Crisis in de politiek

Wie wantrouwt wat en waarom?

‘Politici gaan op voetbaltrainers lijken’
Het is mode om te praten over de vertrouwenscrisis in de politiek. De Utrechtse hoogleraar Mark Bovens onderzocht met de Leidse universitair onderzoeker Anchrit Wille of zoiets bestaat.

HET ZIJN niet de eersten de besten die vinden dat Nederland een wantrouwend land aan het worden is. PVDA-minister van Binnenlandse Zaken Guusje ter Horst maakt zich er zorgen over en de directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), Paul Schnabel, heeft eens gezegd dat wantrouwen het ordenend principe in de Nederlandse samenleving aan het worden is. Hoogleraar bestuurskunde Mark Bovens vindt dat daarmee te gemakkelijk wordt meegegaan met de waan van de dag.
‘Als je kijkt naar het vertrouwen tussen mensen onderling, dan staat Nederland samen met de Scandinavische landen in de top vijf. Onder aan die lijst bungelen landen als Oekraïne en Bulgarije. Daarnaast heb je het vertrouwen in politieke instituties, zoals kabinet, parlement of politieke partij. Dat vertrouwen is in 2002 wel fors gedaald, wat toen enorm veel aandacht kreeg. Maar vanaf 2006 is het ook weer opgeklommen en nu is het terug op het niveau van midden jaren negentig. Daar hoor je echter veel minder over.’
Mark Bovens en medeonderzoeker Anchrit Wille gebruiken voor hun analyses niet de momentopnames van een Politieke Barometer of Peiling van Maurice de Hond of hun wekelijkse metingen van het stemgedrag, maar gegevens van langjarige metingen en doorlopende opinieonderzoeken naar vertrouwen, zoals die van de Eurobarometer. Daaruit blijkt volgens Bovens dat het beeld dat de Nederlandse politiek in een permanente vertrouwenscrisis zou verkeren dus niet klopt.
‘Je ziet wel de dip aan het begin van deze eeuw. Het meest voor de hand liggend is dan om te denken dat dit de invloed is geweest van Pim Fortuyn. Maar het ingewikkelde is dat je toen in alle Europese landen een forse daling van vertrouwen zag en daar had je geen Fortuyn. Wel ging die daling hier sneller en was deze dieper. Dat heeft weer wel te maken met Fortuyn, met de moord, de onrust en het instabiele en rampzalige kabinet-Balkenende I. Drie weken na de val van dat kabinet waren er metingen. Toen kon je moeilijk positief zijn. Conflicten en negatieve campagnes leiden altijd tot een daling van het vertrouwen.’

OMDAT NIET alleen in Nederland het vertrouwen in politieke instituties daalde, moest er dus iets anders aan de hand zijn. Volgens Bovens en Wille had het te maken met de toenmalige economische recessie, het gevolg van het uiteenspatten van de internetbubble: ‘Kort daarvoor was het vertrouwen in Nederland zeer hoog. Het vertoonde cijfers die je alleen ziet in Noord-Korea en Cuba. Dat hing volgens ons samen met de grote economische groei en het grote draagvlak voor het toenmalige paarse kabinet, waarin zowel links als rechts vertegenwoordigd was.’
Inmiddels is het precies een jaar geleden dat na de val van de Amerikaanse bank Lehman Brothers de kredietcrisis uitbrak. Bovendien zit er nu een kabinet dat een veel minder brede basis in de samenleving heeft dan Paars in de jaren negentig. Dus zou je verwachten dat ook nu de vertrouwenscijfers weer dalen. Maar dat valt vooralsnog mee.
‘Uit het laatste onderzoek van het SCP, van juli, blijkt het vertrouwen met 0,1 procentpunt te zijn gedaald, maar feitelijk is het vertrouwen nu hoger dan vlak voordat de crisis uitbrak. Je zag zelfs een piek in het najaar van 2008, kort nadat het kabinet de banken had gered. Dat heeft te maken met het zogenoemde rally around the flag-effect, burgers die beschutting zoeken bij de overheid. Zo’n effect ebt na verloop van tijd ook altijd weer weg. Wij verwachten dan ook dat na Prinsjesdag, als er meer zicht komt op de bezuinigingen, het vertrouwen zal dalen. Mensen hebben de crisis tot nu toe nog niet gevoeld, de koopkracht is het afgelopen jaar zelfs nog gestegen en de werkloosheid is nog niet zo hoog opgelopen.’
Dat ondanks de gunstige vertrouwenscijfers toch hardnekkig gesproken blijft worden over een vertrouwenscrisis heeft volgens Bovens een paar oorzaken. De eerste is dat er in de medialogica wél een markt is voor slecht nieuws, maar niet voor goed nieuws: ‘Daarnaast komt het politici soms goed uit om over een dergelijke crisis te blijven praten. Voor de oppositie, maar ook voor regeringspartijen. Kijk naar D66 toen ze nog in het kabinet zat; die probeerde het te gebruiken voor haar plannen voor een andere overheid. De vertrouwenscrisis is een topos geworden in het politieke debat. Het wordt gebruikt als retorische stoplap, maar is losgezongen van de feitelijke gegevens. De mythe blijft bestaan, omdat spelers daar belang bij hebben.’
Daarnaast denkt Bovens dat vertrouwenscijfers en opiniepeilingen belangrijker zijn geworden ‘omdat partijen te smal zijn geworden en te weinig wortels hebben in de samenleving. Politici kunnen er daardoor niet meer op vertrouwen dat ze vertolken wat er in de samenleving leeft. Het wegvallen van natuurlijke achterbannen en het zwermgedrag van de kiezer heeft ze daarnaast ook nog eens nerveus gemaakt. Je kunt zomaar ineens met een gehalveerde fractie zitten. Dat samen maakt dat vertrouwenscijfers politiek relevanter zijn geworden.’

ONLANGS waarschuwden Bovens en Wille voor de diplomademocratie, een democratie waarin hoogopgeleide burgers veel politieke invloed hebben en lageropgeleiden van die invloed meer en meer verstoken raken. Niet alleen omdat ze geen raadslid of Kamerlid zijn en niet in het kabinet zitten, maar ook omdat organisaties als Greenpeace of de Vereniging Eigen Huis worden bemand door hogeropgeleiden. ‘Een diplomademocratie verliest aan stabiliteit als delen van de bevolking zich niet gerepresenteerd weten’, denkt Bovens.
De vraag is dus of het huidige vertrouwenscijfer misschien te danken is aan de hogeropgeleiden, terwijl het vertrouwen van de lageropgeleiden wel is gezakt. ‘We zien al een aantal jaren dat het vertrouwen van lageropgeleiden systematisch lager ligt dan dat van hogeropgeleiden. Daarom is er ook geen sprake van een kloof tussen de burger en de politiek. Als er al een kloof zou zijn, dan is dat tussen lageropgeleiden en de politiek. Maar er zijn geen cijfers die laten zien dat het vertrouwen van de lageropgeleiden verder is gedaald; de twee curves, die van de hogeropgeleiden en de lageropgeleiden, zijn niet verder uit elkaar gaan lopen.
Wat je wel ziet is dat de opkomst van de populistische partijen langs die lijnen loopt. Bij de Europese verkiezingen was 75 procent van de Wilders-stemmers laag of middelbaar opgeleid. Er zaten nauwelijks academici tussen de PVV-stemmers. Eigenlijk zie je nu wel een mooie tegenstelling. Enerzijds heb je Geert Wilders met zijn PVV: die is anti-islam, anti-migratie en anti-Europa en trekt lageropgeleiden. Anderzijds heb je Femke Halsema van GroenLinks en Alexander Pechtold van D66: die zijn kosmopolitisch, pro-Europa en hebben kiezers die zeer hoog zijn opgeleid.’
Volgens Bovens was die tweedeling er eigenlijk al veel langer: ‘Maar twintig jaar geleden was er nog geen partij die de markt op ging met de issues van de lageropgeleiden en het daarbij horende kiezerspotentieel van zo’n 25 tot dertig Kamerzetels aanboorde. Fortuyn was de eerste die dat echt deed. Eigenlijk betekende dat de normalisering van Nederland, want in landen als België en Oostenrijk had je dat soort partijen al veel langer.
Het zijn nu vooral de middenpartijen als PVDA en VVD die uiteengetrokken worden. Een hoogopgeleide PVDA’er voelt zich inmiddels misschien meer thuis bij Halsema of Pechtold, maar als de PVDA die richting op zou gaan, verliest ze stemmen aan de PVV, want die is dan veel aantrekkelijker voor de traditionele achterban van de PVDA. De AOW-kwestie is daarvan een mooi voorbeeld. De belangen van de hoogopgeleide en de laagopgeleide lopen op dit punt uiteen. Een hoogopgeleide wil best doorwerken tot na zijn 65ste, maar een lageropgeleide niet.
Zo is het ook op andere punten. Voor een laagopgeleide burger is Europa een bedreiging vanwege goedkope arbeidskrachten die hem uit de markt prijzen, voor een hoogopgeleide vergroot Europa juist de banenmarkt. Voor een laagopgeleide burger betekent migratie dat zijn directe leefomgeving verandert, voor een hoogopgeleide niet. Als je naar die verschillen tussen hogeropgeleiden en lageropgeleiden kijkt, snap je de opkomst van populistische partijen veel beter.’

HOE ZIT HET met de SP in dit krachtenveld? ‘Ik denk dat de SP veel minder aantrekkelijk aan het worden is voor lageropgeleiden. Jan Marijnissen had nog een arbeideristische uitstraling, maar de gepromoveerde Agnes Kant is hoger opgeleid dan Halsema en Pechtold. De discrepantie tussen profiel en politieke agenda wordt te groot.’
Kort voor de zomer klaagde minister Ter Horst niet alleen over het wantrouwen van de burger richting kabinet, maar over het algeheel toegenomen wantrouwen richting gezagsdragers. Volgens haar is het mode af te geven op de overheid en het kabinet.
Bovens heeft daarop als eerste reactie dat het vertrouwen in de democratie de afgelopen dertig jaar juist is gestegen; populisme en zwermgedrag van de kiezer zeggen niks over vertrouwen in de politieke instituties als zodanig. Vervolgens denkt hij dat het afgeven op politici een gevolg is van de emancipatie van de burger: ‘Een gekozen politicus moet tegenwoordig zijn mandaat telkens opnieuw verdienen. Dat is een gevolg van de ontzuiling en de ontvoogding. Dat spoort weer met het toegenomen vertrouwen in de democratie: de stem van de kiezer doet er toe. Maar omdat het niet meer vanzelfsprekend is op een bepaalde partij te stemmen, is het werk van een politicus wel onzekerder én ondankbaarder geworden. Ook al heb je nog zo je best gedaan, je kunt ineens bij het grofvuil worden gezet. Politici gaan op voetbaltrainers lijken: als het even misgaat, moeten ze meteen weg.
Wat ook meespeelt is dat in een geseculariseerde samenleving iemand de schuld moet krijgen als er iets misgaat. Vroeger was dat de duivel of een heks, nu is dat de overheid. Veel van de rampen van de laatste jaren, denk aan Volendam en Enschede, zijn veroorzaakt door private partijen, maar alle ogen richtten zich op de overheid. Dan kun je wel zeggen: “We doen het zo goed, we werken zo hard”, maar dat helpt niet.’
Daarnaast heb je dan nog het wantrouwen richting gezagsdragers, dat zich onder meer uit in agressie tegen de politie. Bovens vindt dat je die niet op een hoop moet gooien met het wantrouwen tegenover het kabinet: ‘Bovendien denk ik dat die zogenoemde dikke ik zich niet alleen manifesteert tegenover politie en ambulancebroeders, maar ook in restaurants of in de Efteling. Die hufterigheid heeft vaak te maken met drank- en drugsgebruik. Daarnaast denk ik dat het het effect is van al die nadruk die is gelegd op assertiviteit. Jarenlang is ons aan het verstand gebracht dat we niet genoeg op onze rechten staan. Dan krijg je vanzelf de koning burger, zoals voormalig GroenLinks-senator Jos van der Lans dat eens heeft genoemd. Het is doorgeschoten assertiviteit.’