Vergeten dichteres Dana Hokke

Wie schrijft die blijft (4)

Na een periode van ellende verschijnt in 1981 haar enige dichtbundel ‹Gebroken wit›. Haar ware naam moest verborgen blijven: ´Er zaten ook vrijgedichten tussen.ª Deel vier in de serie over vergeten dichters. –

Holten



Mijn ogenblikken kan ik niet
delen in woorden rakelings
breken ze weg.



In de nevel het zonlicht gedimd
een schimmel grauw begrensd
en nauwelijks een berk.



Dit isolement gebroken wit
tot pulver geroerd in het glas
drinkbaar maar onopgelost.



Dana Hokke,

uit: Gebroken wit (1981)



 

Het vooruitzicht dat cultureel correct Nederland zich zaterdag 28 oktober aanstaande aan haar vers ´Verkekenª zal laven doet Dana Constandse alias Dana Hokke (70) op deze lentedag reeds gloedvol huiveren. ´Het is herfst, kalendertijd./ Ook dit jaar wilde ik meedoen,/ maar deze keer nu eens opgewekt/ met een vroeger vrolijk seizoen.ª Het is een nieuw gedicht, ze heeft het speciaal voor de Meulenhoff poëziekalender geschreven. Maar gaat het, behalve over het schrijven van het jaarlijkse kalendergedicht zélf, niet ook een beetje over haar eigen poëtische carrière? ´Poëzie is niet bedoeld om begrepen te wordenª, zegt ze pas na een tijdje. ´Ik wil niet dat iemand in mijn aanwezigheid naar de betekenis gaat zitten vissen. Daar kan ik echt agressief van worden… wil je nog thee?ª

Met twee dampende koppen treedt ze de schrijfkamer weer binnen. ´Eens per jaar wil ik dat er een vreemd oog naar mijn werk kijktª, zegt ze. ´Anders bloedt de dichter in mij dood.ª Behalve de Meulenhoff poëziekalender waren er, spaarzaam verdeeld over de jaren tachtig en negentig, nog wel wat publicaties. In Hollands Maandblad, Lust & Gratie, het onlangs ter ziele gegane Maatstaf en wat obscuurdere periodieken als het Vlaamse Gierik en het besloten Tijdschrift Ons Kent Ons (Toko). Tevens werd ze met twee verzen opgenomen in Komrij’s poëziebloemlezing van de negentiende en twintigste eeuw, hoewel de Dichter des Vaderlands er in de jongste druk eentje heeft wegbezuinigd. In Hans Warrens Spiegel van de moderne poëzie is Hokke nog wel met twee gedichten vertegenwoordigd.



Voor het raam zwiept de in hetzelfde kalendergedicht bezongen boom (´die waaiend zijn bladeren gaan laatª) op en neer. Uit een la in het mintgroene bureau trekt ze de gele map ´reactiesª te voorschijn. Op 16 juni 1971 deed een zekere A.F. Kamp haar een schriftelijk verzoek toekomen. Nog altijd kan ze er onbedaarlijk van in de lach schieten. ´Zeer geachte mejuffrouw Hokkeª, leest ze hardop voor. ´In november jongstleden hield ik een causerie over de poëzie van de waterstaat voor een tweehonderdtal Zeeuwse boeren. De stof was hoofdzakelijk historisch gericht, doch ik was erg gelukkig als enig eigentijds gedicht uw ´Bevelandª (geput uit het Hollands Maandblad) te kunnen voorlezen, waarvoor het gehoor erg gevoelig bleek. Voor zover ik kon achterhalen, is uw werk nog niet verzameld uitgekomen. Nu moet ik binnenkort over hetzelfde onderwerp spreken, doch thans voor een Noord-Hollands waterstaatkundig gehoor. Hoewel mij bewust dat dit een wat vreemde vraag is zou ik graag willen weten of u mogelijk nog andere gedichten schreef die met wat goede wil onder het begrip ‘waterstaat’ zijn te vangen, mogelijk zelfs gesitueerd in Noord-Holland.ª Ze deed het heerschap haar gedicht ´Doorbraakª toekomen. ´Hoewelª, zegt ze, ´het eigenlijk nogal seksueel was geladen.ª



Het was ook in 1971 dat de dichter Jan Emmens zijn hals in de strop legde. ´Eindelijk iemand die het echt durft, dacht ik toen.ª Net als Emmens doceerde ze aan de universiteit van Utrecht. Na het jammerlijke nieuws doolde ze drie dagen lang verdoofd rond. Ze stapte op de trein, het deed er niet toe waarheen. ´Ik ben geloof ik maar tot Zutphen gekomen.ª Onverrichter zake keerde ze naar Utrecht terug. ´Toch bleef ik aardig suïcidaal, totaal vervreemd van de wereld als ik was.ª Met een zucht dompelde ze haar pennenpunt weer onder. Het gedicht ´J.E. behandeldª ontstond. Poëzie, besefte ze, was de enige echte uitweg. Als ze de juiste woorden maar kon vinden. Ze wrong de taal uit tot op de allerlaatste vezel. Het woord waarop uiteindelijk haar keuze viel, vertrouwde ze nog voor geen cent: ´krappe denkmantels voor verwaarloosde begrippenª en ´haastige barricades waarachter de achterdocht/ hurktª. Zo klinkt het in ´Woordenª, dat het openingsgedicht zou worden van Gebroken wit, haar eerste en enige bundel die een decennium later pas zou verschijnen.

Jan Emmens kende ze al van vlak na de oorlog. Van toen ze ´vreeª met Nol Koster, een Neerlandicus die deel uitmaakte van het Utrechtse groepje studenten rond het geuzenblaadje Parasol. Met, behalve Emmens, voormannen als Pierre Vinken en Theo Sontrop. ´Zij spraken over beeldende kunst en letterkunde op een boeiender manier dan ik op college te horen kreeg.ª Haar eerste gedicht had Dana Hokke op haar zestiende al geschreven. ´Het ging over de lente. Ik had het verzonnen op de fiets.ª Op het gymnasium was ze lid geweest van een geheim literair clubje, bestaande uit negen meisjes. ´Wat er in de les gebeurde vonden wij te mager.ª Eenmaal studerende en in aanraking gekomen met het Utrechtse genootschap schreef ze nauwelijks meer, eigenlijk alleen nog korte versjes die als bijdragen konden dienen voor een kopijbehoeftig studentenblad.



Dat veranderde niet toen ze de Neerlandicus verruilde voor de inmiddels als dichter vergeten E.P. Köster, die in het voetspoor van de Vijftigers dichtte. ´Hij had bij Remco Campert op school gezeten, maar echt erbij hoorde hij niet.ª Toch gold E.P. Köster als een talent. ´Zijn bundel werd onderscheiden met een reisbeurs. De inzending had ik nota bene in veelvoud voor hem uitgetypt.ª In zijn schaduw voelde zij de nietigheid van haar talent. ´Ik was de vrouw van de dichter, een goedlachs type. Dat schreef een Utrechtse krant ook die hem kwam interviewen. ‘Zijn vrouw schonk koffie in grote kommen’, stond er.ª Ze liet het dichten los. ´Het waren krabbels. Die poëzie van mij was niks waard.ª Ze kwam wel eens bij Campert over de vloer, ontmoette Lucebert, Elburg en Kouwenaar. ´Wat zijn dat voor mensen, dacht ik. Alleen Lucebert vertoonde iets warms. Ik voelde me er zo provinciaals bij. Vrouwen waren voor hen hooguit goede minnaressen.ª Ze was natuurlijk een overloper. De terbraakiaans geörienteerde groep rond Emmens en de experimenteel-lethargisch getinte Vijftigers hadden weinig met elkaar gemeen. Van de gesprekken die de Vijftigers voerden, was ze niet onder de indruk. ´Verhitte disputen waren het bepaald niet. Ik hoorde wel eens iets over dada en surrealisme, maar veelal zaten ze in een kringetje hasj te roken.ª Toch had zij het idee dat ze briljant waren. ´Die woordkeus van ze en de manier waarop ze zich konden laten gaan. Dat zijn de echte, dacht ik.ª Toen ze op een van de party’s dronken ineenzeeg, ontfermde de vrouw van Campert zich over haar. ´Voor het eerst zag iemand mij.ª Aan de contacten met de Vijftigers kwam abrupt een einde toen ze brak met de dichter.



Haar leven werd er niet kalmer op. ´Ik ging op mijzelf wonen en onderhield een korte relatie met een zekere Otto. Maar hij verongelukte, zoals de Neerlandicus een paar jaar eerder ook al was verongelukt.ª In het driedelige ´Verlorenª vereeuwigde ze Otto: ´Je zou jezelf niet meer herkennen/ nu ik mij heb losgemaakt van je/ dood.ª Steeds dieper zonk ze weg in existentieel gemijmer. ´Ondanks het tamelijk regelmatige bestaan dat ik als docent leidde, had ik het idee dat de wereld van mij vervreemdde en andersom. Ik dacht dat het leven onder mij doorgleed, dat ik nergens en bij niemand welkom was.ª

Bij het werken aan gedichten raakte ze in een stemming die haar terugvoerde naar haar jeugd, voor de oorlog. Toen haar moeder op de bedrand gezeten haar en haar zusje voor het slapen gaan raadsels voorlas. Geobsedeerd dacht zij dan na over het goede antwoord. Precies dat gevoel keerde bij het dichten terug. Ze bemerkte dat ze in haar gedichten bezig was reële gebeurtenissen te verraadselen. ´Het paren van nijlpaarden/ is minstens zo subtiel/ als onze logge bezigheid/ in bedª, staat in ´Vergelijkingª, een vers dat refereert aan een verhouding met een getrouwde man, die ze na het noodlottig overlijden van Otto was begonnen. ´Dat leek me ideaal. Omdat ik me toch niet meer kon binden. Tegelijkertijd was ik doodsbenauwd om door hem verlaten te worden.ª Haar leven hing van leugens aan elkaar. ´Overal had ik geheimen. Nergens mocht ik over praten. Spontaan zijn kon niet. Ik mocht me eens verspreken.ª In ´Luctorª dichtte ze: ´Pas op, mijn lijf/ een dwangbuis/ dat scheurt.ª Op zeker moment confronteerde ze de overspelige echtgenoot met een lading poëzie. ´Zie wat jij me aandoet, zei ik. Hij las het aandachtig en zei: dit is goed, Dana, dit is erg goed.ª

Verbluft door die reactie besloot ze het erop te wagen. Naar Hollands Maandblad ging het, waar K.L. Poll redacteur was. Zijdelings kende ze hem nog uit de tijd dat ze met de dichter ging. Poll belde op. ´Hij zei: wat een mooie gedichten heb jij gestuurd. We gaan ze plaatsen.ª Ze besloot haar ware naam, Dana Constandse, te veranderen in Dana Hokke, de naam van een in de familie als pinnig bekend staande grootmoeder. Tevens refereerde het pseudoniem aan het telkenmale uitgeleverd zijn aan anderen (´hokkenª). De angst van herkenning woog ook zwaar mee. ´Als Neerlandicus kende ik veel leraren Nederlands die er een eenvoudige tekstanalyse op los konden laten.ª Ook naar haar ouders toe diende het verborgen te blijven. ´Er zaten ook vrijgedichten tussen.ª Haar voornaam liet ze niettemin ongewijzigd, ze wilde wel dat haar ex-dichter haar zou herkennen. ´Ik had het gevoel dat ik door hem en de Vijftigers mijn poëtische gevoelens had onderdrukt. Jarenlang was ik verlamd geweest.ª



Uitgesmeerd over een periode van tien jaar volgden publicaties in Avenue Literair, Hollands Maandblad en NRC Handelsblad. Theo Sontrop, die zich haar ineens van de Emmens-groep wist te herinneren, haalde haar bij De Arbeiderspers binnen. In 1981 verscheen Gebroken wit, de langverwachte bundel. Slechts 24 verzen, de meeste reeds in literaire tijdschriften afgedrukt, waren opgenomen. Want de thematiek van bescheidenheid moest tot de omvang aan toe onderstreept worden. De gedichten waren ook nog kort, geen woord werd erin verspild. In plaats van de jarenlang geblokkeerde poëtische sluis wijd open te zetten, liet ze slechts mondjesmaat wat door. Wat er kwam was puntgaaf en illustreerde treffend haar jarenlange gevoel van isolement.

Het zijn gedichten die ´geen enkel partje onzinª bevatten, constateerde Rob Schouten in zijn poëzierubriek in Maatstaf. ´In de poëzie van Dana Hokke is er echter ook een verschuiving van ‘taal’ naar personen. Relaties met andere mensen vormen evenals woorden slechts ‘haastige barricades’ª, schreef Karel Soudijn in een lovende bespreking in NRC Handelsblad.

Ze hield een voordracht op Zomerschrift, een literair evenement in Groningen. ´Bijzonder interessant was het werk van de enige vrouw op deze avond, Dana Hokkeª, noteerde het Nieuwsblad van het Noorden. ´Ze zei over haar gedichten dat ze ‘meestal kort zijn, omdat ik de woorden niet vertrouw’.ª Behalve grootheden als Toon Tellegen en Bert Schierbeek was ook Remco Campert van de partij. Dana Hokke stapte op hem af. ´Ik zei dat ik de eerste vrouw van E.P. Köster was en vroeg of hij me nog kende. Hij kon zich mij niet herinneren en wist ook niet wat hij met mij aanmoest.ª



Na de bundel kreeg ze nauwelijks nog een strofe op papier. ´De periode van ellende was achter de rug. Blijkbaar kon ik alleen maar schrijven als ik ongelukkig was.ª Haar gekneusde ziel van weleer was in een bandje gevat. ´Het misnoegen was getemd, daarom ben ik ook zo fel als iemand gaat interpreteren.ª Ze volgde een opleiding tot gestalttherapeut. ´In de hoop dat er iets los zou komen.ª Maar ze bleef, zoals ze zelf metapoëtisch dichtte ´als een kip op stenen eieren broedenª. Wat ze produceerde was meestal frivool van toon. Hollands Maandblad en Maatstaf gingen nog maar mondjesmaat tot plaatsing over.

Na haar vut gaf ze poëzielessen op de schrijversvakschool ’t Colofon. ´Voor mijn imago was het wel goed als er een tweede bundel zou komen. Ik diende bij Sontrop een voorstel in. Geen probleem, doen we, liet hij per brief weten. Ik vertelde iedereen op ’t Colofon dat in februari de drukproeven kwamen. Ze kwamen niet. Na februari begon ik te bellen. Sontrop was steeds onbereikbaar.ª

Uit het mintgroene bureau trekt ze de roze map ´uitgeversª te voorschijn. ´In poëtisch opzicht gebeurt er in de tweede bundel minder ingrijpends dan in Gebroken witª, leest ze uit de afwijzingsbrief van Sontrop voor. Ze lacht weer. ´Ik schreef boos terug dat ik ogenblikkelijk mijn bundel terug wilde, dat ik hem wel elders onder zou brengen. Maar dat is er nooit van gekomen.ª In 1997 heeft Dana Hokke er voor het laatst aan geschaafd. ´Achª, zegt ze, ´er verschijnt zoveel goeds, ik hoef niet meer zo nodig.ª Toch zal zij haar lier niet in de wilgen hangen. ´Zolang eens per jaar iets afgedrukt wordt, al is het maar in een scheurkalender, dan krast mijn pen wel voort.ª