggen waar de woorden «we» en «you» voor stonden en hoe de strijd voor een betere wereld verder moest gaan. Tezamen met haar collega’s zat Bennis die dag op de stoep van haar instituut, dat op een steenworp afstand (en dus binnen de «veiligheidszone») van het Witte Huis ligt en gedurende die eerste hectische dagen om de haverklap werd ontruimd. Terwijl busjes vol veiligheidsagenten en politieauto’s met gillende sirenes voor hun neus af en aan reden, bogen de verslagen IPS-mede werkers zich over de eerste oorlogscommuniqués van de regering-Bush.

Bennis besefte dat de gekaapte vliegtuigen niet alleen een gat hadden geslagen in het Wereldhandelscentrum, in haar geliefde New York en in het nationale zelfbewustzijn van de Verenigde Staten, maar ook in de agenda van de beweging waarbij zij hartstochtelijk betrokken is. In militair en economisch opzicht was de aanval van al-Qaeda een speldenprikje. De hysterie in de media en de wraaklust van de Amerikaanse bestuurlijke elite deden echter het ergste vrezen voor het lot van de alternatieve globaliseringsbeweging, waarin velen eindelijk een platform hadden gevonden voor hun verzet tegen neoliberalisme, armoede en rechteloosheid in de wereld. Conservatieve politici lieten geen gelegenheid voorbijgaan om de beweging in verband te brengen met al-Qaeda en elke vorm van protest te bestempelen tot verraad in het aangezicht van een vijand die het op de Amerikaanse vrijheden en op de menselijke vrijheid als zodanig had voorzien.

Ook Naomi Klein onderkende onmiddellijk het gevaar: «Onze burgerlijke vrijheden, onze bescheiden overwinningen, onze gebruikelijke strategieën — alles is nu twijfelachtig geworden», schreef ze in een column. Om erger te voorkomen, boog ze tot op zekere hoogte voor de neoconservatieve kritiek. Omdat de vernietiging van de Twin Towers zo’n grote symbolische lading had, riep Klein haar medestanders op voortaan elk misverstand te vermijden en niet langer te ageren tegen logo’s en andere symbolen van de moderne bedrijfscultuur waarachter tenslotte vaak mensen van vlees en bloed schuilgingen, net als achter de ruiten van het World Trade Center. In plaats daarvan moest de strijd zich richten tegen de concrete uitwassen van die bedrijfscultuur, en wel op een constructieve manier die zich duidelijk onderscheidde van de gewelddadige strategie van al-Qaeda. «Tenslotte waren de symbolen nooit meer dan toegangsdeuren. Het wordt tijd dat we die deuren binnengaan.»

Aan de oorzaken van de opkomst van al-Qaeda en andere islamitische terreurbewegingen in de Arabische wereld, Noord-Afrika en Centraal-Azië wijdde Klein echter geen woord. Ze gedroeg zich alsof de aanslagen niet tegen haar waren gericht, alsof zij niet behoorde tot de «joden en kruisvaarders en hun handlangers» die volgens de manifesten van al-Qaeda en aanverwante groeperingen schuldig zijn aan de onderdrukking van de islam en derhalve ongestraft mogen worden gedood in het kader van de jihad. Niet de aanslagen zelf, maar de reactie van de westerse opinie en de gevolgen daarvan voor haar geliefde beweging baarden haar zorgen. Naomi Kleins reactie is exemplarisch voor de wijze waarop linkse intellectuelen, actiegroepen en politieke leiders in de hele wereld op het mediaspektakel van 11 september 2001 reageerden. Het gat dat al-Qaeda in hun wereldbeeld had geslagen, werd niet gedicht, maar botweg ontkend.

Bin Laden werd voorgesteld als een valse pretendent wiens ongeldige papieren hem vroeg of laat zouden verraden in de ogen van de Arabische massa’s, een onwettige concurrent op de wereldmarkt van actie en verzet die vanzelf zou verdwijnen wanneer hij geen «voedingsbodem» meer had. En die voedingsbodem was niet toevallig dezelfde waaraan de alternatieve globaliseringsbeweging haar aanhang dankte: het verzet tegen de neoliberale wereldorde met zijn olieoorlogen, onrechtvaardige welvaartsverdeling, ecologische uitputting en culturele onderdrukking. Welbeschouwd was al-Qaeda zelfs het product van die wereldorde en in het bijzonder van de Amerikaanse macht. Was het Arabische legioen van Osama niet door de CIA opgekweekt en gefinancierd tijdens de oorlog tegen de Sovjets in Afghanistan?

Voor zover het islamitisch terrorisme «diepere oorzaken» had, vielen die samen met de gebreken in de huidige wereld orde die links toch al aan de kaak stelde. In de woorden van Noam Chomsky: «Als je geen last wilt hebben van muggen, moet je het moeras droogleggen.» Volgens Chomsky bestaat dat moeras hoofdzakelijk uit de agressieve en eenzijdige Amerikaanse Midden-Oosten-politiek, waar hij al tientallen jaren protest tegen aantekent. «We kunnen de Verenigde Staten alleen als ‹onschuldig slachtoffer› zien als we de weg van de minste weerstand volgen en voorbijgaan aan de staat van dienst van Amerika en zijn bondgenoten, die immers alles behalve geheim is», liet hij optekenen in zijn interviewbundel 11 sept (2001).

Als teken van bezinning namen linkse commentatoren publiekelijk afstand van de lunatic fringe van bivakmutsen en hamburgerverbranders die internationale topontmoetingen verstoorden en bij het grote publiek al langer verkeerde associaties wekten. Voor het overige zette men als vanouds de strijd voort tegen de Wereldhandelsorganisatie, de multinationals, het Pentagon. Links protesteerde tegen de interventie in Afghanistan, tegen het hooghartige optreden van de VS in de Veiligheidsraad, tegen de bulldozers van Sharon, tegen de dictatoriale samenstelling van de «coalitie tegen het terrorisme» en ten slotte tegen de oorlog in Irak, een protest dat eindelijk in brede kring aansloeg en miljoenen mensen in de hele wereld mobiliseerde. Kortom, de «militaire optie» tegen de islamitische terreur werd luid en duidelijk afgewezen.

Bijna niemand boog zich over de vraag hoe de onderontwikkeling en het intellectueel isolement van de Arabische wereld waarin al-Qaeda wortelt dan wél moeten worden doorbroken. Dat hemeltergende isolement blijkt nota bene uit de marginale bijdrage van Arabische NGO’s, politieke partijen en intellectuelen aan diezelfde alternatieve globaliseringsbeweging. Op de bijeenkomsten van het World Social Forum in het Braziliaanse Porto Alegre was hun aandeel minimaal en het ziet ernaar uit dat het op de forumbijeenkomst in het Indiase Mumbai in 2004 niet veel groter zal zijn. In de zeldzame teksten van Arabische intellectuelen die zich hierover opwinden, worden tal van redenen opgesomd: Arabieren zijn niet op de hoogte van alle controverses rond Wereldbank en IMF, ze krijgen van hun regeringen geen toestemming om zich te organiseren (in veel Arabische landen leiden vakbonden een kwijnend bestaan) en de meningsvorming over internationale kwesties wordt volledig beheerst door de Palestijnse onafhankelijkheidsstrijd. Hun noodkreten worden echter niet gehoord.

De Amerikaanse haviken wisten wel raad met Osama bin Laden. Links voerde daarentegen slechts schijndebatten waarvan de uitkomst bij voorbaat vaststond: het terroristische geweld tegen de Verenigde Staten is zoniet terecht, dan toch minstens door dat land zelf veroorzaakt. De radical chic wrong zich in bochten om de aanslagen te bagatelliseren of te exploiteren. De winnaar in de categorie wartaal is componist Karl-Heinz Stockhausen, die de vernietiging van het WTC bestempelde als het grootste kunstwerk aller tijden: «Dat geesten in een daad iets volbrengen waarvan wij in de muziek niet kunnen dromen, dat mensen tien jaar als gekken oefenen, totaal fanatiek voor een concert, en dan sterven. Daarbij vergeleken stellen wij als componisten niets voor.» Een goede tweede is de schrijfster Alice Walker, die in alle ernst aan het kind in de terrorist appelleerde: «Wat zou er overblijven van Bin Ladens koele harnas als we hem zouden herinneren aan alle goede, geweldloze dingen die hij heeft gedaan? Ik ben ervan overtuigd dat liefde de enige straf is die werkt.»

Onder de titel Twee jaar gezwets presenteert de Britse journalist Geoffrey Wheatcroft in het septembernummer van Prospect een lange selectie van zulke krankzinnige citaten en trekt daaruit de conclusie dat ze het «failliet van links» bewijzen. Die slotsom is voorbarig, getuige bijvoorbeeld de doorbraak van de Braziliaanse Arbeiderspartij onder leiding van Luis Ignacio «Lula» da Silva, de wereldwijde protesten tegen de laatste Golfoorlog en de onverminderde activiteiten van alternatieve «top-hoppers». Maar Wheatcroft heeft gelijk dat links zich geen raad weet met het islamitisch fundamentalisme en het daarom maar afdoet als een schijnprobleem: «Deze onnadenkende ‹radicalen› veroorzaakten meer dan alleen hilariteit, vermengd met irritatie — ze wekten een gevoel van wanhoop op. Ze hadden eenvoudig niets te zeggen, wat bleek zodra je hen om praktische raad vroeg.»

Tot overmaat van ramp is de inbreng van de schaarse Arabische alternatieve globaliseerders ook al niet hoopgevend. De bekendste is de Egyptische econoom Samir Amin, directeur van het onafhankelijke onderzoeksinstituut Forum Tiers Monde in Senegal en auteur van spraakmakende boeken en artikelen over globalisering, onderontwikkeling en Amerikaanse politieke en economische expansie. Kort na 11 september 2001 publiceerde Amin een abominabel artikel in het Amerikaanse complotdenkerstijdschrift CovertAction waarin hij de VS zonder omhaal verantwoordelijk stelde voor de opkomst van de «politieke islam». Moslimfundamentalisten zijn volgens Amin natuurlijke bondgenoten van de VS omdat ze tegen democratie en vóór een vrije markt zijn. Hij vond het geen toeval dat de aanvallen van 11 september de Amerikanen in staat stelden de hand te leggen op de olievoorraden in Centraal-Azië. Het zou hem dan ook niet verbazen, besloot hij, als de CIA en de Mossad achter de aanslagen zaten.

Amin was niet de enige linkse intellectueel die in de ontkenningsfase bleef steken. Een serieus links 11 september-debat is nooit van de grond gekomen omdat de potentiële deelnemers een blinde vlek hebben voor het thema dat in zo’n debat centraal moet staan: de sociale, politieke en culturele geslotenheid van de islamitische wereld. Dit thema is het welhaast exclusieve domein geworden van conservatieve commentatoren als de Amerikaan Bernard Lewis, emeritus hoogleraar in de geschiedenis van de islam. De reden waarom Lewis in progressieve kringen onophoudelijk wordt verketterd en verdacht gemaakt, is dat hij telkens wijst op die blinde vlek en op de hypocrisie van degenen die het bestaan ervan zelfs na 11 september 2001 hardnekkig ontkennen. De linkse weeklacht dat «de media» moslims stigmatiseren door hen met al-Qaeda in verband te brengen, is aan hem niet besteed: «De meeste moslims zijn geen fundamentalisten en de meeste fundamentalisten zijn geen terroristen, maar de meeste terroristen van tegenwoordig zijn moslims — en daar zijn ze trots op.»

Waar vorige generaties progressieve critici niet aarzelden om de absolute aanspraken van katholicisme en protestantisme aan de kaak te stellen, weigeren de huidige generaties de godsdienst en cultuur van islamitische volken aan een kritisch onderzoek te onderwerpen en daaraan conclusies en acties te verbinden. Integendeel, de brengers van het slechte nieuws worden onthoofd. Edward Said hield 25 jaar geleden in zijn boek Orientalism (1978) Bernard Lewis al medeverantwoordelijk voor alle excessen van het «orientalisme», dat wil zeggen voor alle onderdrukking en uitbuiting die het gevolg zijn van de stereotiepe westerse kijk op de islam. Destijds werd Lewis uitgemaakt voor imperialist, tegenwoordig wordt hij door linkse critici ingedeeld bij het «zionistische kamp», samen met conservatieve auteurs en activisten als Elie Kedourie, Fouad Ajami en William Kristol.

Lewis’ bijdragen aan de terrorismediscussie worden afgedaan als «propaganda», een etiket dat impliceert dat zijn denkbeelden geen aandacht verdienen. Een goed voorbeeld van deze struisvogeltactiek is een recent artikel in de Amerikaanse nieuwsbrief CounterPunch. Daarin veegt een marxistische hoogleraar economie de vloer aan met Lewis’ boek What Went Wrong? Western Impact and Middle Eastern Response, in het Nederlands vertaald onder de titel Wat is er misgegaan? (Arbeiderspers, 2002). De schrijver van het artikel begint met een opsomming van Lewis’ recente overtredingen van de progressieve catechismus — hij heeft Israël een «democratie» genoemd en op tv iets onaardigs over Jasser Arafat gezegd — en stelt dan de retorische vraag: «Willen we van een ‹geleerde› met zulke antecedenten horen ‹waar het misging› met de islamitische samenlevingen?»

De auteur wil nog wel erkennen dat er iets «mis» is met Arabische samenlevingen, maar dat is volgens hem de schuld van tien eeuwen westerse expansie. Het is in elk geval niet te wijten aan hun eigen economische en culturele stagnatie onder de verstikkende stolp van de godsdienstige orthodoxie. Toch is dat precies wat Lewis zegt in zijn nieuwste boek The Crisis of Islam (2003) en hij doet dat wederom met kracht van argumenten. Lewis is voorstander van hard westers ingrijpen en hij schurkt sinds twee jaar onbehaaglijk dicht tegen de Pentagon-haviken aan, maar je hoeft zijn remedie niet te onderschrijven om de juistheid van zijn diagnose te onderkennen. Ook ter linkerzijde vind je enkelingen die dit probleem aan de orde stellen, zoals de Pakistaans-Britse activist Tariq Ali of de «deken» van de Franse islamologie Maxim Rodinson.

«Ik heb veel van onze mensen gesproken in alle delen van de wereld sinds 11 september», schrijft Tariq Ali in zijn Brief aan een jonge moslim, afgedrukt in de New Left Review. «Eén vraag keert steeds terug: ‹Denkt u dat moslims slim genoeg zijn om dit te hebben gedaan?› Ik antwoord altijd: ‹Ja.› Daarna vraag ik wie er volgens hen verantwoordelijk voor is, en het antwoord luidt zonder uitzondering: ‹Israël.› Waarom? ‹Om ons in diskrediet te brengen en te zorgen dat de Amerikanen ons aanvallen.› Ik probeer hen dan voorzichtig van hun illusies te genezen, maar het gesprek maakt me bedroefd. Waarom zijn zoveel moslims ondergedompeld in deze lethargie? Waarom wentelen ze zich in zoveel zelfmedelijden? Waarom moet altijd iemand anders de schuld krijgen?» Volgens Ali smeekt de erbarmelijke toestand van de islamitische wereld om een radicale breuk: «Alles lijkt versteend: onze economie, onze politiek, onze intellectuelen en het meest van alles onze religie.»

Waarom wordt die klacht ter rechterzijde wél en ter linkerzijde niet serieus genomen? Rodinson gaf al ruim vóór 11 september antwoord op die vraag in zijn bespreking van het boek Why I Am Not a Muslim (1995) van de islamitische «afvallige» Ibn Warraq: «Meer dan als een boodschap van de waarheid beschouwt de hedendaagse islam zichzelf als een ideologische partij die van alle kanten wordt aangevallen, als een belegerde vesting of een bedreigd vaderland», schrijft Rodinson. «In de ogen van veel Europeanen en Amerikanen vormen de moslims dan ook een populatie van ‹maximale slachtoffers›, van ‹verworpenen der aarde›, veroordeeld door de natuur. Daarom is het weldenkende zielen verboden om hun hardnekkigheid, hun houding en hun geloofsartikelen te kritiseren. Met de beste bedoelingen wordt hier een taboe geschapen: men ziet bij moslims alle misbruiken door de vingers die men in zijn eigen samenleving genadeloos aan de kaak stelt.»

De houding die Rodinson hier omschrijft, zou je de Standaard Linkse Islamvisie (SLI) kunnen noemen. De SLI beschouwt de islamitische wereld, met inbegrip van de migranten die haar verlaten en naar het Westen trekken, als een dood gewicht in de wereldgeschiedenis, een amorfe massa die door westers initiatief moet worden gekneed tot een moderne verschijning. Het impliciete racisme van die houding doet niet onder voor dat van de neoconservatieven die de kaart van het Midden-Oosten «opnieuw willen tekenen» zonder rekening te houden met de belangen en aspiraties van degenen die er wonen. De alternatieve globaliseringsbeweging is op haar beurt bezig die kaart opnieuw te tekenen zonder stil te staan bij de vraag hoe een vijfde van de mensheid kan worden geholpen zichzelf te bevrijden van een repressieve godsdienstige cultuur die hun samenleving tot chronische onderontwikkeling veroordeelt.

Waarom vragen alternatieve globaliseerders zich nooit af hoe het komt dat hun wereldwijde «coalitie tegen onderdrukking» evenveel twijfelachtige deelnemers heeft als de Amerikaanse «coalitie tegen het terrorisme», te beginnen met een hele rits regimes in het Midden-Oosten die de schuld voor hun mislukkingen maar al te graag op Israël afschuiven? Zoals Lewis in zijn laatstgenoemde boek stelt, berokkent die linkse fixatie op Israël de Arabische volken enorme schade: «Arabische heersers kunnen tienduizenden mensen afslachten zoals in Syrië en Algerije, of honderdduizenden zoals in Irak en Soedan, zij kunnen mannen van de meeste en vrouwen van al hun burgerrechten beroven en schoolkinderen indoctrineren met godsdienstfanatisme en haat tegen anderen zonder dat dit enig protest oproept van de verlichte media en instellingen in het Westen; laat staan dat er enige aanwijzing zou zijn dat zij hiervoor gestraft worden door een boycot, terugtrekking of dagvaarding uit Brussel.»

In het laatste hoofdstuk van Before and After doet Phyllis Bennis een moedige poging om een alternatief voor de huidige «campagne tegen terrorisme» te schetsen. Maar als het gaat om de «diepere oorzaken» van het islamitisch fundamentalisme komt ook zij niet verder dan de gebruikelijke opsomming van armoede, politieke machteloosheid en sociale onrechtvaardigheid waarvoor «ons beleid, onze legers en onze bedrijven» verantwoordelijk zijn. Elke verwijzing naar de Arabische regimes en godsdienstige instellingen die deze armoede, machteloosheid en onrechtvaardigheid besten digen, ontbreekt. Om maar te zwijgen van middelen en methoden waarmee de Arabische wereld door de alternatieve globaliseringsbeweging kan worden ontsloten. Toch zal het daarvan moeten komen, vooropgesteld dat die belofte van een betere wereld waarnaar Olivares verwees ook voor Arabieren geldt.