Matthijs van Boxsel

Wie verlost de domgeer?

Het tweede deel van de ‹Encyclopedie der domheid› is verschenen. Dit project van Matthijs van Boxsel is al even oeverloos als de dwaasheden van de beschreven dwaze wijzen.

Enkele jaren geleden is de Darwin-award ingesteld. De prijs wordt jaarlijks toegekend aan mensen die in een laatste, hun noodlottige daad tonen dat domheid een deugd kan zijn. Neem de drie Palestijnse terroristen die op tijd bedachten hun horloges af te stellen op de wintertijd die in Israël eerder dan elders wordt ingevoerd om het ochtendgebed aan te passen. Zij werden laureaat omdat de autobommen die ze bij zich droegen nog waren afgesteld op de zomertijd, die de Palestijnen in bezet gebied hanteren omdat zij weigeren te leven naar wat zij zionistische tijd noemen. Met als gevolg dat de bommen voortijdig afgingen en de terroristen zichzelf opbliezen. Dat is het soort domheid waar de letterkundige Matthijs van Boxsel aan verslingerd is en dat hij al twintig jaar verzamelt. Onlangs verscheen het tweede deel van zijn Encyclopedie der domheid. Hierin draait het om zogeheten morosofen, of zoals de ondertitel luidt «dwaze wijzen en wijze dwazen in Nederland en Vlaanderen». Dwaasneuzen dus, die prachtige maar belachelijke verklaringen hebben gevonden voor de grote vraagstukken van leven en wetenschap.

Zij wier absurde theorieën zulke groteske vormen aannemen dat ze een literaire kwaliteit krijgen, selecteerde Van Boxsel voor zijn overzicht. Zoals de man die de afmetingen van de piramide van Cheops terugvond in de stadsplattegrond van Den Bosch. Of de nog levende Iman Wilkens, auteur van het boek Waar eens Troje lag, waarin de auteur bewijst dat de ingang tot de onderwereld op Walcheren ligt, dat Gyrae eigenlijk Goree is en Drente eigenlijk Thracië. Of mevrouw-meester Van de Vorst, die beweert dat de verschuiving van de clitoris de eerste aanzet vormde tot het abstracte denken (Van de Vorst: «Want wat is abstractie meer dan het leggen van verbanden tussen zaken die zich buiten het soortlichaam afspelen?»). Of Johannes Ottenhoff, die ten tijde van de oliecrisis ontdekte dat autorijders hun voorouders verstoken, omdat de mondiale voorraad aardolie en aardgas het resultaat is van de dood van ruim tweehonderd miljard mensen, die ooit omkwamen bij een wereldramp. En Harry Mulisch natuurlijk, die in zijn doldwaze De compositie van de wereld een allesomvattend en lachwekkend denksysteem ontwikkelde op basis van het «oerfenomeen», het «beginsel der beginselen» dat hij ontdekte toen hij op een dag verveeld enkele pianotoetsen aansloeg. Harry verzette zich overigens heftig tegen opname door Van Boxsel.

Zowel het eerste als het tweede deel van Van Boxsels encyclopedie heeft een onverwacht groot succes. Een recensent beweerde zelfs dat er een universitaire leerstoel voor Van Boxsel dient te worden gecreëerd. De vraag is of Van Boxsel blij moet zijn met alle lof. Die loochent namelijk zijn beslissing een lemma in het boek te wijden aan zijn eigen encyclopedie. «Morosofen schrijven per definitie geen geschiedenis», schrijft hij in zijn omvangrijke inleiding. Miskenning is zelfs een van de voorwaarden om door Van Boxsel als morosoof te worden erkend: een morosoof is de enige die in zijn eigen waterdichte theorie gelooft. Toch heeft Van Boxsel zichzelf bestempeld tot dwaze wijze, een man die «hardop denkt, maar al snel de draad kwijtraakt», wiens «ideeën met hem op de loop gaan» en wiens wereld «in de regel is ingestort door een schokkende gebeurtenis».

Natuurlijk is het geestig dat de domgeer zichzelf in zijn eregalerij heeft opgenomen. Maar het is ook dwaas, en in dat opzicht is Van Boxsel inderdaad een morosoof, want de studie van domheid bijt zichzelf in de staart: domheid op een slimme (lees: serieuze) manier bestuderen is natuurlijk de domheid ten top. De opname van hemzelf toont helder de oeverloosheid van het project, en zelfs de denkfout die eraan ten grondslag ligt. Want de centrale stelling van het project luidt — en Van Boxsel wordt niet moe het bij voortduring te herhalen: domheid ligt aan de basis van de gehele beschaving en samenleving. Wijsheid is slechts een «onbedoeld neveneffect van onze handelingen»: slechts door schade en schande wordt men wijs. Ofwel: alles is dwaasheid. Daaruit volgt dat als dwaasheid je onderwerp is, alles dat is.

Dat domheid de eerste beweger zou zijn, is al ontelbare keren beweerd over andere alomvattende ijdelheid of eigenbelang. De stelling dat alles voortkomt uit eigenbelang is zelfs de grondgedachte van een salonfähige hedendaagse stroming van wetenschap. Hierbij staat de self-utility maximising man centraal, een mens die niet alleen uit eigenbelang drinkt, rookt en wekelijks de auto wast, maar uit hetzelfde motief ook geld schenkt aan Novib en Hartstichting. «Alles is eigenbelang» is net als «God zit in alles» een niet te falsificeren uitspraak. Het uitgangspunt is zo abstract dat het verschijnselen van denken en doen niet meer van elkaar (onder)scheidt. Dergelijke verklaringen schieten de werkelijkheid voorbij. Ieder kind voelt op zijn klompen aan dat de drijfveren achter het jezelf vrijwillig subject maken van dwergwerpen een andere keuze is dan het je vrijwillig aanmelden als klaar-over. Zo is het ook met de domheid. Als alles domheid is, is niets meer slim, en dus ook niet meer dom. Domheid is per definitie normatief. Het is een «afspraak», zo men wil. Hoe prachtig de voorbeelden in de encyclopedie ook zijn, de grondgedachte van Van Boxsels project is een platitude van de hoogste soort die het onderwerp oprekt tot alles, en dus niets.

Het is opvallend dat niemand nog heeft gewezen op de valkuil van de dwaasheidsgeleerde. Terwijl Van Boxsel zelf wel degelijk hints geeft. In interviews lijkt hij te vragen als typische morosoof te worden afgedaan, als iemand die de grip heeft verloren op de werkelijkheid, zoals die door anderen wordt gezien. Hij vertelt over zijn leven als gedicteerd door zijn dwaasheidsverdwazing. Zijn onderwerp houdt hem permanent in de greep, in plaats van andersom. Hij verzuchtte zelfs tegen een interviewer, wijzend op zijn boekencollectie en gigantische verzameling dwaze citaten: «Het moet weg. Het moet de deur uit. Ik moet verder.»

Zijn zelfanalyse luidt in dit tweede deel: «Morosofen verliezen de controle over hun lichaam, kramen onzin uit of nemen hun toevlucht tot gescheld en gevloek. Dat gaat gepaard met hevige angsten.» En, zo schrijft hij: «Als iemand vraagt of er vis zit in de gracht, denkt de morosoof dat ze hem voor een makreel aanzien. De letters in de krant vormen onduidelijke rebussen.» Vast heel treffend, maar niet geestig: het zijn de gangbare symptomen van zwaar psychotische patiënten. Laten we hopen voor morosoof Van Boxsel dat ze bij hem nog niet zijn waar ten nemen, maar misschien is het te laat. En door zijn ernst en pretentie, twintig jaar volgehouden, wordt Van Boxsel geen recht gedaan als zijn gehele project wordt opgevat als een grap. Maar als je Van Boxsels beweringen wel serieus neemt, blijft er niet meer over dan de niet te falsificeren opvatting dat alles domheid is.

Zo'n hardvochtig oordeel durfde vooralsnog niemand te vellen. Waarschijnlijk omdat het verwijt van humorloosheid dreigt. Dus neemt de recensent het zekere voor het onzekere en prijst Van Boxsel de hemel in. Van Boxsel kun je dat niet verwijten. Hij wacht vergeefs op iemand die hem de waarheid vertelt, die hem desnoods met het hoofd in de destilleerketel douwt. Daarna is duidelijk of Van Boxsel zichzelf terecht heeft opgenomen als morosoof onder morosofen. Zal hij de aanval weten te pareren met de drogredenen die volgens hem zo typisch zijn voor de morosoof, of zal hij zijn belofte aan de interviewer gestand doen en zijn volledige verzameling doldwaze gekkigheden het huis uit donderen om verder te gaan met een gangbaar leven — een onmogelijkheid voor de echte morosoof?

Matthijs van Boxsel, Morosofie: Dwaze wijzen en wijze dwazen in Nederland en Vlaanderen

Uitg. Querido, 260 blz., ƒ74,90