Opheffer

Wie vervreemdt van wie?

Nationalisme vonden wij vroeger – inderdaad, jaren zeventig – een exponent van het nazisme.

Je «Nederlander voelen» of «Nederlander zijn» en daarover spreken had iets onbeschaafds. Alle wereldburgers waren ons immers even lief. «Wat ben jij een chauvinist» was een vorm van schelden.

Uit bijna elk integratieonderzoek blijkt dat alloch tonen zich maar moeizaam thuis voelen in Nederland. Ze leven in een «isolement». Ze hebben weinig contact met de oorspronkelijke bewoners, want die blijven xenofobisch, en menige socioloog verklaart de problemen die wij met sommige groepen hebben uit het feit dat alloch tonen zich hier constant vreemden blijven voelen, terwijl ze zich in het oorspronkelijke moederland opeens Nederlander weten en ook als zodanig worden gezien.

Men heeft vaak een dubbel paspoort maar geen dubbele persoonlijkheid, en die opgelegde schizofrenie veroorzaakt aan alle kanten onzekerheid: waar moet je voor kiezen? Wat ben je? Wat is je identiteit?

Je zult maar Marokkaan zijn, weinig opleiding hebben, geen kans hebben op de arbeidsmarkt en hier in Nederland geboren zijn.

Aan de andere kant van onze rijke, witte samenleving zie je een enorme behoefte aan nationalisme. We willen geen EU-wet omdat we bang zijn dat Nederland dan verdwijnt. We vieren feest als Hare Majesteit al 25 jaar linten blijkt door te knippen. En als er een tsunami is geweest, trekken wij meer dan enig ander land onze buidel. Is er een zinloos-geweld-moord geweest, dan komen wij meteen aanzetten met onze kaarsen en knuffels. Stille en luide tochten zijn plaatsvervangende religieuze en nationalistische rituelen geworden.

Nog nooit is de behoefte om ons als «natie» te presenteren zo groot geweest als nu. Maar nog nooit waren we zo gespleten.

Een mooi voorbeeld hiervan is het wereldkampioenschap voetbal voor onder de twintig jaar. Dat werd opeens, vanwege de successen van Oranje, een enorme hype. En bij een hype horen beroemde Nederlanders. Dus wie kwam er «meetrainen» met Oranje? Ali B. De rapper, de troetel-Marokkaan in tijden van nood, goedgekeurd door links en rechts Nederland omdat hij de taal van de allochtone jeugd spreekt en ook nog eens belangeloos goede daden verricht. Paul Rosenmöller kan hem wel opvreten, dus Ali is helemaal in orde.

Dat Ali meetrainde met het Nederlands elftal had iets moois door de logica. Meer dan de helft van de spelers was van allochtone afkomst. Blank en bruin waren er verenigd in standvastige eendracht. Maar nadat Ali B. had meegetraind met het Nederlands elftal zagen we hem op de tribune om… het Marokkaanse elftal aan te moedigen.

Daar is niks mis mee natuurlijk. Maar het schetst precies de problematiek die we dagelijks meemaken: geen echte Nederlander, geen echte Marokkaan. En dan train je mee met de één en moedig je de ander aan. We doen mee met de Oranjekoorts, we zijn nationalist – maar ook weer helemaal niet.

Ik denk er tegenwoordig vaak over na of ik me wel Nederlander voel. Eigenlijk voel ik me «heel erg» Nederlander, maar juist omdat de ander dat niet voelt. Ik geniet van concerten in het Concertgebouw, maar ik zie daar nooit de ouders van Ali B. of Ali B. zelf. Ik geniet van het toneel in de Stadsschouwburg, maar ook daar zie ik nooit een allochtoon. Ik geniet van mijn boekhandel, van mijn grachtengordel, van mijn opinieweekbladen en mijn antiquariaten, van mijn misschien wat dure restaurants en mijn musea – ik zie er nooit een allochtoon. Die zie ik in bepaalde bioscopen – nooit in het filmhuis – en op de sportschool, en dat is het dan.

Waar heb ik mijn cultuur voor? Misschien om te delen. Maar hoe kan ik delen als de ander mijn cultuur niet kent? Hebben «ze» dan misschien een andere cultuur? Kan best, maar waarom krijg ik die niet aangeboden? Ik krijg die cultuur niet via Al-Jazeera. Niet via onze eigen omroep. Ik krijg die cultuur niet mee van de allochtonen zelf. Ik zie die cultuur paradoxaal genoeg slechts mondjesmaat in allochtone restaurants. De Marokkanen zijn in Amsterdam de grootste groep, maar hoeveel Marokkaanse restaurants heb je? Hoeveel Marokkaanse Joop Braak- hekkes zijn er?

Er is een zekere hausse van literatuur over de islam. Die hausse heeft een eigenaardig tintje. Het zijn veelal boeken over vrouwen die onderdrukt werden door hun moslimman, boeken over Al-Qaeda, over de allochtonen in het algemeen, over de buurt van Mohammed B., de problemen met de Marokkaanse jongeren. De islamitische Shakespeare wordt mij onthouden. Of is die er niet? De islamitische Remco Campert zie ik ook niet, of is die er niet? Ik ken wat vertalingen van Hafid Bouazza. Tja, ik vond ze helaas niet zo goed.

Vriend G. vertelde me dat de jongens hier in Oud-Zuid niet meer naar voetballen gaan, maar dat hun ouders ze naar hockey sturen omdat daar blanken zijn, die minder ruzie maken. Ga maar kijken op het tennisveld, op het hockeyveld: geen allochtoon te zien. Ze zijn in de meerderheid, maar ze zijn onzichtbaar. Ze houden zich verborgen. Ze mogen niet, kunnen niet, of willen niet.

Het is precies die constatering waardoor ik me een handelaar in angst voel, want die constatering maakt mijzelf bang.

Ik wil Nederlander zijn, al heb ik geen idee wat dat is. Ik wil houden van mijn stad, houden van mijn land, houden van Europa, houden van de wereld – in die volgorde.

Ik wil een mooi verhaal maken voor iedereen, maar ik maak een klein verhaal voor een beperkt aantal mensen. Met name voor die groep die mijn verhalen niet nodig heeft. Wie maakt wie eenzaam? Wie vervreemdt van wie?