DE NEDERLANDSE EENHEDEN IN AFGHANISTAN

Wie voert het commando?

De Nederlandse staat draagt geen juridische verantwoordelijkheid voor Isaf-troepen. Ook de Geneefse Conventies en ander humanitair recht zijn niet van toepassing op militairen die Nederland onder Navo- of VN-bevel uitstuurt.

IN HET PROCES tegen de staat dat nabestaanden van Srebrenica-slachtoffers op 10 september voerden luidde het vonnis dat Nederland niet aansprakelijk was voor het handelen van Dutchbat omdat dit bataljon onder bevel stond van de VN. Wat betekent dat voor de Nederlandse Isaf-eenheden in Afghanistan? Momenteel bevinden zich ongeveer 1650 Nederlandse troepen in dat land, waarvan het grootste deel in de provincie Uruzgan. Zij staan onder bevel van de Navo en vallen onder een VN-mandaat.
Liesbeth Zegveld, advocaat in de Srebrenica-zaak en tevens hoogleraar internationaal recht in Leiden: ‘Zolang je als militaire leiding of als land niet nadrukkelijk tegen het mandaat ingaat, ligt de verantwoordelijkheid bij de organisatie waaronder de troepen vallen. Dat kunnen de VN zijn, maar ook de Navo. Met deze uitspraak kan de staat dus ook de verantwoordelijkheid voor Nederlandse Isaf-troepen afschuiven.’
Willem van Genugten, hoogleraar internationaal recht aan de Universiteit van Tilburg: ‘Wij hebben onze militairen in Afghanistan tijdelijk afgestaan aan de Navo. Ze zijn niet meer van ons.’ De Conventies van Genève, het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en andere internationale verdragen die het oorlogsrecht en de mensenrechten verankeren, worden onderschreven door staten, niet door statenorganisaties als de VN, de Europese Unie en de Navo. Als die organisaties het bevel voeren, zijn de troepen dus niet aan de verdragen gebonden. Daar komt bij dat de Navo en de VN niet internationaalrechtelijk aangeklaagd kunnen worden. Dat kan alleen met lidstaten (bij het Internationaal Gerechtshof) of individuele militairen (Internationaal Strafhof).
Volgens Van Genugten is enige relativering op zijn plaats: ‘Een Nederlandse generaal voert op gezette tijden het roulerende commando over de Isaf-troepen in Zuid-Afghanistan. In de discussie hierover zie je dat Nederland zich in dat geval niet wil verschuilen achter het Navo-commando, maar meent dat het zijn verantwoordelijkheid moet nemen. Soms gebeurt dat ook via het nationale strafrecht. Het internationaal recht is belangrijk voor Nederland, dan moet je soms ook de negatieve consequenties aanvaarden.’
Tijdens het recente Srebrenica-proces aanvaardde de staat die negatieve consequenties echter niet. Liesbeth Zegveld wijst op een uitvloeisel van het vonnis van 10 september. Haar cliënten deden een beroep op het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), waarin onder meer het recht op leven en op fysieke integriteit is vastgelegd. Door de tekortschietende bescherming door Dutchbat zou de staat die rechten geschonden hebben. De rechtbank verwees die stelling naar de prullenmand, wederom met het argument dat niet de staat het commando over de troepen voerde maar de VN. Zegveld: ‘Als het EVRM niet van toepassing is op militairen die Nederland uitstuurt, dan geldt dat ook voor de Geneefse Conventies en het humanitair oorlogsrecht. Binnen de Nederlandse rechtsstaat mag een heleboel niet, maar daarbuiten neemt Nederland geen verantwoordelijkheid voor zijn eigen troepen. Ik vind dit heel ernstig.’
De afgeketste Srebrenica-zaak was een civielrechtelijk proces. Het strafrecht is wel op Nederlandse vredestroepen van toepassing, maar dat richt zich op individuele militairen, niet op de staat of de statenorganisatie. ‘Juist bij oorlogshandelingen is óók het collectief vaak bepalend’, meent Zegveld.
Staten zijn verplicht schendingen van het humanitair oorlogsrecht door eigen militairen strafrechtelijk te vervolgen. Onlangs onderzocht het openbaar ministerie in Arnhem het gebruik van geweld door Nederlandse Isaf-troepen in Uruzgan. In juni vorig jaar vielen Taliban-strijders het district Chora aan. Tijdens de gevechten werden volgens de VN en de Onafhankelijke Afghaanse Mensenrechtencommissie AIHRC tussen de vijftig en zeventig burgers gedood, waarvan driekwart door Nederlands vuur. Tweeënhalve maand geleden concludeerde het OM ‘dat het geweld was aangewend binnen de grenzen van het humanitair oorlogsrecht en de voor de Nederlandse Isaf-militairen geldende geweldsinstructie’.
Aan het vervolgen van militairen in hun land van herkomst kunnen bezwaren kleven. Rond de zaak Erik O., de marinier die door het OM werd vervolgd voor het doden van een Iraakse burger, ontstond commotie, zowel binnen de krijgsmacht als in de samenleving.
Bovendien is het college van procureurs-generaal dat het bestuur van het OM uitmaakt niet ongevoelig voor beïnvloeding. De minister van Justitie mag de pg’s een ‘aanwijzing’ geven om wel of juist niet tot vervolging over te gaan. Dat gebeurt zelden, maar dat betekent niet dat de minister zijn invloed niet doet gelden. Regelmatig vindt namelijk overleg plaats tussen de minister van Justitie en het college van pg’s dat verplicht is de minister op de hoogte te houden van politiek gevoelige zaken. ‘Er wordt zo veel overlegd dat het formele instrument van de aanwijzing natuurlijk nauwelijks nodig is. Men wordt het zo ook wel eens’, zei de jurist Paul van der Lee daarover in Observant, de Maastrichtse universiteitskrant. In 2003 promoveerde hij op een onderzoek naar de verhoudingen tussen het OM en de minister van Justitie in Frankrijk, Italië en Nederland. Nederland kwam wat betreft de mogelijkheid tot politieke beïnvloeding slecht uit de vergelijking. ‘Of er sprake is van misbruik, daar kom je niet achter. Je ziet het niet. Je hoort het niet, maar je kunt je wel vragen stellen’, aldus Van der Lee destijds.