Bergman

Wie schrijft die blijft (6)

Bij de Vijftigers hoorde Bergman niet. En eigenlijk hoort hij nog steeds nergens bij, vindt hijzelf. Hij werd door niemand beïnvloed en stond nooit in welke traditie dan ook. Deel zes in de serie over vergeten dichters.

Reisbrief waarde vriend het is hier prachtig de koeien zijn ontroerend drachtig de spoorlijn loopt dwars door het dal een vrouw beheert de waterval elk huis of hok met beemd en gaard verkoopt men op een ansichtkaart de mensen lopen traag en stug en komen op geen stap terug men zegt god heeft ons klein gebouwd maar sneed ons uit behoorlijk hout dit alles sta ik aan te zien zo is het paradijs misschien en verder is hier alles prachtig het wordt me soms wel eens te machtig Bergman, Uit: Ik ga mezelf maar na (1960) Hij kijkt in het register en bladert naar zijn eigen naam. «Ik wil eerst een paar dingen zeggen die in het belang zijn van mijzelf.» In de Oosthoek Lexicon die hij ter hand heeft genomen, staan álle Nederlandstalige auteurs opgesomd. «Het steekt mij telkens weer als wordt beweerd dat ik beïnvloed zou zijn door Jan, Piet, Klaas of Kees.» Geërgerd leest hij voor: « ‘Bergman, pseudoniem van Aart Kok. Werkte als leraar in Den Haag, vandaar ook het pseudoniem.’ Dat klopt allemaal. Maar dan dit: 'Hij schreef laconieke, door Elsschot en Nescio be ïnvloede poëzie.’ Je reinste kletskoek! Ik ben door niemand beïnvloed. Ik heb nooit in welke traditie dan ook gestaan.» Hij klapt het lexicon toe en wijst op rijtjes Goethe en Heine, die vertrouwd alfabetisch in zijn kast staan. «Met Goethe heb ik niks. Met Heine alles. Maar ik ben Heine niet en ik ben niet door hem be ïnvloed. Heine is gewoon een man die mij ligt.» Nooit heeft Bergman (78) het papier ook maar een komma onzin toevertrouwd. Niet alleen de omvang van zijn oeuvre, ook de verzen zelf getuigen daarvan. «geen zus geen zo/ geen klemmende betogen/ alleen maar zijn/ maar dat zal wel niet mogen», dicht hij in De inhoud van het oppervlak, een bundel die in 1975 bij Querido verscheen. In die bundel trokken twee, als voetbalopstelling vormgegeven gedichten aandacht. Het eerste was een «privé-elftal» met namen als Emants, Elsschot en Nescio, het tweede een «anti-elftal» met namen als Vinkenoog, Mulisch «(reservedoelman)» en Claus. De reacties op dit anti-experiment waren lauw. Criticus Tom van Deel schreef dat «zoiets genoeg [zegt] over Bergmans instelling ten opzichte van literatuur». De tegenwerpingen konden de dichter niet deren, eindelijk had een reguliere uitgever hem weer aangedurfd. Hoewel Bergman terdege besefte dat de toegeeflijkheid van Querido samenhing met de publicitair aantrekkelijke voorwaarde dat zijn succesvolle «Reisbrief» erin zou worden opgenomen. Met dit gedicht had het grote publiek dat jaar kennisgemaakt omdat het door Cees Buddingh’ aan het boekenweekgeschenk was toegevoegd. De onsterfelijke aanvangsregels van «Reisbrief» («waarde vriend het is hier prachtig/ de koeien zijn ontroerend drachtig ») gonzen tot op heden door elk kennershoofd. «Zo'n boekenweekgeschenk wordt tienduizendvoudig verspreid», zegt Bergman. «Wat dat aangaat ben ik Cees eeuwig dankbaar. Reinold Kuipers van Querido had het anders nooit aangedurfd, eerder al had hij laten weten niets van mij te kunnen uitgeven omdat de publicitair goedliggende Vijftigers uitgebreid aan bod waren.» Minder erkentelijk was Bergman zijn vakbroeder echter voor de onvergeeflijke blunder die deze bij het overtikken beging. Buddingh’ vergiste zich in een letter waardoor in de vijfde strofe van de boekenweekeditie van «Reisbrief» «bekoorlijk » in plaats van «behoorlijk» kwam te staan. Bergman: «Een ramp! Het woord werd precies wat het juist niet behoorde uit te drukken. 'Bekoorlijk’ is een christelijk beladen woord dat ik niet over mijn tong kan krijgen. Ik heb hem opgebeld en gezegd dat ik hem die drukfout nooit vergeef. Gelukkig staat het er bij Komrij tegenwoordig wel goed in.» Met de royalties kon Bergman in elk geval het begrotingsgat opvullen dat was ontstaan na het drukken van de clandestiene bundels Het loden uur (1959) en Ik ga mezelf maar na (1960) op de persen van een Nunspeetse drukkerij, die hij voor de joligheid had omgedoopt tot De Lapkaars. De werkjes bewezen wederom dienst toen Querido in 1977 besloot een volgende bundel, Kamerbreed, uit te brengen. Gedicht «4» is een evergreen: «de zon/ en ik daaronder/ daartussen soms/ de wolken/ en mijn vraag/ waarom begonnen (…) de schemerlamp/ verraadt mijn vrees/ dat ik ooit door wehkamp/ ben verzonnen». In NRC Handelsblad en Het Parool juichten de critici hem toe: «Bergman wisselt rake beelden af met zakelijke notities. Hij redt zich uit de wanhoop door zijn ironie, zijn zelfspot.» Uit De tijd te lijf, een aflevering die hij in 1994 mocht schrijven in het biografische privé-domein, is op te maken dat Bergman al op jonge leeftijd het leesvoer gretig tot zich nam. Hij groeide op in achtereenvolgens Bergambacht, Ammerstol en het Rotterdamse Kralingen. Van de Kralingse openbare bibliotheek liet hij geen snipper ongelezen. Eenmaal op de kweekschool attendeerde een docent, die omgang had met dichter Willem de Mérode en schrijver-uitgever Jaap Romijn, hem op de po ëzie. In de ban van de Perzische dichter Omar Khayyam waagde Bergman zich op een goed moment aan de kwatrijnen. «Die korte vorm van tweemaal vier, daar paste precies in wat ik kwijt wilde.» Waar de drang vandaan kwam, zal altijd een raadsel blijven. «Van huis uit kan ik het niet hebben meegekregen, bijbel voor en na als het er was. Hoewel, misschien via mijn grootvader van vaders kant, die las Jules Verne. Maar die grootvader van moeders kant is het zeker niet, terwijl ik toch aard naar mijn moeder. Onverstoorbaar ging zij haar weg, ondanks alle moeilijkheden. Mijn vader was veel meer een driftkees, gefrustreerd als hij was door z'n minderwaardigheidscomplexen. Hij had ook maar zes jaar lagere school, terwijl in die tijd toch haast iedereen dat had.» Hij was honderden kwatrijnen verder toen zijn etsende vriend Philip Kouwen, een van zijn weinige toehoorders, hem zei dat het ergens op begon te lijken. In de vroege oorlogsjaren durfde Bergman voor het eerst wat in te sturen. In het oktobernummer van 1942 van Morks Magazijn, dat onder leiding van Haagsche Post-oprichter Van Os in Dordrecht en omstreken verscheen, werden vijf van zijn kwatrijnen opgenomen. Daarop bood Jaap Romijn hem een debuut aan in de zogenoemde Schildpadreeks, die hij bij Bruna uitbracht om jong dichttalent te bedienen. Vanwege spaaklopende postbestelling in de oorlog is Bergmans kopij echter nooit aangekomen. Wel was er nog een publicatie in het clandestiene Parade der Profeten. Verzen van de toen 23-jarige werden in het poëzienummer van 1944 opgenomen: «De tijger in hem zag het lam/ en kromde spronggereed zijn klauwen ». Na de oorlog zette de dichter Ad den Besten de fameuze Windroos-poëziereeks op, waarin behalve enkele Vijftigers die later voor veel rumoer zorgden, ook minder voor de eeuwigheid bestemde verzenmakers als W.J. van der Molen, Guillaume van der Graft en Micha ël Deak hun eersteling uitbrachten. Ook Bergman werd benaderd door Den Besten. In 1950 verscheen het langverwachte Modus vivendi, met regels als «ik ben een evenwichtig man/ reïncarnatie van een lama/ ik houd van orde en ik kan/ niet dromen zonder mijn pyama». Den Besten bedacht dat enige publiciteit rond zijn reeks wel geboden was. Boekhandelaren in den lande riep hij op poëzievoordrachten te organiseren, waar hij zijn Windrozers dan bij toerbeurt heen kon sturen. Bergman: «Met Hans Warren, J.W. Schulte Nordholt en Hendrik Jan van Tienhoven las ik in 1950 in Middelburg voor. Afgeladen vol was het er.» Ook naar ’s-Hertogenbosch ging het. «Met W.J. van der Molen en Nico Verhoeven. Dat was heel mooi, in een hotel aan de Markt. Gelachen, joh. Iedereen zat er: huisvrouwen, soldaten in tunieken, het hele volk. Na die oorlog was er natuurlijk flink behoefte aan poëzie. Men had zo weinig gehad aan goede gedichten, het was echt een honger.» Het Cobratumult barstte los en aarzelend namen de Vijftigers hun posities in. Bergman was begin jaren vijftig geen onbekende. In het weekend van 2 december 1951 was hij van de partij op kasteel Oud-Poelgeest in Oegstgeest, waar veelbelovende literatoren van tijdschrift Podium en de Windroos-dichters informeel bijeenkwamen. W.F. Hermans las voor uit Het behouden huis, Harry Mulisch had met Archibald Strohalm juist de Reina Prinsen Geerligprijs in de wacht weten te slepen. Bert Schierbeek droeg voor uit De derde persoon, Remco Campert scandeerde zijn Neger uit Mozambique. Bergman declameerde vanachter het katheder uit Modus vivendi. Zondagochtend was het voetballen. Niemand vermoedde dat de foto’s die van de wedstrijd werden gemaakt een halve eeuw later collectors-items zouden zijn. Een van de plaatjes stond onlangs in de Volkskrant, bij een artikel over de expositie Literatuur met een doel in het Letterkundig Museum. Te zien is hoe de jonge Bergman door Hermans wordt aangespeeld. Bergman: «J.B. Charles zag dat ik een paar laarzen aan had met dikke noppen. In Zwitserland had ik daarmee gelopen. 'Jij voetbalt met ons van Podium mee’, zei Charles. 'Da’s goed’, zei ik terwijl ik eigenlijk bij het Windroos-team hoorde. Charles liep er professioneel bij: shirtje, voetbalschoenen. Verder was het een samengeraapt zooitje tot en met. Hermans die wist van voetbal geen bal, die stond maar wat te toeteren en te tetteren.» Bergman herinnert zich hoe op zeker moment Jan Hanlo per motorfiets bij het kasteel arriveerde. «Hij was geheel overstuur, iemand uit zijn directe omgeving was gestorven. Als een bezetene zette hij het op een drinken. Toen ’s avonds een experimentele film werd gedraaid, bleef hij maar brullen: 'Die poppen benne goed, die poppen benne goed.’ Ik ben met Charles Oegstgeest ingetrokken, op zoek naar nachtelijk vertier. Toen we terugkeerden had Hanlo de boel kort en klein geslagen. Er moest politie aan te pas komen om hem te kalmeren.» Vijftigers als Polet, Kouwenaar, Campert en Vinkenoog die in De Windroos waren gedebuteerd, trokken weg naar De Bezige Bij om daar hun gezamenlijke vuist te kunnen ballen. Bergman deed geen moeite ze achterna te gaan. «Ik hield niet van groepen en bewegingen. Bij Vijftig was het ook al heel snel een kopiëren van maniertjes. En we hadden toch ook de Tachtigers gehad. Was dat nou een groep? Welnee. Van Eeden, Verweij, Kloos. Die kun je toch niet over een kam scheren?» Omdat hij niet voor de Vijftigers capituleerde, werd Bergman automatisch tot het kliekje van Ad den Besten gerekend. Waar ook Guillaume van der Graft, J.W. Schulte Nordholt, de alcoholistische Hendrik Jan van Tienhoven en de blinde Jan Wit deel van uitmaakten. Met hen viel ook best avontuur te beleven. «Met Jan Wit die in de trein filosofische brailleboeken las, reisde ik naar Amsterdam. We ontmoetten de anderen in Amsterdam, bij de regisseur Ben Albach thuis. Albach gaf dramatieklessen, waarin we in die tijd ge ïnteresseerd waren.» Behalve een aantrekkelijke Hella Haasse herinnert Bergman zich de aanwezigheid van niemand minder dan Martinus Nijhoff. «Hij heeft ons na afloop in zijn auto naar het station gebracht. Natuurlijk kende hij mijn werk. Dat is het mooie aan dichten, dat onverwachte werelden zo voor je open kunnen gaan.» Ondertussen wenste geen uitgever de vingers aan Bergman te branden. Wel werd hij opgenomen in de bloemlezing Stroomgebied die Den Besten in 1953 afleverde. Daarin was nadrukkelijk ook plaats ingeruimd voor minder avant-gardistische dichters van het type W.J. van der Molen. In Braak, het podium van de vernieuwingsgezinde dichters, werd deze door Remco Campert ruw aangevallen: «In zijn werk doet hij zich (…) kennen als een loodzware humorloze Hollandse dominee». Maar het was vooral Vijftiger Simon Vinkenoog die de groep rond Den Besten stevig op de korrel nam: «Achach, het is droevig en wat heb ik medelijden met de arme mensen die dat lezen moeten of zelfs met graagte lezen», schrijft hij aan Den Besten. Bergman: «Simon Vinkenoog is absoluut geen dichtersvriend, zoveel flauwekul en onzin als hij geschreven heeft. Hij was de grote praatjesmaker van Vijftig, de beweging die ondanks de inhoudloosheid alle uitgeverijenaandacht naar zich toetrok. Dat er vandaag de dag geen bundel van mij te verkrijgen is, heeft daar toch wel mee te maken.» Cynisch genoeg liep Bergman Vinkenoog op een jubileum van uitgeverij De Beuk tegen het lijf. Bij De Beuk, een initiatief van Wim Simons, kunnen dichters tegen betaling hun bundel laten drukken. Door het tanende uitgeversenthousiasme was Bergman tot tweemaal toe - Scheppen uit een leegte (1961) en leyenburg (1985) - op de diensten van De Beuk aangewezen. «Op dat jubileumfeest kwam Vinkenoog na mijn voordracht op mij af. Hij zei: nu heb ik gehoord hoe je echt bent en het bevalt me wel. Onmogelijk kon ik daar opgetogen van raken.» In leyenburg bezingt Bergman laconiek de lulligheid zoals die zich in zijn dagelijkse woonomgeving genadeloos aan hem opdringt. Vanachter zijn schrijftafel waar hij nog dagelijks het gevecht met de taal levert, kijkt hij uit op de burgerlijke flats waartussen senioren strompelen. «ik woon in leyenburg/ haagse woestijn/ waar god geen buren heeft/ maar muren (…) soms schuift er een gordijn/ van groen naar rood/ daar heeft de firma koot/ het meubilair vervangen», klinkt het in openingsgedicht «Lokatie». «Ik zit hier in een flat met allemaal kleinburgers. Dat zijn beste, brave mensen. Maar ik kan met niemand praten over dingen die mij bezighouden. Hoewel, hierboven zit een dame. Die heeft te weinig achtergrond, maar ze is wel gevoelig. Aan mijn leyenburg is ze verknocht.» Voor wie het wil uitgeven («ik ga er niet meer voor betalen») heeft Bergman Bij leven en dood klaarliggen. Een compleet nieuwe bundel met tachtig gedichten waar hij volledig achter staat. «Ik heb alle uitgeverijen geprobeerd. Niemand wil. Ook Querido niet, waar ik toch gepubliceerd heb. Een dichter van uw reputatie kan gemakkelijk elders onderdak vinden, schreven ze. Flauwekul, onzin, schei toch uit. Ze zijn bang dat het een winkeldochter zal worden.» Hij laat enige nieuwe gedichten door zijn ordentelijke huiskamer schallen. Onverstoorbaar blijft zijn vrouw naar tennis kijken.