Economie

Wie redden Agnes en Bernard?

Nog ongewisser dan pensioenen zijn standpunten daarover. Vorig jaar heeft de FNV een referendum gehouden waarbij een ruime meerderheid van tachtig procent van de leden zich achter het akkoord op hoofdlijnen over AOW en pensioen heeft geschaard.

Nu zal, zo laat een peiling zien, een ruime meerderheid van zeventig procent zich tegen het uitgewerkte akkoord keren. De leden van de FNV hebben blijkbaar niet geweten waar ze ja tegen hebben gezegd. Voor de leden van het parlement geldt dat helaas ook. Vorig jaar is een initiatief van Stef Blok (VVD) en Fatma Koser Kaya (D66) met steun van GroenLinks en de PVV aangenomen om gepensioneerden meer zeggenschap in pensioenfondsbesturen te geven. Nu zijn veel van die partijen bezorgd over de gevolgen van het pensioenakkoord voor werknemers en in het bijzonder voor de jongeren onder hen. Saillant is dat het akkoord de pensioenfondsbesturen, inclusief gepensioneerden, juist veel ruimte biedt om de precieze gevolgen te bepalen.

Het standpunt van de sociale partners zou de discussie over de toekomst van het pensioenstelsel eens en voor altijd hebben moeten beslechten. Het tegendeel is gebeurd. Door het pensioenakkoord is de discussie juist verscherpt, zozeer dat gebruikelijke verantwoordelijkheid van de sociale partners voor pensioenen niet meer gebruikelijk lijkt.

De vakbonden zijn onderling hopeloos verdeeld. Agnes Jongerius en Henk van der Kolk voeren een publiek gevecht over de inkomensgevolgen als iemand vervroegd voor een AOW op 65 kiest. Een berekening van het Centraal Planbureau zal het gevecht niet beslechten: beiden hebben (on)gelijk gekregen. Ondertussen ontgaat hen beiden de grote zorg dat de oude generaties de jonge generaties uitkleden. Die zorg ontstaat door de keuze voor een hoog beleggingsrendement (als discontovoet) waardoor de pensioenverplichtingen lager lijken. Volgens sociale partners kan daarmee het pensioen sneller stijgen, hoewel door het akkoord de waarde van het pensioenvermogen toch echt niet groter of kleiner wordt. Dat is gunstig voor de (bijna) gepensioneerden. Dat is niet gunstig voor de werkenden: ze mogen de tegenvallers opvangen maar weten niet zo zeker dat ze op meevallers kunnen rekenen. Het pensioenstelsel wordt daarom vaak vergeleken met een piramidespel. Dit bevestigt even vaak het beeld dat de vakbonden slechts 55-plussers vertegenwoordigen en niet de zeggenschap hebben om namens de 55-minners te onderhandelen.

De werkgeversorganisaties, aangevoerd door Bernard Wientjes, lijken tevreden met de afspraak dat pensioenpremies min of meer stabiel blijven en dat risico’s moeten worden opgevangen door werknemers en niet door werkgevers. Maar juist werkgevers zouden toch moeten weten dat zeggenschap en risico samengaan. In mijn periode als parlementariër werd mij ettelijke keren door een en dezelfde vakbondsman op het hart gedrukt dat het pensioen de verantwoordelijkheid van sociale partners en niet van de politiek was. Elke keer beaamde ik dat, en een enkele keer voegde ik eraan toe dat ze hun verantwoordelijkheid moesten waarmaken. Want van de kredietcrisis had ik geleerd dat een ‘license to operate’ niet voor altijd en eeuwig was.

Met het akkoord hebben werkgevers- en werknemersorganisaties hun verantwoordelijkheid niet waargemaakt. Ze komen op voor een deelbelang of hebben naar eigen zeggen geen belang. Zo is het tenminste uit te leggen. Het is niet voor niets dat er in de discussie over het akkoord stemmen klinken om de verplichtstelling op te heffen. Dat is het kind met het badwater weggooien. Nederland heeft een groot pensioenvermogen opgebouwd terwijl de meeste andere landen geen pensioenvoorziening hebben getroffen. Het verschil ligt in de verplichtstelling. Dit voorkomt dat werknemers en werkgevers door de waan van de dag of onder druk van marktconcurrentie 'vergeten’ te sparen voor het pensioen. Dit voorkomt ongelukken als bij het Amerikaanse bedrijf Enron waar werknemers niet alleen hun baan maar ook hun pensioen kwijtraakten.

De politieke partijen staan in de regel niet te trappelen om de verantwoordelijkheid van de sociale partners af en over te nemen. In Den Haag leeft de opvatting dat het pensioen vooral niet aan de politiek moet worden overgelaten. Maar politieke partijen zullen de sociale partners moeten helpen hun verantwoordelijkheid te nemen. Dat kan door harde voorwaarden aan een nieuw stelsel te stellen. Zo moet er de garantie komen dat de jonge generaties niet worden uitgekleed door de oude generaties. Zo moet voor elke deelnemer duidelijk worden welk pensioen en welke onzekerheden hij of zij kan verwachten. Met die en andere voorwaarden zijn het akkoord en de sociale partners nog te redden. Het referendum over het pensioenakkoord moet maar even wachten. Dan is er nog tijd om het akkoord, Agnes en Bernard te redden. Bovendien, het is beter dat de FNV-leden deze keer wél weten waar ze ja of nee tegen zeggen.