Che Guevara in Cuba, 1964 © Elliott Erwitt / Magnum / ANP

Het is natuurlijk vooral die ene foto die Che Guevara onsterfelijk heeft gemaakt. Guerrillero Heroico: meer dan de mens zelf is het beeld een icoon geworden, in de religieuze zin van het woord. Die foto is een heiligenafbeelding, een bidprentje, symbool voor vrijheid en de strijd tegen onderdrukking. En inmiddels ook symbool voor coöptatie, want er zijn weinig producten waarvoor de afbeelding níet is gebruikt. Van T-shirts tot wodka tot babysokjes: in het diepst van zijn gedachten kan iedereen zich een beetje rebel voelen als hij ’s ochtends een Nespresso uit zijn Che-mok drinkt (mij krijgen ze niet klein!). De bekendste strijder tegen kapitalisme heeft zo miljoenen opgebracht voor het bedrijfsleven, want dat is hoe kapitalisme werkt: zelfs wie niet te koop is, wordt uiteindelijk verkocht.

Het komt door zijn blik. De onverzettelijkheid ervan, alsmede het verdriet dat uit zijn ogen spreekt. Hij lijkt over onze hoofden heen naar de verte te staren, weg van dit aardse lijden, een betere toekomst in. Klaar voor de strijd, ¡Hasta la victoria siempre! (Altijd op weg naar de overwinning!), bereid om zijn leven ervoor te geven.

Of je als guerrilla overleeft of niet, schreef Fidel Castro later in het voorwoord van Che’s Boliviaanse dagboeken, ‘hangt bijna helemaal af van het toeval en van onvoorziene omstandigheden in een oorlog’. Je moet geluk hebben, en hetzelfde geldt wellicht voor een symbolische overleving. Als op 4 maart 1960 niet tientallen mensen om het leven waren gekomen bij een explosie op een Frans wapenschip in de haven van Havana zou er de volgende dag ook geen herdenkingsdienst zijn georganiseerd. Nu daarentegen waren Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir bij die dienst aanwezig en hield Fidel Castro een toespraak. Voor Che was verder geen rol van betekenis weggelegd: op het podium stapte hij alleen even een paar seconden naar voren om de menigte te overzien.

De voormalige modefotograaf Alberto Korda wist meteen dat hij iets bijzonders te pakken had, verklaarde hij later. Hij maakte twee foto’s van het moment. Toch duurde het nog jaren voordat een daarvan, een beetje bijgesneden, aan zijn opmars begon. Dat gebeurde pas in 1967, voornamelijk omdat de foto in oktober van dat jaar de flat-vullende achtergrond vormde bij Che’s eigen herdenkingsdienst. Nauwelijks een half jaar later, toen in mei ’68 wereldwijd studentenopstanden losbraken, was er geen protest of demonstratie meer te vinden zonder dat Guerrillero Heroico daarin werd meegedragen.

Maar wie was de man achter het beeld? Ten tijde van de foto was Che Guevara 31 jaar oud en officieel geen guerrilla meer, maar een overheidsfunctionaris. Minister van Industrie én president van de Centrale Bank én de hoogste openbaar aanklager ineen. Op 1 januari 1959 was de revolutie immers gewonnen, het land moest opnieuw worden opgebouwd, volgens de richtlijnen van de communistische leer. En dat viel bepaald niet mee, getuige het brievenboek Met gloedvolle revolutionaire groet dat onlangs verscheen.

Uit de brieven die Che in deze periode schreef, spreekt vooral een verbeten man. Hij is gefrustreerd over bureaucratische rompslomp, ondoordachte economische planning en ideologische luiheid. Hij klaagt over nieuw gebouwde conservenfabrieken die niet functioneren. Over onverantwoorde investeringen in oude Poolse radio’s. Over de aanschaf van bussen terwijl de oude bussen met adequaat onderhoud nog prima zouden voldoen.

Hij schrijft journalisten aan die volgens hem overdrijven (‘Het eerste wat een revolutionair moet doen als hij geschiedenis schrijft, is zich aan de waarheid houden, die moet passen als een handschoen. Wat jij hebt gedaan is een bokshandschoen aantrekken en dat is niet de bedoeling’). Na een bezoek aan een motorfabriek laat Che weten teleurgesteld te zijn dat hij een werknemer een van de motorfietsen voor privé-zaken zag gebruiken.

In alles klinkt een man door die op zoek is naar zuiverheid. Zijn hoogste doel, schrijft hij in een ellenlange brief (34 pagina’s) aan Fidel Castro, is ‘het creëren van een nieuwe mens’. En die nieuwe mens voert uit wat de Partij hem opdraagt en heeft bovendien een smetteloze moraal. ‘Als men het eens is met wat ik versta onder communisme, dan moeten we strakke systemen optuigen waarbinnen discipline, toezicht en zelfkritiek leidend zijn, zodat we de rotte appels uit de partij kunnen verwijderen.’

Als openbaar aanklager was Che ondertussen verantwoordelijk voor de executies van tientallen, zo niet honderden aanhangers van de afgezette dictator Batista. Het is een vrij ontluisterend idee, dat dít de mens is die op Guerrillero Heroico staat afgebeeld. Al die T-shirts en sokjes en mokken, de tatoeages van Mike Tyson en Diego Maradona: wat ze tonen is geen vrijheidsstrijder maar een dogmatische partij-ideoloog. We vereren een manager, of nog erger: een moordende manager.

Of moeten we ons de jonge Che herinneren? In zijn vroegste brieven weerklinkt namelijk een heel ander persoon. Juist innemend, bescheiden en grappig. Een avonturier met de ziel van een poëet.

Ernesto Guevara, zoals hij dan nog heet, schrijft beeldend hoe hij met verschillende vrienden door Latijns-Amerika reist. Eerst als student geneeskunde en later, op zijn 25ste, als arts. Onderweg nemen de vrienden elke baan aan die ze kunnen krijgen. Zo werkt Ernesto onder andere in een leprakolonie, verkoopt hij bidprentjes van een zwarte Jezus, is hij sportverslaggever en fotografeert hij mensen in het park. Slapen doen ze waar er plek is, al is het op een stoel in een ziekenhuis of in een slaapzak op het strand. ‘Niet dat we blut waren’, schrijft hij aan zijn moeder, ‘maar vrije jongens zoals wij gaan liever dood dan dat we geld neertellen voor het burgerlijk comfort van een pension.’ Al schrijft hij dat waarschijnlijk zodat zijn moeder zich geen zorgen maakt, want zoals uit de brieven naar vrienden blijkt is hij in werkelijkheid voortdurend blut.

Politiek gezien is Ernesto in deze periode nog niet ‘ontwaakt’. Hij maakt zich kwaad over ‘de tentakels van het kapitalistische monster’, vooral in de vorm van United Fruits en de cia, en zegt jongetjes op straat te leren over ‘de wijze lessen van de heilige Karel’, oftewel Karl Marx, maar het is allemaal doordrenkt van zelfspot.

Zijn echte passie lijkt te liggen bij de archeologie. Als hij op een kerkhof een klein Inca-afgodsbeeldje vindt, noemt hij dit ‘een van mijn diep gekoesterde ontdekkingsreizigersverlangens die in vervulling is gegaan’. Wat hij jarenlang het allerliefst wil is Europa bezoeken. ‘Ik denk dat jij Parijs leuk zult vinden’, schrijft hij zijn moeder, ‘maar voor mij is het een biologische noodzaak, iets wat te verwezenlijken is en steeds vastere vorm begint aan te nemen, ik weet niet of de formulering de lading dekt, maar ik zie het als het hoogste ideaal.’

‘Ik verbind mijn toekomst aan de Cubaanse revolutie. Daarin zal ik zegevieren of sterven’

Dit is een jongen om van te houden. Waarnaar hij op zoek lijkt is iets wat groter is dan hemzelf. Iets om zich aan te verbinden, in op te gaan, misschien zelfs om in te verdwijnen. Maar vooralsnog kijkt hij daarbij vooral naar het verleden.

Wat zou er gebeurd zijn als hij Fidel Castro niet was tegengekomen? Het is die ontmoeting, ergens in september 1955 in Mexico City, die van Ernesto een revolutionair maakt.

Aanvankelijk vertelt hij er niks over tegen zijn ouders. Het duurt bijna een jaar totdat hij het toch vermeldt, noodgedwongen omdat hij in Mexico is opgepakt. Vanuit de gevangenis schrijft hij: ‘Een behoorlijke tijd geleden al weer heeft een jonge Cubaanse leider die zijn vaderland middels de gewapende strijd wil bevrijden, me uitgenodigd om me aan te sluiten bij zijn beweging. Natuurlijk zei ik ja. De afgelopen maanden heb ik tegenover jullie gelogen dat ik als docent werkte, terwijl ik meehielp met het trainen van een groep jongens die voet aan wal gaan zetten in Cuba.’

Het is een mooie plottwist die in een roman niet zou misstaan. De vrolijke flierefluiter blijkt een rookgordijn te hebben opgetrokken. Vanaf dat moment verandert zijn toon. Verdwenen is de zelfspot, vanaf nu is het bittere ernst: ‘[Ik] verbind mijn toekomst aan de Cubaanse revolutie. Daarin zal ik zegevieren of sterven.’

Ernesto richt zich niet meer op het verleden, maar op de toekomst. Hij zal mensen niet meer genezen als arts, maar hun lijden proberen te verhelpen via de revolutie. De brief daarna, waarin hij tegen zijn moeder de lofzang zingt op het ‘ik’ dat plaats maakt voor een ‘wij’, ondertekent hij voor het eerst met zijn nom de guerre, Che, oftewel De Argentijn.

Het leven als guerrilla is hard en zwaar, laten zijn brieven zien. Hij schrijft alleen nog aan zijn medestrijders, vooral over praktische zaken, zoals de voortgang van zijn troepen of de materialen die hij nodig heeft, van een bolhamer tot schoolspullen (om zijn soldaten te leren lezen en schrijven) tot celluloid om de revolutie vast te leggen. Ze trekken door bossen en suikerrietplantages, ‘door de zompige lagune’ en zoutmoerassen, ze overvallen banken, vechten tegen het leger, en proberen ondertussen boeren en rivaliserende guerrillagroeperingen te bekeren tot Fidel Castro’s 26 Juli-Beweging, wat vaak maar matig lukt.

En toch is dit het bestaan waar Che uiteindelijk voor kiest. Hij legt zijn overheidsfuncties neer, het ministerschap was nooit iets voor hem. Hij wil niet aankomen maar onderweg zijn: altijd op weg naar de overwinning. In 1965 vertrekt hij naar Congo om daar het guerrillaleger van Kabila te ondersteunen, zij het zonder resultaat. Na een kort verblijf in Tanzania en Praag reist hij af naar Bolivia om te strijden tegen de door de cia gesteunde militaire dictator aldaar. Op 8 oktober 1967 wordt Che gevangen genomen door het leger. Een dag later wordt hij geëxecuteerd.

Inmiddels is de man al lang verdwenen achter zijn beeld. En de vraag wie Ernesto – Che – Guevara echt was, blijkt moeilijk te beantwoorden na het lezen van Met gloedvolle revolutionaire groet, zoveel verschillende stemmen spreken eruit. Maar misschien, dacht deze lezer, was hij bovenal wel een dromer. In de zin dat hij ten diepste geloofde in een betere wereld.

Che faalde als overheidsfunctionaris en zonder de leiding van Fidel Castro faalde hij ook als guerrilla: zowel in Congo als Bolivia lukte het hem niet om ook maar iemand voor zijn strijd te winnen. Volgens eigen zeggen faalde hij zelfs op persoonlijk vlak. In de laatste brief aan zijn vrouw Aleida March, met wie hij vier kinderen kreeg, schrijft hij vanuit Bolivia hoezeer hij haar mist, ‘onder deze nieuwe sterrenhemel die me eraan herinnert hoe weinig ik op persoonlijk vlak uit het leven heb gehaald’.

Daar staat tegenover dat hij een groot hart had. Hij wilde zich ontfermen over de zieken, de armen, de uitgebuitenen en de verschoppelingen. Dat blijkt al uit een van zijn eerste brieven, als hij vertelt over de patiënten in een leprakolonie waar hij dan werkt. In tegenstelling tot andere artsen draagt hij doelbewust geen bescherming. Hij raakt de patiënten gewoon aan, voert lange gesprekken met ze, want ‘psychisch gezien is dit voor deze zieke mensen die normaal gesproken als wilde dieren worden bejegend, van onschatbare waarde’.

In een van de laatste brieven die hij schrijft, aan zijn kinderen, in totaal waren het er vijf, herinnert hij hen eraan ‘dat we in ons eentje niets waard zijn’. En draagt hij ze op: ‘Zorg ervoor dat je altijd goed doordrongen bent van elke vorm van onrecht tegen wie dan ook, waar ook ter wereld.’

Uiteindelijk gaf hij zijn leven voor die strijd, maar je zou het ook om kunnen draaien: het was de strijd die hem leven gaf.

Lees meer

Een van de opmerkelijkste vraaggesprekken uit de geschiedenis van De Groene is het interview van Theo Stibbe met Ernesto ‘Che’ Guevara