Boekenweek: de strijdvaardigheid van Rebecca Solnit

Wie spreekt en wie zwijgt

Rebecca Solnit ziet her en der treurige patronen, of het nu gaat over vrouwenonderdrukking of het beleid van Trump. Ze zijn zo hemeltergend dat ze strijdvaardig maken.

Niemand wordt feminist voor het plezier. Ook Rebecca Solnit niet. Ze schrijft essays en boeken over kunst en geschiedenis, over wandelen, over klimaatverandering, armoede, politiek, over urbanisme en Virginia Woolf, over de fotografie van Eadward Muybridge, over alles, kortom, dat haar scherpe geest in gang zwengelt. Toch is ze het bekendst geworden met het onmiskenbaar feministische titelessay van deze onmiskenbaar feministische bundel. Mannen leggen me altijd alles uit schopte het bij verschijnen in 2008 meteen tot internethit. Onder fans van het stuk werd het woord ‘mansplaining’ bon ton – in het Nederlands te vertalen als ‘fluitleggen’.

Small rebecca solnit  c  jude mooney
Rebecca Solniet. Feminist tegen wil en dank © Jude Mooney

Solnit begint het essay met een ogenschijnlijk hilarisch voorvalletje: op een feestje legt een oudere, pedante man haar de inhoud van haar éigen boek uit, dat hij bovendien niet eens gelezen blijkt te hebben. Ze beschrijft in een postscriptum hoe dat incident een hele reeks al lang gistende gedachten over mannen en vrouwen kanaliseerde, hoe ze dit essay wel móest schrijven. Maar anders dan veel feministische schrijfsters vandaag – Lena Dunham, Caitlin Moran – haast ze zich om de eigen navel te overstijgen. Haar eigen ervaring is niet meer dan het vertrekpunt voor een haarscherpe analyse van een maatschappelijke realiteit: vrouwen wordt vandaag nog steeds erg vaak het zwijgen opgelegd. En dat heeft verstrekkender gevolgen dan het geregeld moeten doorstaan van de litanieën van fluitleggers. Getuigenissen van slachtoffers van geweld en intimidatie worden belachelijk gemaakt, in twijfel getrokken, gesmoord. In sommige landen heeft de getuigenis van een vrouw nog steeds geen juridische waarde.

Solnit benadrukt dat zij het woord ‘mansplaining’ niet bedacht heeft, dat ze genoeg aardige mannen en betweterige vrouwen kent, dat ze vooral op grotere, structurele problemen wil wijzen. Dat doet ze steeds opnieuw: draden weven tussen voorvallen, op zoek naar een breder patroon. De belangrijkste draad in deze bundel heeft alles te maken met wie waarover mag spreken en wie moet zwijgen. Vrouwen, maar ook homo’s en mannen die niet binnen de strikte hokjes van mannelijkheid passen, worden monddood gemaakt, zegt ze. Ze beschrijft hoe vrouwen vaak wel heel letterlijk het zwijgen wordt opgelegd: door (seksueel) geweld, of, de dood. De cijfers die ze aanhaalt, hakken er stevig in. Van India tot Zuid-Amerika, van de Verenigde Staten tot IJsland: overal worden vrouwen op grote schaal verkracht, mishandeld, vermoord. Die incidenten worden al te vaak als alleenstaande gevallen behandeld. Als er op die schaal slachtoffers van zakkenrollers op de politiedienst zouden binnenwaaien, zou er al lang een maatschappelijke kwestie van gemaakt zijn. Nochtans is het geweld tegen vrouwen geen toevallige reeks van treurige maar losstaande voorvallen, maar een structureel probleem. Pas wanneer je het zo gaat benaderen, kun je onderzoeken waar het vandaan komt en naar een oplossing toe werken. En het begin van een oplossing zit ’m in het benoemen van de pijnlijke waarheid. Benoemen blijkt iets waar Solnit in uitblinkt. ‘Mannelijk zijn blijkt in meerdere onderzoeken een risicofactor te vormen voor gewelddadig crimineel gedrag’, schrijft ze bijvoorbeeld. Het probleem zijn dus niet de individuele mannen zelf, maar dat is hoe het begrip mannelijkheid nog steeds wordt ingevuld. Hoe jongens leren dat ze macht hebben over en recht hebben op vrouwen en op hun lichamen.

Solnit lijkt vermoeid door de versleten spijkers waar haar koor van internetcritici steeds op blijft hameren

Veel concrete verandering begint met benoemen, benadrukt ze keer op keer. Betty Friedan deed het in 1963 met The Feminine Mystique. Ze schreef: ‘Het probleem zonder naam – simpelweg het feit dat Amerikaanse vrouwen ervan worden weerhouden tot volle menselijke capaciteit te komen – eist een veel hogere tol van de fysieke en mentale gezondheid van ons land dan welke bekende ziekte ook.’ Dat maakte sluimerende huisvrouwen wakker, bracht de tweede feministische golf aan het rollen. Steek je de vinger diep in de zere wonde, dan peuter je een geest uit de fles, gelooft Solnit. Sinds het manifest van Friedan is het benoemen van dingen dan ook een van de speerpunten van het feminisme geweest. Zo werd de term seksuele intimidatie bedacht in de jaren zeventig en voor het eerst juridisch gebruikt in de jaren tachtig. Zo strijden feministen in de VS vandaag nog zij aan zij met homorechtenactivisten voor ‘marriage equality’. Ook dat is een vrij nieuwe term, die volgens Solnit erg belangrijk is. Ze wijst erop dat de conservatieve tegenstanders van het homohuwelijk een punt hebben: marriage equality kán de gevestigde orde wel degelijk ondergraven. Historisch gezien was het heterohuwelijk immers nooit een verbond tussen gelijken: de vrouw hevelde haar rechten en bezit over van haar vader naar haar echtgenoot. Dat is wettelijk niet meer zo, maar het idee dat de vrouw voor zich moet laten zorgen, leeft volgens Solnit nog verder in conservatieve middens.

Met haar focus op de macht van taal en haar erg uitgesproken sociaal constructivistische boodschap is Solnit aangeschoten wild voor commentatoren, die haar verwijten ‘politiek correct’ te zijn (wat dat containerbegrip ook precies moge betekenen), geen rekening te houden met de biologische werkelijkheid. Dat zijn dan nog de aardige commentaren – ze beschrijft in de bundel hoe vrouwen met een mening vandaag niet enkel in de publieke ruimte maar ook op het internet aangeschoten wild zijn, hoe ze door de niet-aflatende stroom van beledigingen en bedreigingen het zwijgen wordt opgelegd. Tijdens het lezen kreeg ik soms het gevoel dat Solnit vermoeid is door de versleten spijkers waar haar koor van internetcritici steeds op blijft hameren, vermoeid door dezelfde problemen die ze steeds maar blijft zien. ‘Liever zou ik over andere dingen schrijven, maar dit heeft overal invloed op. Het leven van de helft van de mensheid wordt door deze alomtegenwoordige vorm van geweld vergald, uitgehold en soms beëindigd’, verzucht ze, vooraleer ze zelf weer op haar eigen spijkers gaat hameren.

Solnit schrijft de laatste tijd voor The Guardian ook geregeld over wat ze in het Amerika van na Trump aantreft. Ook dat lijkt ze te doen omdat Trump nu eenmaal overal invloed op heeft. Even vraag ik me af of haar schrijven zin heeft: kan ze met haar stukken een dialoog op gang trekken, kan ze mensen van haar standpunt overtuigen? Maar misschien is dat niet wat een auteur als zij moet doen. Misschien moet een tegenstem gelijkgezinden bijscholen, moed geven en uiteindelijk mobiliseren. Wat ik van haar leer, is hoe groot mijn geluk is. Ik heb gestudeerd, de mannen in mijn leven zijn doorgaans van de aardige soort, ik ben niet het slachtoffer van geweld, ik kan trouwen met wie ik wil. Ze leert me mijn eigen positie te overstijgen om de bredere patronen te zien. Die treurige patronen, of het nu gaat over vrouwenonderdrukking of het beleid van Trump, zijn zo hemeltergend dat ze strijdvaardig maken.

Solnit blijft hoopvol, ondanks alle gitzwarte en schijnbaar onuitroeibare onrechtvaardigheden die ze ziet. Dat verwoordt ze het mooist wanneer ze niet over politiek of geweld schrijft, maar over Virginia Woolf. ‘De toekomst is donker, en dat is, denk ik, het beste wat de toekomst kan zijn’, citeert ze haar. Ze borduurt verder op die gedachte: ‘Wanhoop is een vorm van zekerheid, de zekerheid dat de toekomst weinig zal verschillen van het heden of minder goed zal zijn; wanhoop is een overtuigd geheugen van de toekomst. Optimisme is net zo overtuigd van wat er zal gebeuren. Allebei zijn het redenen om niets te ondernemen. Hoop kan het besef zijn dat we dat geheugen niet hebben en dat de werkelijkheid niet per se overeenkomt met onze plannen.’ In het donker kan alles nog gebeuren, vindt Solnit, wier pen het zwierigst is wanneer ze schrijft over literatuur. Zonde dat ze feminist is moeten worden.

Heleen Debruyne is Vlaams journaliste en schrijfster; ze debuteerde vorig jaar met de roman De plantrekkers (De Bezige Bij)