Het eigenbelang volgens Tocqueville

Wie ruimt de bomen van de weg?

Liberalen als Marc Rutte claimen de belangrijkste denker over democratie Alexis de Tocqueville, omdat deze zo'n groot belang hechtte aan de zelfredzaamheid van burgers. Maar de Fransman had ook oog voor de nadelen van de vrije markt.

‘DEMOCRATISCHE VOLKEN hebben weinig ontzag voor algemene ontwikkeling’, schreef Alexis de Tocqueville in 1840: ‘Ze maken zich niet druk om de vraag hoe het ooit in Rome of Athene toeging. Ze willen dat er over hen zelf gepraat wordt en dat alle aandacht uitgaat naar het hier-en-nu.’ Een betere notendop-analyse van de hedendaagse mediacultuur is niet denkbaar. Tocqueville’s opmerking gold weliswaar het theater van zijn dagen, maar dat was in veel opzichten de voorloper van radio, tv en internet. De la démocratie en Amérique, het tweedelige verslag van zijn rondreis door Amerika dat Tocqueville in 1835 en 1840 publiceerde, staat vol van zulke rake observaties. Maar het is meer dan een verzameling aforismen. Het is een scherpzinnige analyse van de ontluikende westerse democratie, van de ‘democratische geest’ en van de instituties, drijfveren en gevolgen van democratische politiek. Erg toegankelijk is het niet. In zijn breedvoerigheid ademt het de sfeer van de postkoets, de rooksalon en het verzorgde tafelgesprek. Bovendien is de betekenis van sommige termen die de auteur gebruikt intussen verschoven. Zodra Tocqueville zelf onderwerp van de hedendaagse mediacultuur wordt, gebeuren er dan ook vaak ongelukken.

Zo baarde Mark Rutte op de najaarsvergadering van de VVD in 2009 opzien met een onhandige soundbite over de Fransman: ‘Tocqueville beschrijft in zijn boek uit 1850 wat er in Amerika gebeurt als daar een boom omvalt over de weg. Dan komen de mensen uit hun huizen te voorschijn, hakken hem in stukken en ruimen hem op. Een paar jaar later ziet Tocqueville in Frankrijk een omgevallen boom over de weg liggen. Maar daar loopt iedereen naar de burgemeester en eist dat hij die boom laat weghalen.’ Onvermijdelijk volgde de liberale punch-line: ‘Dat zit heel diep in West-Europa, dat we geneigd zijn ons geluk in handen van de staat te leggen. Wij liberalen weten dat daar het geluk niet ligt. Het ligt in onszelf.’

Niet alleen met het jaartal zat Rutte ernaast. De anekdote over de boom staat niet in het boek (wel in een brief van Tocqueville aan een vriend). Bovenal staat zijn conclusie haaks op de observaties van de schrijver. Die verbaasde zich er juist over dat de overheid in Amerika zich intensief bemoeide met het dagelijks leven, zij het op een andere manier dan in het Frankrijk van zijn tijd. De Amerikaanse overheid dwong enerzijds elke burger zijn verantwoordelijkheid voor de samenleving te nemen en nam anderzijds verantwoordelijkheden op zich die in Frankrijk aan de burgers werden gedelegeerd. Zo was de armenzorg in de Verenigde Staten een staatszaak, terwijl die in Frankrijk vanouds aan de liefdadigheid werd overgelaten.

Maar de anekdote is zoals gezegd authentiek. De la démocratie bevat een passage die hem in breder perspectief plaatst: ‘Een inwoner van de Verenigde Staten leert bij zijn geboorte dat hij op zichzelf is aangewezen om de strijd tegen de problemen en ongemakken van het leven te voeren; autoriteiten bekijkt hij slechts met een argwanende en ongeruste blik en hij doet er alleen een beroep op als hij niet anders kan. Dit wordt al zichtbaar op school, waar de leerlingen zich zelfs in hun spelletjes onderwerpen aan door henzelf vastgelegde regels en elkaar straffen voor door henzelf bepaalde overtredingen. Die geest vindt men in het hele sociale leven terug. Er ontstaat een opstopping op de openbare weg, de doorgang wordt bemoeilijkt, het verkeer komt stil te liggen; de omstanders vormen onmiddellijk een overlegorgaan; deze geïmproviseerde assemblee krijgt een uitvoerende macht die de kwaal zal verhelpen, nog voor de gedachte aan een al bestaande autoriteit bij iemand is opgekomen.’

Medium toq

Als er zoiets als een Amerikaanse mentaliteit bestaat, is het deze. Ze wordt niet belichaamd door de cowboy en zijn veronderstelde ‘rugged individualism’ maar door de pioniersgroep die in goed overleg de schouders eronder zet. Een echo vinden we in de lotgevallen van United Airlines-vlucht 93 die op 11 september 2001 op weg van Newark naar San Francisco werd gekaapt door vier terroristen. De inzittenden maakten uit mobiele-telefoongesprekken met de grond op dat hun toestel net als drie andere zou worden gebruikt om een gebouw te verwoesten. Ze gaven zich niet over aan paniek of apathie. Ze hielden een vergadering. Ze beraadslaagden zo goed en zo kwaad als het ging over de vraag wat ze moesten doen. Toen stemming uitwees dat de meerderheid de kapers wilde overmeesteren, bestormden ze gezamenlijk (helaas zonder goed gevolg) de cockpit.

Zulke samenwerkingsgezindheid is volgens Tocqueville de grondslag niet enkel van de Amerikaanse democratie, maar van democratie tout court. Het is geen politieke, filosofische of wetenschappelijke grondslag, maar een zedelijke. Hij bestaat uit een verzameling ‘gewoonten van het hart’ die de mensen zich eigen maken door zich te verenigen in het algemeen belang en dus, in laatste instantie, in ieders eigen belang. Geen enkele staatsinrichting kan die zedelijke overtuiging afdwingen. ‘Het zijn de zeden, meer dan de wetten, die bijdragen tot het behoud van de Amerikaanse democratische republiek’, aldus de schrijver. Die zeden werden in de Verenigde Staten natuurlijk gevoed door een sterke godsdienstigheid. De scheiding van staat en kerk was er vanzelfsprekend omdat de eerste kolonisten waren ontsnapt aan godsdienstvervolging in Europa. Zodoende was het geloof een autonome variabele in het sociale weefsel die zowel de zelfredzaamheid als de cohesie in de samenleving bevorderde.

TOCQUEVILLE is na de Tweede Wereldoorlog geclaimd door liberalen en neoliberalen omdat hij zo'n groot belang hechtte aan de robuuste vrijheidszin en zelfredzaamheid van de Amerikanen. De econoom Friedrich von Hayek - de grote inspirator van Margaret Thatcher - noemde Alexis de Tocqueville een vroege apostel van zijn eigen neoliberale staatsleer. De Fransman had echter een open oog voor de nadelen van de vrije markt. Individualisme en hebzucht konden even zovele omgevallen bomen op de weg van de democratische samenleving worden. Alleen de vrijwillige verbintenis van burgers met het oog op het algemeen belang was volgens hem een gezonde basis voor democratie. In Amerika trof hij een wijdverbreid en fijnmazig verenigingsleven - van leeskringen en schoolbesturen tot kerken en landbouwkundige genootschappen - dat zowel het eigen belang van de betrokkenen als het algemeen belang diende en bovendien functioneerde als ‘hogeschool van de democratie’ waarin men leerde vergaderen, argumenteren en compromissen sluiten. Waar in Europa aan het hoofd van een publiek initiatief bijna altijd een prominente persoonlijkheid stond, was dat in Amerika bijna altijd een vereniging.

Juist omdat de Amerikaanse wetgever een hechte, zelfredzame maatschappij vertegenwoordigt ‘vormt hij zich van de plichten van de samenleving jegens haar leden vanzelf een vollediger idee dan Europese wetgevers’, aldus Tocqueville: ‘De bevolking heeft via haar bijeenkomsten een enorme invloed op de bestuurders en vaak voeren ze direct hun wensen uit.’ Als de Amerikaanse overheid zich eenmaal ergens mee bemoeide, gebeurde dat veel grondiger dan in Europa: ‘De wet gaat op duizend verschillende bijzonderheden in om een hele reeks sociale behoeften, waarvan men in onze tijd in Frankrijk nog maar een vaag vermoeden heeft, vóór te zijn of erin te voorzien.’ Het meest is hij onder de indruk van het wijdverbreide openbaar onderwijs. Letterlijk zei de Amerikaanse wet dat ‘Satan, de vijand van het menselijk geslacht, in de onwetendheid van de mensen zijn machtigste wapens vindt’. Derhalve was de oprichting van scholen in alle gemeenten verplicht. Niks particulier initiatief. De gemeente bouwde een school en gaf zware boetes aan eenieder die weigerde mee te betalen of zijn kind erheen te sturen. Een gemeente die deze plicht verzaakte, kreeg te maken met de lange arm van de staat.

WAT ZOU TOCQUEVILLE eigenlijk tegen Rutte hebben gezegd? ‘Hij zou hebben geantwoord: “Wie de overheid vraagt die boom weg te halen, is een reddeloze individualist, een calculerende burger die geen vinger uitsteekt voor een ander en zodoende zijn afhankelijkheid van de staat alleen maar vergroot”’, aldus bestuurskundige en Tocqueville-kenner Albert Jan Kruiter: ‘Dat had hij juist zo op de Fransen tegen, dat ze volstrekt individualistisch waren. Amerikanen begrepen dat het uiteindelijk in je eigen belang is om concessies te doen, compromissen te sluiten en zelf de handen uit de mouwen te steken voor een algemeen belang. Alleen door een deel van je vrijheid in te leveren kun je op termijn samen met anderen je vrijheid vergroten. Dat motief, dat Tocqueville het “welbegrepen eigenbelang” noemt, is iets heel anders dan de “onzichtbare hand van de markt”, het calculerend burgerschap, het klantdenken, de financiële prikkels en het kortetermijnbeleid waarin de VVD van Rutte grossiert.’

Alleen al om zulke misverstanden te voorkomen is het goed dat De la démocratie in een nieuwe Nederlandse vertaling verschijnt. En het komt helemaal als geroepen nu democratiemoeheid en afkeer van de politiek alomtegenwoordig lijken. Waar onze democratie lijdt onder leegloop van de politieke partijen, afkalvend overheidsgezag en de uitlevering van publieke taken aan private belangen is een nuchtere diagnose nodig. De toestand is te ernstig voor snoepjes op de wonde. Zulke snoepjes worden ons voortdurend voorgehouden. Meer markt, zeggen neoliberalen. Meer overheid, zeggen communautaristen en sociaal-democraten. Directer contact tussen kiezer en gekozenen, zeggen links-liberalen. Niets van dat alles snijdt hout, zou Tocqueville zeggen. Het staat voor hem niet eens vast dat de democratie toekomst heeft, of anders gezegd: dat de toekomst van de democratie ook maar enigszins lijkt op de paradijselijke verte die haar felste verdedigers ons voorspiegelen.

HET VERHAAL GAAT dat een edelman die tijdens de Franse Revolutie onder het zingen van ‘Ah, ça ira! Hang de aristocraten aan de lantarens!’ naar het schavot werd gereden de woorden sprak: ‘Maar heren, daarvan gaan ze niet beter branden.’ Met dezelfde superieure koelbloedigheid oordeelde Alexis de Tocqueville over de democratie. Zijn halve familie was uitgemoord tijdens de Terreur, voornamelijk als wraakneming op zijn overgrootvader, de zachtaardige intellectuele reus Guillaume-Chrétien de Malesherbes. Als rechter kwam Tocqueville zelf ook herhaaldelijk in het gedrang vanwege zijn aristocratische komaf. Maar hij zag in dat de democratie blijvend was en dat het beter was haar te begrijpen dan haar te verketteren.

Toen de ‘burger-koning’ Louis Philippe van Orléans in 1830 de troon besteeg achtten Tocqueville, wiens familie nauwe banden had met de Bourbons, en zijn goede vriend en collega Gustave de Beaumont het raadzaam om de luwte op te zoeken. Ze ondernamen een studiereis naar de Amerikaanse gevangenissen. De tocht was ‘een vrijbrief om in alle uithoeken van de Verenigde Staten door te dringen’ schreef Tocqueville aan een vriend. Naast de genoemde associatieve geest ontdekte hij ook veel naargeestige aspecten aan de Amerikaanse democratie: de drang naar artistieke en intellectuele nivellering, de triomf van de slechte smaak, de verheffing van kwantiteit boven kwaliteit en het korte geheugen van democratische instituties.

In het eerste deel van zijn boek lijkt hij nog tamelijk optimistisch, in die zin dat hij meent dat de Amerikanen de Fransen in democratische ontwikkeling vooruit zijn. In het tweede deel komt hij daarop terug: de Franse democratie is veeleer het voorland van de Amerikanen. In Amerika was de centrale overheid als het ware het sluitstuk geweest van de onafhankelijkheidsstrijd. Het heeft nog bijna een eeuw geduurd voordat de Unie greep op het hele land kreeg. In Frankrijk was eerst een democratische staat en pas daarna een democratische samenleving ontstaan. De democratie was de Fransen als het ware door het revolutionaire regime in Parijs door de strot geduwd, waarbij het landsbestuur tevens drastisch werd gecentraliseerd. Elke Fransman wist voortaan dat hij niets voor elkaar kreeg zonder toestemming, hulp of toezicht van de staat. Aan die woekering van bureaucratie en beheerszucht zou volgens Tocqueville op den duur ook Amerika niet ontsnappen.

Small toq2

In een aantekening uit 1833 formuleert hij het dilemma duidelijk: ‘Aldus volgen mensen twee onderscheiden wegen naar de slavernij; de liefde voor hun eigen welzijn weerhoudt hen ervan deel te nemen in het openbaar bestuur, en tegelijk dwingt de liefde voor hun welzijn hen almaar afhankelijker te worden van hun bestuurders.’ Deze tangbeweging resulteert in wat Tocqueville ‘mild despotisme’ noemde: een constante bevoogding op alle levensgebieden door een bureaucratisch, onpersoonlijk en genadeloos calculerend overheidsapparaat. Kruiter: ‘En er is nog een mechanisme bij gekomen waarvan Tocqueville niet had kunnen dromen. De staat zelf gaat zich gedragen als ondernemer. De publieke taken worden uitbesteed aan de markt, maar de staat blijft zogenaamd de kwaliteit bewaken met behulp van steeds ingewikkelder procedures en steeds meer loketten en instanties. Zo ontstaat een willekeur in de uitvoering waarvan de meest hulpbehoevende leden van de samenleving het vaakst slachtoffer zijn.’

HET LIJKT WEL of sommige bewonderaars van Tocqueville het tweede deel van zijn boek hebben overgeslagen. Zij menen dat een bloeiend verenigingsleven op zich tot versterking van de democratie leidt. Te oordelen naar de stortvloed aan boeken en rapporten over civil society en communautair burgerschap zijn we tegenwoordig allemaal tocquevillianen. Het begrip civil society dateert uit de zeventiende eeuw, de tijd van de absolute vorstenmacht. Filosoof John Locke gebruikte het als verzamelnaam voor spontane burgerorganisaties die een (noodzakelijk) tegenwicht konden vormen tegen de macht van de staat en de vorst. De hedendaagse populariteit van de term danken we vooral aan de oppositiebewegingen die in de jaren tachtig in het Oostblok actief werden. Zij gebruikten hem nog in de betekenis van Locke: een onafhankelijk netwerk van mondige burgers, feitelijke drager van de volkswil en tegenwicht tegen de dictatuur van de communistische partij.

Als de term civil society vandaag in Nederland valt, bedoelt men meestal een variant op de oude zuilen, inclusief de financiële aanspraken die daarbij horen zoals de publieke financiering van het bijzonder onderwijs. Het gaat dan om organisaties die op allerlei manieren met de overheid verknoopt zijn. Meer in het algemeen zijn de organisaties die door toonaangevende onderzoekers als Robert Putnam, Ulrich Beck en Richard Sennett onder de civil society worden gerangschikt geen ‘associaties’ in de zin van Tocqueville. In zijn boek Mild despotisme (2010) neemt Kruiter vooral Putnam de maat, de Harvard-socioloog die naar eigen zeggen zijn levenswerk heeft gebaseerd op Tocqueville.

Putnam is de voornaamste theoreticus van het ‘sociaal kapitaal’, een soort vertrouwensquotiënt in de samenleving dat tot stand komt door zelforganisatie van de burgers. Een fameus voorbeeld zijn de Amerikaanse bowlingclubs die Putnam als pars pro toto behandelt in Bowling Alone (2000). In Making Democracy Work (1993) toonde hij aan dat er een verband is tussen het economisch succes van bepaalde Italiaanse regio’s en de mate waarin de bewoners op lokaal niveau samenwerken. Kruiter: ‘Maar zulke belangenorganisaties beschouwt Tocqueville niet als inherent democratisch. Zoals de naam al zegt, zijn zij verlengstukken van het eigenbelang of een particuliere hobby, niet van het publiek belang. Niet alleen een bowlingclub maar ook de ANWB en de Siciliaanse maffia vallen onder Putnams definitie van sociaal kapitaal. Private verenigingen die zich niets van het algemeen belang aantrekken. Sociaal kapitaal is helemaal niet per definitie gunstig voor de democratie.’

‘Een directe correlatie tussen sociaal kapitaal en democratie is er inderdaad niet’, zegt Robert Putnam vanuit Australië waar hij een sabbatical gebruikt om te werken aan een nieuw boek: ‘Maar er is wel een indirecte relatie. Sociaal kapitaal zoals ik dat definieer, dus het geheel van formele en informele betrekkingen tussen mensen, hangt samen met andere aspecten van de samenleving die op hun beurt wel degelijk van belang zijn voor een gezonde democratie. Mijn nieuwe boek gaat bijvoorbeeld over het verband tussen sociaal kapitaal en sociaal-economische gelijkheid. Het blijkt dat landen met veel sociaal kapitaal zoals Zweden of Nederland veel meer gelijkheid kennen dan een land als Brazilië waar extreme ongelijkheid en laag sociaal kapitaal samengaan. En gelijkheid bevordert de solidariteit en de zorg voor anderen omdat gelijken elkaars noden en problemen beter herkennen en meer gemotiveerd zijn om er iets aan te doen. In samenlevingen met een grote mate van gelijkheid levert men gemakkelijker iets van zijn vrijheid in ten bate van het algemeen belang.’

Hoe verklaart Putnam dan dat het gevoel van democratische malaise ook toeslaat in high-trust societies als Zweden en Nederland? ‘Daarvoor heb ik een heel andere verklaring. Door de globalisering hebben overheden veel minder macht dan voorheen, maar ze worden nog wel verantwoordelijk gehouden voor alles wat er misgaat. Hedendaagse politici zijn niet te benijden. Ze besturen als het ware een auto met een kapot stuur en versleten remmen, maar als die auto in een greppel rijdt krijgen ze wel de schuld. Geen wonder dat het vertrouwen in de democratie afneemt. En wat ons sociaal kapitaal betreft kun je zeggen dat de associaties die we vandaag kennen zijn toegesneden op de wereld van gisteren. Dus hollen ze zienderogen uit. Maar er is hoop. Zo'n periode hebben we in Amerika ook gehad in de jaren 1890-1910, zoals ik beschrijf in Bowling Alone. De sociale cohesie nam ernstig af als gevolg van economische internationalisering, migratiestromen, urbanisatie en andere ingrijpende en snelle sociale veranderingen. Toen hebben de Amerikanen hun verenigingsleven helemaal opnieuw uitgevonden. Ik denk, of hoop althans, dat de wal het schip opnieuw zal keren. Net als toen zullen vooral jonge mensen nieuwe netwerken uitvinden die inhoud geven aan hun zorg voor het algemeen belang.’

Volgens Kruiter deed Tocqueville zelf in dit opzicht geen aanbevelingen, dus kun je met hem ogenschijnlijk alle kanten op.

Serge Audier, Sorbonne-hoogleraar en Frankrijks bekendste Tocqueville-expert van het moment, merkt op dat men in Frankrijk de eerste honderd jaar na verschijning van Tocqueville’s boek niet eens een poging heeft gedaan om met hem op de loop te gaan: ‘Tot in de jaren zestig werd hij verdrongen door marxisten en structuralisten. Zijn rehabilitatie is volledig het werk van filosoof Raymond Aron geweest.’ Audier wijst erop dat de liberale minister-president Chaban-Delmas in 1969 opeens met Tocqueville op de proppen kwam in een beroemde redevoering in het parlement. Inhoudelijk sloeg de premier wel precies de spijker op de kop: ‘Zoals Alexis de Tocqueville heeft aangetoond - en dit is nog altijd van toepassing - bestaat er een verregaande samenhang tussen de almacht van de staat en de zwakheid van het gemeenschapsleven in ons land.’ Zelf timmert Audier tegenwoordig aan de weg met links-liberale manifesten in de geest van Tocqueville. ‘Dat wil niet zeggen dat ik een politiek programma afleid uit zijn teksten, die immers in hoofdzaak analytisch zijn. Wat dat betreft hebben we een lange weg te gaan.’

MISSCHIEN is de erfenis van Tocqueville in betere handen bij sommige denkers en onderzoekers die niet behoren tot de zelfverklaarde tocquevillianen. De vorige week tot Nationale Denker uitgeroepen Hans Achterhuis constateert in De utopie van de vrije markt (2010) dat vertrouwen op de overheid ons niet zal redden van de ontsporingen van de vrije markt. De triomf van het vrije-marktdenken gaat juist gepaard met een ‘paradoxale toename van toezicht en controle’ door de staat. ‘Het goede leven speelt zich buiten markt en staat af: in wederkerigheidsrelaties, in de gemeenschappelijkheid met anderen om greep op ons leven te houden’, meent Achterhuis. Hij vestigt zijn hoop op ‘institutionele platforms voor moreel beraad’ waarin mensen ‘zelf hun verantwoordelijkheid nemen en zowel marktpartijen als de overheid tot de orde roepen.’ Dat moreel beraad is bij Achterhuis onlosmakelijk verbonden met het algemeen belang. Van zijn platforms is het een kleine stap naar Tocqueville’s associatiegeest.

Sociaal-psycholoog Hans Boutellier heeft zich nooit diepgaand met Tocqueville beziggehouden, maar de stellingen uit zijn boek De improvisatiemaatschappij (2010) komen heel dicht bij de theorie van de Fransman. De samenleving fragmenteert, schrijft Boutellier, en hij wordt niet coherenter door wetgeving of door morele appèls van bovenaf zoals Balkenende’s normen- en waardenoffensief. Zulke pogingen refereren aan collectieve kaders die niet meer bestaan. Niet voor niets ging het in 2006 gelanceerde idee van een moderne historische canon voor ons land, gekoppeld aan de bouw van een museum te Arnhem, binnen de kortste keren naar de postmoderne verdommenis. Boutellier: ‘Ook grote woorden als “rechtvaardigheid” of “solidariteit” hebben hun betekenis verloren, zo lijkt het. In de ogen van rechtse kiezers bijvoorbeeld is “solidariteit” een ander woord voor diefstal geworden en “emancipatie” een eufemisme voor voortrekken.’

Toch knutselen we voor onszelf nieuwe vormen van burgerschap in elkaar. We streven naar ‘georganiseerde vrijheid’, dat wil zeggen: naar sociale betrekkingen waarin wel degelijk een morele orde besloten ligt. Boutellier: ‘De samenleving is niet zo chaotisch. Mensen zijn onderdeel van allerlei kleinere netwerken waarin wordt gewerkt aan een “moraal van onderop”. Een goed voorbeeld vind ik de wedergeboorte van het Sloterparkbad. Dat moest in 2001 worden gesloten omdat er te veel problemen waren met allochtone jeugd. Inmiddels heeft men door een combinatie van betere bewaking, bouwkundige aanpassingen en het betrekken van jongeren bij het toezicht een nieuwe norm weten af te dwingen zodat het zwembad nu weer echt publiek bezit is. De netwerkschool, waar ik erg voor ben, heeft hetzelfde normerende effect van onderop.’ Kortom, juist omdat we hechten aan onze vrijheid beseffen we dat we moeten samenwerken met anderen om die te waarborgen en ontplooien. Ziedaar de kern van Tocqueville’s ‘welbegrepen eigenbelang’.

LANGE TIJD werd aangenomen dat Tocqueville met zijn schets van het milde despotisme een ver perspectief aanreikte. Maar we moeten ons in alle ernst afvragen of we er niet al lang midden in zitten.

Als we de rapportages van het Sociaal en Cultureel Planbureau moeten geloven, heeft Nederland veel sociaal kapitaal. Achter onze dijken wemelt het van de verenigingen en bloeit onverminderd het vrijwilligerswerk. Maar het wordt allemaal door de overheid gesubsidieerd, gecontroleerd en ingekapseld in overlegstructuren, prestatieafspraken en verplichte rapportages. Zonder navelstreng naar de staat kunnen en mogen we niets meer. Vandaar, wellicht, dat de politieke malaise ook in Nederland in alle hevigheid toeslaat. Nederlanders zijn tevreden met hun eigen leven, maar zeer ontevreden over hun samenleving. En die onvrede lijkt toe te nemen na elke poging om overheid en burgers dichter bij elkaar te brengen. Albert Jan Kruiter ontdekte hoe erg we ervoor staan toen hij enige jaren lang de sociale hulpverlening in veertien Nederlandse gemeenten onderzocht vanuit het perspectief van de hulpvragers: ‘Ik sprak vaak met groepen ambtenaren en dan vroeg ik hoeveel publieke initiatieven in hun gemeente zonder overheidsbemoeienis waren ontstaan of standhielden. Dan bleef het bijna altijd stil.’


Alexis de Tocqueville, Over de democratie in Amerika, vertaald door Hessel Daalder en Steven Van Luchene, bezorgd en ingeleid door Andreas Kinneging, Lemniscaat, gebonden, € 64,50