Helmut Walser Smith, Het verhaal van de slager

Wie vermoordde het christenkind van Konitz?

Helmut Walser Smith

Het verhaal van de slager: Moord en antisemitisme in Duitsland, 1900

Uitg. Ambo, 288, blz., € 22,90

Op 11 maart 1900 wordt er een moord gepleegd in het Pruisische stadje Konitz. Enkele dagen later wordt de romp van het lichaam gevonden aan de oevers van het meer. Het slachtoffer is een achttienjarige gymnasiast van protestantse afkomst. In de weken die volgen komen steeds meer delen van het lijk boven water, professioneel in stukken gesneden en van bloed ontdaan.

Wie heeft deze moord gepleegd, en waarom?

Het is bijna Pasen — traditioneel een periode met een verhoogde kans op uitbarstingen van antisemitisme — en al snel gonst het in Konitz van de geruchten: de joden hebben een rituele moord gepleegd. Ze hebben het bloed van een christen afgetapt en het lijk in stukken gesneden. Het is de joodse slager!

Uit de wijde omtrek komen allerhande fantasten, premiejagers en antisemitische journalisten naar het provinciestadje en storten zich op het gerucht. Een onontwarbare kluwen van verhalen komt op gang, steeds met die ene gemene deler: een rituele moord.

Enkele ambtenaren houden het hoofd koel en arresteren niet de joodse maar de christelijke slager, de enige bij wie men een mogelijk motief kan vinden. Maar dit is olie op het vuur. Konitz raakt aan de kook.

De christelijke slager ontkent, wordt vrijgelaten, en laat in een antisemitische krant optekenen waarom het toch echt de joodse slager van de stad moet zijn. Een paar jaar later is de moord nog steeds niet opgelost. Een groot deel van de joodse bevolking is het stadje inmiddels ontvlucht.

De verklaringen van de inwoners van Konitz zijn leugenachtig, maar niet verzonnen. Vanuit het kleinst denkbare detail, één enkele moordzaak in een slaperig provinciestadje, maakt Helmut Walser Smith, die de gebeurtenis in Konitz beschrijft in zijn boek Het verhaal van de slager: Moord en antisemitisme in Duitsland, 1900, een sprong terug in de tijd. Hij presenteert uitbarstingen van antisemitisch geweld die vanaf de Middeleeuwen plaatsvonden in grote delen van Europa. Telkens blijken het variaties te zijn op het verhaal van de rituele moord: rond Pasen vermoorden de joden een christen, en tappen zijn bloed af om er matzes mee te bakken. De geruchten die in het vroege voorjaar van 1900 in Konitz op gang kwamen, appelleerden aan dit ene verhaal dat, in sluimerende toestand, nog bij iedereen bekend was.

De kracht van Het verhaal van de slager is dat het zich niet beperkt tot die ene gebeurtenis in Konitz, terwijl het zich ook niet verliest in generalisaties die gemakkelijk het zicht hadden kunnen ontnemen op wat er dáár en toen gebeurde. De auteur probeert het verschijnsel daadwerkelijk te begrijpen, en komt daarbij tot enkele mooie observaties. Door mensen uit hun eigen gemeenschap buiten te sluiten, versterken de aanklagers de eenheid binnen de rest van de samenleving. Zo bezien voeren juist degenen die beschuldigingen van rituele moord uiten, voortdurend zelf een ritueel op.

Aan het slot kijkt de auteur nog eens met een kritische blik naar het moorddossier. De uitgever prijst het boek dan ook aan als «een detectiveverhaal, waarin het tot het einde spannend blijft wat de ware toedracht is van de moord». Maar daarmee wordt het boek geen recht gedaan. Nu eens ontleedt Smith het verleden onder een microscoop, dan weer kijkt hij door een telescoop naar een eeuwenoude geschiedenis. Haarscherp laat hij zien hoe die twee niveaus op elkaar inwerken.

In het nuchtere en tolerante Nederland was het overigens niet anders. Bij toeval stuitte ik op het boekje De jood: Een waarschuwend woord aan den Christen uit 1891. Dit boekje, uitgegeven in Roermond, opent met een voorwoord waarin de auteur geruststellend opmerkt geen antisemitische bedoelingen te hebben, om vervolgens een eindeloze reeks geruchten op te dissen die een eeuwenlange joodse machtswellust zou moeten staven. En warempel, naar aanleiding van een moordzaak in het Duitse Xanten komt ook het fenomeen van de rituele moord ter sprake.

Net als in Konitz enkele jaren later, was er in Xanten een lijk gevonden van een kind van christelijke afkomst. Het bloed zou uit het lijk zijn afgetapt door een in het slachten geoefende hand, en het lijk was gevonden bij het huis van een joodse slager. De auteur concludeert: «De ondervinding leert dan ook (…) dat de joden christenkinderen volgens den ritus, dat is, volgens hun Talmud, vermoorden. De schatmeester der synagoge weet het wel! Hij bewaart het christenbloed.»

Over de voedingsbodem voor het gedachtegoed zoals verwoord in dit rabiaat antisemitische boekje zijn we minder goed geïnformeerd, maar het feit dat het alleen al in zijn verschijningsjaar ten minste zes keer werd herdrukt, doet het ergste vermoeden.