Naomi Klein en Jeremy Scahill

Wie ontvoerde Simona Torretta?

Toen Simona Torretta in maart 2003 terugkeerde naar Bagdad, midden in het «shock and awe»-luchtbombardement, begroetten haar Iraakse vrienden haar door te zeggen dat ze gek was. «Ze waren vreselijk verrast dat ze me zagen. Ze zeiden: ‹Waarom kom je hierheen? Ga toch terug naar Italië. Ben je gek geworden?›» Maar Torretta ging niet terug. Ze bleef gedurende de invasie en zette haar humanitaire werk voort dat ze begon in 1996, toen ze de eerste keer Irak bezocht met haar anti-sancties-NGO A Bridge to Baghdad. Toen Bagdad viel, bleef Torretta opnieuw, ditmaal om voor medicijnen en water te zorgen voor Irakezen die leden onder de bezetting. Zelfs toen verzetsstrijders op buitenlanders begonnen te schieten, en de meeste buitenlandse journalisten en hulpverleners vluchtten, kwam Torretta weer terug. «Ik kan niet in Italië blijven», zei de 29-jarige tegen een documentairemaker.

Nu is het leven van Torretta in gevaar, net als de levens van haar Italiaanse mede-hulpverlener Simona Pari en hun Iraakse collega’s Raad Ali Abdul Azziz en Mahnouz Bassam. Een paar weken geleden werd het viertal onder bedreiging van vuurwapens uit hun huis/kantoor in Bagdad ontvoerd. Sindsdien is er niets van ze vernomen. Omdat hun kidnappers niets laten horen is het incident onderwerp van politieke controverse. Voorstanders van de oorlog gebruiken het om vredesactivisten af te schilderen als naïevelingen, die blijmoedig een verzet steunen dat internationale solidariteit beantwoordt met ontvoeringen en onthoofdingen. Ondertussen zegt een groeiend aantal islamitische leiders dat de aanslag op A Bridge to Baghdad niet het werk was van moedjahedien, maar van buitenlandse spionagediensten die het verzet in diskrediet wilden brengen.

Deze kidnapping lijkt op geen enkele manier op andere ontvoeringen. Dat zijn meestal opportunistische acties op onbetrouwbare wegen. Torretta en haar collega’s werden in koelen bloede gegrepen in hun huis. En terwijl moedjahedien in Irak altijd hun identiteit verbergen, door hun gezicht te verhullen, waren deze ontvoerders niet gemaskerd, gladgeschoren, en droegen sommige zelfs een pak. Eén kidnapper werd door de anderen aangesproken met «sir».

Slachtoffers van ontvoeringen waren overwegend mannen, maar van deze vier zijn er drie vrouw. Getuigen zeggen dat de kidnappers personeel in het gebouw ondervroegen tot ze de Simona’s aan hun naam herkenden, en dat Mahnouz Bassam, een Iraakse vrouw, werd meegesleurd, schreeuwend, aan haar hoofddoek, een schokkende religieuze schending voor een aanslag die zogenaamd werd gepleegd in naam van de islam.

Het meest ongewoon was de omvang van de operatie: in plaats van de normale drie of vier strijders trokken nu twintig man op naar het huis, midden op de dag, klaarblijkelijk niet bang dat ze konden worden gepakt. Slechts een paar straten van de zwaar bewaakte Groene Zone vandaan verliep de hele operatie zonder inmenging van de Iraakse politie of Amerikaanse militairen. Newsweek berichtte dat «zo’n vijftien minuten later een Amerikaans konvooi van humvees voorbij kwam, slechts een straat verderop». En dan de wapens. De kidnappers waren bewapend met automatische geweren, pump-action shotguns, pistolen met geluiddempers en stun guns – niet echt de standaard verroeste kalasjnikovs van de moedjahedien. Het merkwaardigst van alles is dit detail: getuigen zeiden dat verscheidene ontvoerders uniformen droegen van de Iraakse Nationale Garde en zichzelf identificeerden als medewerkers van Ayad Allawi, de interim-premier.

Een woordvoerder van de Iraakse regering ontkende dat Allawi’s departement erbij was betrokken. Maar Sabah Kadhim, een woordvoerder van het ministerie van Binnenlandse Zaken, gaf toe dat de ontvoerders «militaire uniformen en legerjacks droegen». Was dit dus een ontvoering door het verzet of een geheime politie-operatie? Of was het iets nog ergers: een revival van Saddams mukhabarat-verdwijningen, toen agenten vijanden van het regime arresteerden, van wie nooit meer iets werd gehoord? Wie kan zo’n gecoördineerde operatie hebben uitgevoerd – en wie kan er baat hebben bij een aanslag op deze anti-oorlogs-NGO?

Vorige week maandag begon de Italiaanse pers te berichten over één mogelijk antwoord. Sjeik Abdul Salam al-Kubaisi, van Iraks grootste soennitische geestelijke organisatie, zei tegen journalisten in Bagdad dat hij een dag voor de ontvoering bezoek had gekregen van Torretta en Pari. «Ze waren bang», zei de geestelijke. «Ze zeiden tegen me dat iemand ze bedreigde.» Gevraagd wie achter die bedreigingen zat, antwoordde al-Kubaisi: «We vermoeden een buitenlandse spionagedienst.»

In Bagdad neemt niemand het echt serieus als de schuld van impopulaire aanslagen door het verzet wordt gegeven aan CIA- of Mossad-complotten, maar als Kubaisi het doet, krijgt het ongewoon gewicht; hij heeft banden met een scala van verzetsgroepen en heeft de vrij lating van verscheidene gijzelaars bewerkstelligd. Kubaisi’s beschuldigingen zijn breeduit gerapporteerd in Arabische media, net als in Italië, maar niet in de Engelstalige pers.

Westerse journalisten willen niet praten over spionnen uit angst complottheoretici te worden genoemd. Maar spionnen en geheime operaties zijn in Irak geen complot, maar dagelijkse realiteit. Volgens vice-president van de CIA James L Pavitt herbergt «Bagdad het grootste CIA-station sinds de Vietnam-oorlog», met vijf- tot zeshonderd agenten. Interim-premier Allawi zelf heeft gewerkt met MI6, de CIA en de mukhabarat, en is gespecialiseerd in het opruimen van vijanden van het regime.

A Bridge to Baghdad is on-schuldbewust in haar verzet tegen de bezettingsmacht. Tijdens de belegering van Fallujah in april coördineerde ze riskante humanitaire missies. Amerikaanse troepen hadden de weg naar Fallujah afgesloten en verdreven de pers terwijl ze zich klaarmaakten om de hele stad te straffen voor de gruwelijke moord op vier Blackwater-huurlingen. In augustus, toen Amerikaanse mariniers Najaf belegerden, ging A Bridge to Baghdad opnieuw daar naartoe waar de bezettingstroepen geen getuigen wilden hebben. De dag voor hun ontvoering zeiden Torretta en Pari tegen Kubaisi dat ze al weer een volgende high-risk-missie naar Fallujah aan het plannen waren.

In de weken sinds hun ontvoering hebben smeekbeden om hun vrijlating alle geogra fi sche, religieuze en culturele scheids lijnen overschreden. De Palestijnse groep Islamitische Jihad, Hezbollah, de International Association of Islamic Scholars en diverse Iraakse verzetsgroepen hebben hun woede geuit. Een verzetsgroep in Fallujah zei dat de ontvoering wijst op «samenwerking met buitenlandse krachten». Maar enkele stemmen vallen op door hun afwezigheid: het Witte Huis en premier Iyad Allawi. Van hen is geen woord gehoord.

Wat we weten is dit: als deze gijzelneming eindigt in bloedvergieten zullen Washington, Rome en hun Iraakse plaatsvervangers onmid dellijk de tragedie gebruiken om de wrede bezetting te rechtvaardigen – een bezetting waar Simona Torretta, Simona Pari, Raad Ali Abdul Azziz en Mahnouz Bassam tegen streden met gevaar voor eigen leven. En uiteindelijk zullen we ons blijven afvragen of dat misschien de hele tijd al het plan was.