Wie was piet reckman ook al weer? tweehonderd jaar ideologie

Het is al zo vaak verkondigd, het einde der ideologieën. Het klinkt heel modern. Maar is in wezen antimodern. Want alle ideologieën, van welke snit of leest ook, koesteren het moderne geloof in de maakbaarheid van de samenleving. Ook de ideologie van de vrije markt. En ook het fascisme
EEN PAAR WEKEN GELEDEN viel mij de eer te beurt dagvoorzitter te zijn op een symposion van een christelijke studentenvereniging. ‘Student: van idealist tot consument?’ luidde de prangende vraag die de Societas Studiosorum Reformatorum aan haar leden had voorgelegd. Een zestigtal van hen had zich bereid getoond er een zonnige zaterdag aan op te offeren. Met reformatorische ernst werd gesproken en geluisterd. ‘s Ochtends had ik tussen de fris-modieus geklede jongelui een oudere man ontwaard met pluizige bakkebaardjes en in hemdsmouwen. Na vier inleiders brak het middagdeel aan met de onvermijdelijke 'wurruksjops’. De oudere heer nam ook deel aan zo'n ‘werkwinkel’. Dank zij een blik op de deelnemerslijst wist ik nu wie hij was: Piet Reckman uit Odijk! Het geweten van Links Nederland in de jaren zeventig en tachtig! Gevreesd amateur-politicus, vredesactivist en christen-radicaal! Piet Reckman, de nachtmerrie van het sociaal-democratisch reformistendom onder leiding van Joop den Uyl!

Tijdens de theepauze luisterde ik twee SSR-meisjes af.
‘Hoe was jouw workshop?’
'Wel aardig, alleen praatte die ouwe een beetje veel. Hij had het de hele tijd over een zekere Kramsjie en dat we de straat op moesten en zo.’
'O. Wie is dat eigenlijk?’
'Die Kramsjie? Hoe moet ik dat nou weten?’
'Nee, joh, die ouwe bedoel ik.’
O, eh… ene Rekmans of zoiets. Maar hij zei dat we hem maar Piet moesten noemen.’
Dit is dus het einde der ideologieën: een vrijbrief om niks meer te weten, dacht ik oud en grimmig. Piet Reckman stak maar eens een handgerold sigaretje op. Daar had ik nu ook wel zin in, een sigaretje roken met ome Piet, en desnoods een goed gesprek over het culturele hegemoniebegrip bij Antonio Gramsci.
IDEOLOGIEEN ZIJN VOOR de tweede maal sinds de oorlog dood verklaard, maar net als in de vroege jaren zestig zal binnenkort blijken dat het om een schijndood gaat. Alleen politieke autisten zoals Van Mierlo en Kok geloven nog dat het tijdperk der ideologieën voorbij is. Bij de VVD zijn ze sinds een poosje alweer de klassieke liberale beginselen aan het oppoetsen en het CDA gaat binnenkort bij bisschop Muskens eerbiedig om een mensbeeld vragen. Ideologieën zijn namelijk niet ouderwets of overbodig. En de pejoratieve klank die het begrip in de jaren negentig heeft gekregen - dogmatisme, kleingeestigheid, wereldvreemd getheoretiseer -, verhult niet alleen een schat aan filosofische en politieke tradities, maar ook de intellectuele schraalheid en het plompverloren hodiecentrisme waaraan onze eigen tijd lijdt.
Al tweehonderd jaar zijn ideologieën de uitdrukking van een wezenlijk moderne manier van denken, ongeacht of het gaat om het meest reactionaire conservatisme of het radicaalste socialisme. Het uitgangspunt is in alle gevallen het vermogen èn de wil van de mens om zijn lot in eigen hand te nemen. Ook de zwartste reactionair onderschrijft in feite deze voluntaristische stelling: de wijzers van de klok kunnen met menselijke handen worden teruggedraaid naar een willekeurig ancien régime. En een ideologie bevat niet alleen een beschreven maar ook een gedroomde werkelijkheid, of wat wetenschappelijker geformuleerd: een ideologie bevat zowel descriptieve als prescriptieve elementen. Het is die gedroomde werkelijkheid die aanspoort tot politiek handelen, met bommen of met papier.
De ideologieën zijn allemaal kinderen van de Verlichting, ook wanneer zij hun moeder ten diepste hebben vervloekt. Antoine Destutt de Tracy (1754-1836), vergeten Frans filosoof, gematigd revolutionair en kortstondig minister van Onderwijs, wilde van de leer (logos) der ideeën (eidos) de koningin der wetenschap maken. De vooronderstellingen van zijn vierdelige Eléments d'idéologie zouden wij nu als unverfroren positivistisch aanmerken. Geheel volgens de materialistische geest van zijn tijd geloofde Destutt de Tracy dat ideeën een fysiologische basis hadden - tegenwoordig weer een moderne gedachte trouwens. Wie achter de oorsprong der gedachten kon komen, had de sleutel in handen voor zowel de verklaring als de beheersing van menselijk gedrag.
De moderniteit van het ideologische denken komt niet alleen tot uitdrukking in het maakbaarheidsgeloof, maar ook in zijn universele geldigheidspretenties. Abstracta als de vrijheid, het individu en de menselijke natuur stijgen ver boven de geschiedenis uit en pretenderen van alle tijden, alle landen en alle mensen te zijn. Niet voor niets richt het antimoderne programma van het conservatisme zich met name tegen deze aanspraken op universele geldigheid. Een conservatief mag daar graag de oneindige complexiteit en diversiteit van de menselijke geschiedenis tegenover stellen. De mens, ik heb nog nooit de eer gehad hem te ontmoeten, smaalde de vroeg-negentiende-eeuwse conservatief Joseph de Maistre over de Rechten van de Mens.
IDEOLOGIEEN ZIJN NIET ALLEEN de uitdrukking van moderniteit, ze representeren ook de worsteling ermee. Het conservatisme belichaamt uiteraard het gebundelde verzet tegen alle axioma’s van de Verlichte oproerkraaiers: hun drang naar de perfectionering van de menselijke soort, hun geloof in de overwinning van de Rede, hun ondermijning van autoriteit, hiërarchie en traditie. Het ligt voor de hand dat juist de conservatieven om het hardst roepen geen ideologie te verkondigen. Zij beroemen zich erop als tegenvoeters van de Verlichting de ware anti-ideologen te zijn.
Maar hier wreekt zich de besmettelijkheid van het moderniteitsvirus. Want tegenover het transcendente en abstracte vooruitgangsdenken voelde het conservatisme zich gedwongen tot het smeden van een antithese. Deze tegenleer bediende zich van weliswaar omgekeerde, maar daarom niet minder transcendente axioma’s. Het conservatisme dicht de mens immers een universele en eeuwigdurende onvolmaaktheid toe. De mens is tot het kwade geneigd. De samenleving kan nooit zonder leiderschap, hiërarchie en traditie. En vanzelfsprekend is ook dit conservatieve mens- en wereldbeeld niet van prescriptieve smetten vrij. Het conservatisme is dus wel degelijk een ideologie, al is zij weinig constructief en vooral gebaseerd op scepsis en afwijzing.
In het hart van iedere ideologie klopt telkens hetzelfde dilemma: aanvaarding of afwijzing van het moderne. Conservatieven wijzen de moderniteit af; andere ideologieën, zoals het liberalisme of het socialisme, kiezen de moderniteit als het uitgangspunt van hun denken en handelen.
Hoe deze frontlijn zowel verdeelt als verenigt, laat zich aardig illustreren aan de hand van socialisme en anarchisme. Het is niet ongebruikelijk om het anarchisme te beschouwen als het doorgeflipte broertje van het socialisme. Volgens deze opvatting zijn de verschillen tussen beide politieke denkrichtingen gradueel en niet principieel: de anarchist is gewoon extremer dan de socialist in zijn afwijzing van ieder gezag, van elke dwang, van iedere vorm van individueel eigendom; extremer in zijn antiparlementarisme; rabiater in zijn gelijkheidsdenken. Maar terwijl de socialisten honderd jaar geleden de geïndustrialiseerde samenleving en het bijbehorend staatsapparaat als uitgangspunt van hun politieke strijd namen, stonden de anarchisten er met hun rug naar toe. Anarchistische profeten als Tolstoj, Kropotkin en Proudhon idealiseerden een in feite voor-industriële kleinschaligheid, een bij voorkeur autarkische economie van het genoeg, waarin de scheiding tussen hoofd- en handarbeid opgeheven zou zijn en daarmee ook de vervreemding die de kapitalistische arbeidsdeling veroorzaakte.
Hier overlapt het anarchisme met het conservatisme en zijn confessionele varianten: de weerzin jegens de staat en iedere vorm van centralistische bedilzucht. In de stichting van federaties, communes, coöperaties tekent zich een autonomie-ideaal af dat evengoed gerechtvaardigd zou kunnen worden met het protestantse leerstuk van de soevereiniteit in eigen kring of het katholieke subsidiariteitsbeginsel. En het is geen wonder dat het anarchisme vooral aanhang vond onder het door de industrialisatie bedreigde handwerkerdom, maar ook onder Russische, Spaanse en Italiaanse landarbeiders.
De antimoderne romantiek van het anarchisme verklaart ook de renaissance van deze ideologie in de jaren zestig. Small is beautiful - de titel van Schumachers invloedrijke boek uit die jaren - was de eigentijdse verwoording van het vroeg-anarchistische verlangen naar een kleinschalige en gedecentraliseerde economie, waarin uitsluitend voor eigen behoefte werd geproduceerd. De 'terugkeer’ naar het platteland, al of niet in communes, symboliseerde de vlucht uit een geürbaniseerde beschaving. En dan was er nog de heroïek van de eenling - de totaalweigeraar, de stadsguerrillero, de provocateur -, de David die het opnam tegen de anonieme macht van Goliaths als de staat, de multinational en het militair-industrieel complex.
Begrijpelijk is ook dat dit neo-anarchisme zich verbond met een andere antimoderne ideologie die evenals het anarchisme in de jaren zestig aan een tweede jeugd begon: het ecologisme. De geboortebrieven van het ecologische denken zijn veel ouder dan men vaak geneigd is aan te nemen. De historica Anna Bramwell situeert het ontstaan van het ecologische denken in Europa en Amerika rond 1880. Zij omschrijft het ecologisme als een political box, vergelijkbaar met grotere, bekendere en succesvoller political boxes zoals liberalisme, socialisme en communisme. In haar karakteristiek van het ecologisme kan men gemakkelijk een antimodern programma herkennen: een radicale afwijzing van het industrieel kapitalisme, een sterk ontwikkeld anti-etatisme, een hang naar kleinschalige leef- en produktievormen en een verheerlijking van de natuur in plaats van het antropocentrisme van de grote maakbaarheidsideologieën. Tijdens het Interbellum schoven de ecologisten ver naar rechts, richting nationaal-socialisme. De groene ingrediënten van het nationaal-socialisme zijn zichtbaar in het antikapitalisme, in de verheerlijking van het boerenleven, het experimenteren met biodynamische landbouwmethoden en de zorg voor conservering van de Duitse wouden. Hoewel het ecologisme na de oorlog dood leek door zijn encanaillering met de bruinhemden, ontwaakte het na een lange winterslaap in de antimoderne revolutie van de jaren zestig en verwierf zich een nieuwe politieke respectabiliteit. En anders dan de neo-anarchisten wist de milieubeweging te overleven in de daarop volgende decennia.
Een dergelijke rehabilitatie was voor het fascisme niet weggelegd. Een naoorlogse fascist als de Italiaan Gianfranco Fini heeft zichzelf een post-fascist genoemd, en de Russische fascist Zjirinovski wilde liever niet met Hitler vergeleken worden, maar deze pogingen om zich te ontdoen van een bloederig verleden zijn natuurlijk vergeefs. Fascisme en nationaal-socialisme zullen voor altijd geassocieerd worden met genocide. Hitler en Mussolini hebben extreem-rechts gecriminaliseerd. En samen met Stalin zorgden zij ervoor dat aan de negatieve betekenissen van het woord ideologie een nieuwe werd toegevoegd: de onderwerping van iedere menselijke vrijheid en individualiteit aan één gedachte, kortom: het totalitarisme.
Maar zoals zo vaak speelt ook bij de beoordeling van het fascisme hindsight ons parten. Wij spreken bij voorkeur van extreem of reactionair rechts, maar die aanduiding verduistert de moderniteit die óók kenmerkend was voor het interbellaire fascisme. Historici hebben gewezen op de enorme sociale mobiliteit die nationaal-socialisme en fascisme hebben veroorzaakt. Het waren beide volksbewegingen in de ware zin van het woord, die werden aangevoerd door homines novi: de zoon van een Oostenrijkse douanebeambte en die van een Italiaanse smid annex caféhouder. Bekend is Hitlers fascinatie voor techniek en zijn gebruik van de film als propagandamiddel. Ook de modernisering van de Duitse infrastructuur - de fameuze Autobahnen - en de bevordering van de automobiliteit getuigen van een omarming van het moderne leven vol snelheid, dynamiek en mobiliteit. En het meest navrante voorbeeld van moderniteit is ongetwijfeld de industriële wijze waarop de genocide plaatsvond in de vernietigingskampen. Overigens was ook de racistische fundering van de holocaust in feite modern, omdat hiermee de traditionele jodenhaat werd voorzien van een pseudowetenschappelijke legitimatie.
Nog veel meer dan het Duitse nationaal-socialisme was het fascisme doordrenkt van moderniteit. Uiteraard is de Italiaanse fascist en literator Marinetti dè personificatie van de verbinding tussen cultureel avantgardisme en fascisme. In 1909 publiceerde hij zijn zeer invloedrijke Manifest van het futurisme, waarin hij oorlog en geweld verheerlijkte en opriep tot de verwoesting van alle musea en bibliotheken. Marinetti zong de lof van de moderniteit, van de industrie en de metropool, van trams, locomotieven, stoomschepen, vliegtuigen en elektriciteit. En natuurlijk van de auto, hèt symbool van de snelheid: 'Wij verklaren dat de grootsheid van de wereld verrijkt is met een nieuwe schoonheid: die van de snelheid. Een raceauto, zijn motorkap versierd met dikke buizen als slangen met een explosieve adem… een ronkende auto die als hij rijdt op een mitrailleur lijkt, is mooier dan de Nikè van Samotrake.’
Natuurlijk moest het wat achterlopende Nederland het zonder een Marinetti stellen, al schreef in 1921 een anonymus wel in het avantgarde-tijdschrift Het Getij: 'Wij moeten in onze literatuur meer aan sport gaan doen. Begrijpt ge mij? Frissche lucht! Meer jeugd, geest, de “knock-out” à la Marinetti, de sprong, het dwaas en edel spel met leven en dood.’ Vooral de associatie met sport is hier interessant. Dit relatief nieuwe massaverschijnsel werd de 'universiteit van het collectieve gevoel’ genoemd. Dat hadden de nazi’s in ieder geval ook goed begrepen. Er is wel beweerd dat de opkomst van fascisme en nationaal-socialisme vergemakkelijkt zou zijn door de vernieuwingsbewegingen in letterkunde en bouw- en schilderkunst. Daar zit veel in. De harde bondigheid van de Nieuwe Zakelijkheid, de strakke geometrie van Bauhaus, het zoeken naar een universele vormentaal door de Stijlgroep, de gezamenlijk beleden afkeer van kunst als een uitdrukking van individualiteit, was dit alles niet een voorportaal van het totalitarisme?
DE VOORBEELDEN van fascisme, anarchisme en ecologisme maken duidelijk dat het vraagstuk van de moderniteit dwars op de klassieke links-rechtsas staat. De 'rechtse’ fascisten waren in veel opzichten moderner dan de 'linkse’ anarchisten, die op hun beurt weer evenveel gemeen hadden met het conservatisme als met het socialisme. En in radicale takken van de hedendaagse milieubeweging - de zogenaamde deep ecologists - zou men ook een antimodern offensief kunnen zien.
Wie de nadruk legt op maakbaarheidsdenken en universalisme als kenmerken van ideologisch denken, zou in het opnieuw gepredikte einde der ideologieën ook een ont-modernisering van de politiek kunnen zien. Is het geloof in de maakbaarheid van de maatschappij niet dramatisch afgenomen en is het minderwaardigheids complex van de overheid daar niet een van de belangrijkste uitdrukkingen van? Tegelijk zien we een nieuwe metafysica oprukken: die van het heilig verklaarde eigenbelang en de zichzelf regulerende markt. Maar terwijl Adam Smiths geloof in een invisible hand zich nog liet excuseren op grond van het in de achttiende eeuw wijd verspreide deïsme, ontbeert de hedendaagse privatiseringspsychose dergelijke verzachtende omstandigheden. De privatisering van overheidsdiensten als het openbaar vervoer of de posterijen leidt vaak tot een explosieve groei van de bureaucratie die men nu juist wilde beteugelen. Ziehier de religieuze rationaliteit van het nieuwe marktdenken.
Ook het geloof in universele waarden heeft de laatste decennia een flinke knauw gehad. Het cultureel relativisme is gelukkig alweer een poosje op de terugweg, maar nog niet zo heel lang geleden was het onder vooruitstrevende intellectuelen bon ton om de geloofsartikelen van de Westeuropese Verlichting - vrijheid, kritische rationaliteit, gelijkheid - ongeschikt te achten voor export naar derde-wereldculturen. Het getuigde volgens deze culturele relativisten van een bedenkelijk etnocentrisme om het afhakken van dievenhanden en het wegsnijden van een clitoris als barbaarse praktijken te bestempelen. Nu deze culturele zelfhaat bezig is te verdwijnen, heeft zich allang een nieuwe, veel gevaarlijker vijand van universele waarden aangediend: het nationalisme. Wie tornt aan het principe van de gelijkwaardigheid van alle mensen, zal ook snel geneigd zijn te ontkennen dat iedereen over dezelfde grondrechten mag beschikken. Het vraagstuk van de nationaliteiten was niet voor niets een van de meest bediscussieerde thema’s onder marxistische theoretici in het begin van deze eeuw. Toen stond immers nog de bevrijding van de verworpenen der aarde op de socialistische agenda.
Men kan in het einde der ideologieën ook iets anders zien dan een ontmodernisering van de politiek. De geleerden zijn het er zo langzamerhand wel over eens dat het end of ideology-denken in het midden van de jaren zestig - Daniel Bells gelijknamige boek dateert uit 1965 - in feite zelf ook een ideologische positionering was, namelijk die van een pragmatisch liberalisme. Het zogenaamde einde der ideologieën was in feite niet veel meer dan de veronderstelling van een brede en eeuwigdurende consensus over de 'zegeningen’ van het liberale kapitalisme: de wellfare state, een onbegrensd vertrouwen in het technisch kunnen van de mens, een rationele onderhandelingsgeest bij alle bewoners van dit tastbare utopia. De ironie wil dat vrijwel gelijktijdig in de hele westerse wereld onder jongeren massale protesten uitbraken. De veronderstelde consensus bleek opeens leeftijdgebonden.
Was dit de laatste uitbarsting van antimoderniteit? Het zou van naïviteit getuigen zoiets te veronderstellen. In ieder geval valt het niet moeilijk om ook in het nieuw verkondigde einde der ideologieën het mombakkes van een zelfingenomen liberalisme te zien. En in Nederland is dat mombakkes paars gekleurd. Maar de consensus over de moderniteit zou weleens opnieuw een bedrieglijke schijn kunnen zijn. Zolang er nog mensen zijn die oog hebben voor de stuitende keerzijde van de moderniteit, voor het verlies dat iedere verandering óók met zich meevoert, voor de futiliteit van het heden afgezet tegen de eindeloze grootheden van verleden en toekomst, zolang zal het einde der ideologieën een hersenspinsel van triomfalistische liberalen zijn. Aan de andere kant: wie vorm en samenhang wil geven aan een nieuwe antimoderniteit, zal naar zijn voorgangers moeten zoeken. Hij zal zich moeten onttrekken aan de neerbuigendheid jegens de geschiedenis die onze tijd kenmerkt. Maar in de liefde voor het verleden heeft altijd al de kracht van de antimodernisten gescholen. De toekomst voor ideologen ligt dan ook in het verleden.