Wie was will shakspere?

John Michell, Who Wrote Shakespeare? Thames and Hudson, 272 blz., f53,40
IN DE HELE literatuurgeschiedenis is geen kwestie zo tantaliserend als de vraag wie Shakespeare eigenlijk was. De radicaalste oplossing is die van anglofoob W. F. Hermans: Shakespeare heeft nooit bestaan, en daarmee uit.

Toch is dat - de vraag of-ie bestaan heeft of niet - de kwestie niet: het werk is er immers. En daarom buitelen de heren professoren, de Stratford-clan en de amateur-theoretici al eeuwen over elkaar heen. Om de beurt komen ze boven en wapperen met de nieuwste bewijzen die hun eigen oplossing kracht moeten bijzetten.
Het debat is daardoor, behalve tantaliserend, ook enorm vermakelijk. Men maakt elkaar uit voor rotte vis of, op z'n Engels, voor snob - waarbij sommigen er niet voor terugdeinzen Shakespeare zelf ook maar voor snob uit te maken. Of voor slager - met de aantekening dat als hij een kalf doodde, hij dat deed ‘in grootse stijl’ en dat hij er zelfs bij speechte. Dan wel voor valse nicht, of zelfs voor vrouw (preciezer: Queen Elizabeth in eigen persoon). Voor stroman. Voor geheim agent. Nee: voor zeer geheim dubbelagent. Voor dronken charlatan. Voor dief. Voor clown. Voor Endemol-avant-la-lettre.
HET MOET gezegd, er zijn zeer vernuftige verklaringen bedacht. Er is een Babylonische bibliotheek over volgeschreven, een die de wildste fantasieen van Borges verre overtreft. Er zijn weddenschappen over afgesloten. Er zijn fortuinen aan gespendeerd. Statistieken op losgelaten. Zelfs Sherlock Holmes werd erbij gehaald. Het werk is met de krachtigste computers geanalyseerd op verborgen boodschappen. Maar het raadsel blijft. Over niets, over helemaal niets, over geen enkel detail is iedereen het helemaal met elkaar eens. En gelukkig maar.
Natuurlijk, er is die knaap uit Stratford-on-Avon, Will Shakspere. Voor het gemak neemt de goegemeente aan dat hij alle de werke heeft bijeengeschreven. Maar dat is onwaarschijnlijk. Veel weten we niet van hem (exacte datum en plaats van geboorte: vraagteken), maar wat we weten neemt iedere verdenking weg dat we met een genie te maken hebben.
Zijn ouders waren analfabeet, en (in ieder geval) zijn dochter ook. Er is geen enkele aanwijzing dat hij zelf naar school is geweest, laat staan naar de universiteit. Zou deze zelfde man dan over de grootste Engelse woordenschat ooit hebben beschikt?
Wel zijn er vijf, mogelijk zes handtekeningen van deze man gevonden. Zes min of meer verschillende. En dan zien we er nog van af dat er sowieso 57 schrijfwijzen van de naam Shakespeare zijn gevonden, van Chacsper tot Shexpere. Zoals een anti-Stratfordiaan meende: 'de mogelijkheid bestaat, praktisch grenzend aan zekerheid, dat de Stratford- acteur nauwelijks in staat was zijn eigen naam neer te krabbelen’! Nee, dat klopt, zegt dan weer een Stratfordiaan (dit keer Ian Wilson, auteur van een biografie uit 1993 met de onmogelijk optimistische titel Shakepeare: The Evidence), dat klopt, want Shakspere leed aan schrijfkramp!
Dit is 'zeker’: Will Shakspere was een koopman (net als zijn vader), een geldschieter en een tamelijk bekend figuur in de Londense theaterwereld. Boeken heeft hij niet nagelaten. Wel bijvoorbeeld zijn 'second-best bed’: dat van zijn vrouw. Hij liet geen rechten gelden op welk manuscript dan ook - maar anderzijds heeft nooit iemand het auteurschap van de Folio-uitgave (1623 door 'William Shakespeare’) betwist.
Uit zijn eerste eenentwintig levensjaren is sowieso niet een document bewaard gebleven. Wat ene William J. Rolfe er niet van weerhield om een 256 pagina’s dik boek, Shakespeare the Boy, te schrijven. 'Er is geen vergelijkbare figuur in de geschiedenis die ooit zo anoniem was’, schrijft John Michell in zijn voortreffelijke overzichtswerk Who Wrote Shakespeare? Een betrouwbaar portret is er ook al niet. (Die bekende, van Martin Droeshout, met de volgens een diep teleurgestelde shakespereaan 'afschuwelijke waterhoofdachtige woekering’ is lang na zijn dood gemaakt.) Zelfs een auteurshandschrift ontbreekt. Het testament van Will Shakspere, het meest persoonlijke van diens documenten, vertelt in al zijn zakelijkeheid niets over hemzelf. En tot vijftig jaar na zijn dood is er ook door anderen niks persoonlijks over hem geschreven. Zijn geslacht is trouwens al in 1670 uitgestorven. Alles wat er over hem gezegd kan worden, past op een A4'tje. Die Engelsen! Dol op biografieen als ze zijn, zullen ze van hun grootste held nooit een beetje biografie kunnen samenstellen.
DE DISCREPANTIE tussen deze simpele ziel van Stratford en de weledelgeboren, hooggeleerde, zeer doorluchtige auteur van de toneelwerken is hemeltergend. Trouwens, dat hele Stratford wordt niet een keer genoemd in de hele verzamelde werken, tegen bijvoorbeeld St. Albans (waar kandidaat Francis Bacon vandaan kwam) vijftien keer. Maar veel vaker nog spelen zich taferelen af rond Warwickshire, waar kandidaat William Stanley, graaf van Derby, opgroeide. En net zo was niet de Avon maar de Severn zijn favoriete rivier. Maar als Shakspere uit Stratford-on-Avon de toneelwerken niet geschreven heeft, zeggen ze daar in het dorp, dan is het wel iemand met dezelfde naam die er gewoond heeft. Het is bedoeld als grapje, maar de lo gica ervan is illustratief voor de bewijsvoering van alle theoretici.
De specialismen van de auteur Shakespeare betreffen eenendertig onderwerpen. Van het hofleven (Frans, Deens en Engels) en de Europese geschiedenis tot de kunst van het stropen en de regionale achterklap. Van astronomie tot artsenij ('met speciale kennis van morbide psychologie en diverse soorten krankzinnigheid’, zoals Michell toevoegt). Van cryptografie tot folklore. Voorts een taal of zes. Over hoe goed hij thuis was in die zeer diverse specialiteiten, zijn de meningen, to put it mildly, verdeeld. Dikwijls wordt hij met betrekking tot een en hetzelfde gebied uitgemaakt voor autoriteit en beunhaas. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er wel vierentwintig kandidaat-auteurs in aanmerking komen, die allemaal over een of meer van deze specialismen beschikken - maar er is niemand die ze allemaal tegelijk beheerst.
De voornaamste motieven in het verzamelde werk zijn de klassieken en de mythologie (260 toespelingen), sport en spel (196), oorlog en wapentuig (192), de zee en scheepvaart (172) en de wet (124). De conclusie dat Shakespeare dus belezen was, en sportief, en krijgservaren, en bereisd (Italie!), en ook nog eens juridisch onderlegd lijkt dus gewettigd, maar al net zo onmogelijk als zijn andere karakteristieken. Michell maakt de gevolgtrekking dat Shakespeare ofwel een genie was ('voor sommigen verklaart dit alles, voor anderen heel weinig’), ofwel een ziener - 'maar van zo'n persoon is geen geval bekend’.
GEZIEN Shakespeare’s onwaarschijnlijke universaliteit is er eigenlijk maar een tijdgenoot die wellicht in aanmerking komt als 'geheim auteur’: Francis Bacon. Deze auteur van de klassieke Essays en grondlegger van het En gelse empirisme (Novum organum) was een geleerde aristocraat, een vooraanstaand staatsman en een groot jurist. Al op jonge leeftijd schreef hij ambitieus: 'Ik heb alle kennis als mijn domein gekozen.’ Een ambitie die hij waarmaakte. Maar daar staat tegenover dat hij, oneerbiedig gezegd, een watje was. Van sport en spel had de delicate kamergeleerde geen kaas gegeten, van oorlog en wapens hield hij zich verre, en zeebenen had hij ook al niet. Hij was wel weer psalmenvertaler en auteur van maskerspelen. En zijn woordenschat was groot, zijn taal verzorgd - maar bloedeloos. 'Hij schrijft wijsbegeerte als een kanselier’, zei zijn tijdgenoot de anatoom William Harvey. Het is waar. Lees de Essays er maar op na. Het is zouteloze kost, taai als spek. Met niet een grapje en redelijk in alles. En die man zou het werk van Shakespeare geschreven hebben?
Nee, dan die andere kandidaat, Edward de Vere, graaf van Oxford. Deze sonnettenbakker (schuilnaam 'Willy’) en auteur van komedies presteerde het, naar een anekdote uit Aubrey’s Brief Lives, om zijn nederige buiging voor Queen Elizabeth vergezeld te laten gaan van een scheet! Waarna hij voor zeven jaar het zeegat koos (richting Italie). Onbegrijpelijk dat de pleitbezorgers van de graaf van Oxford, Freud bijvoorbeeld, die Hamlet als diens zelfportret zag, dat liever verzwijgen. Mij lijkt het een sterk argument ten gunste van hem als kandidaat voor de kroon van grollenkoning Shakespeare! En er zijn nog tal van andere aanwijzingen. Alleen: de graaf van Oxford stierf al in 1604. Te vroeg, want toen moest er nog heel wat verschijnen.
Om dezelfde reden is de raadselachtige collega-toneelschrijver Christopher Marlowe out of the question. Deze vrijdenker en geheim agent werd al in 1593 vermoord - als dat tenminste geen in scène gezette actie was. Om de precies tegenovergestelde reden kun je Roger Manners graaf van Rutland diskwalificeren: toen hij twintig was, waren er waarschijnlijk al veertien Shakespeare-stukken voltooid. Toch zijn er sterke argumenten die voor hem pleiten. Zo heeft Rutland zelf een bezoek gebracht aan slot Elsinore in Denemarken. En hoewel Hamlet is gebaseerd op een ouder, gelijknamig stuk, is de Shakespeare- bewerking verrijkt met onmiskenbaar authentieke details. Een ander kasteel, Belvoir in Leicestershire, was sinds 1525 in het bezit van de hertogen van Rutland. De bibliotheek daarvan bevat opvallend veel Shakespeare-bronnen. Bovendien hing er een schilderij van Correggio dat in het voorspel van De getemde feeks wordt beschreven. Nog zoiets: Rutland studeerde in Padua, waar twee Deense medestudenten Rosencrantz en Guildenstern heetten.
Natuurlijk, het zijn allemaal geen bewijzen - die zijn er niet. Elke kandidaat heeft zijn voors en tegens.
Vandaar ook de suggestie van een Shakespeare-groep. Het klinkt heel aannemelijk. Bacon wordt er dan van verdacht als supervisor te hebben opgetreden. Want hij moet als hooggeplaatst staatsman sowieso geweten hebben hoe de vork in de steel zat. Hij is de sleutelfiguur van het combinatieslot. En Will Shakspere zou dan de handige jongen zijn geweest die alle bijdragen aan elkaar knoopte en er hier en daar wat van nog weer een ander bij stal. Tijdgenoot Ben Jonson schreef al dat Shakespeare van 'flarden een heel stuk maakte’. Shakespeare de sjacheraar! Want zoals de scherpzinnige Shakespeare-bezorger Alexander Pope opmerkte, schreef de toneeldichter 'voor gewin, niet voor glorie’. Vandaar dat hij zich terugtrok in Stratford toen hij geld genoeg verdiend had.
Een samenzwering van talenten dus? Maar daar heeft nooit iemand iets over losgelaten, en er is geen document dat daar opheldering over of zelfs maar een aanwijzing voor verschaft. Misschien begrijpelijk, want in het elizabethaanse Londen ritselde het van de geheim agenten en moest je dus op je woorden letten (vandaar de voorliefde voor cryptisch taalgebruik). Immers, hofintriges, shakespeareaanse hofintriges genoeg. Niettemin zijn er complete geheime dagboeken bewaard gebleven van aan het theater verbonden tijdgenoten - waarin geen woord over een eventuele Shakespeare-conspiracy. En daar komt nog bij dat veel kandidaten onderlinge (politieke) vijanden waren.
Wat doet het er uiteindelijk toe? Zoals Jonson ook zei: 'looke/ Not on his Picture, but his Booke’. Die slaan immers alles. Shakespeare overleeft alle modes. Zo is hij een legal writer van de eerste orde. En hij zet Tarantino cum suis te kijk als kleine jongens - ook als scenario’s zijn zijn stukken onovertroffen. Iedere regel is bezield van een idee, en daarbij paart hij gratie aan brute kracht, of zoals Cioran zo mooi schreef: 'Shakespeare: rendez-vous van een roos en een bijl’. Wie kan het dan nog wat schelen dat zowat de hele boel bij elkaar gejat is? Hij blies al die lijken leven in! Ach, de kleinzieligheid van plagiaatbeschuldigingen.
Het werk kan in al zijn rijkdom alleen maar vergeleken worden met de bijbel. En daar is trouwens extra reden toe. Namelijk een van die krankjoreme spitsvondigheden die de Shakespeare- kwestie tot zo'n verrukkelijke aangelegenheid maken. In de Engelse bijbel, psalm 46, is het 46ste woord vanaf het begin 'shake’ en het 46ste vanaf het eind 'spear’. Toen Shakspere 46 was, is die bijbel voltooid. Dus toch Shakspere? Nee, er is door 46 man aan die bijbel gewerkt, onder anderen Francis Bacon (een goede vriend van hem was zogezegd de 'hoofdredacteur’). Worden we dus ook niet wijzer van.
Vandaar mijn oplossing: God is Shakespeare. De enige echte god van het woord dat vlees geworden is. Bijna alle gegevens wijzen in die richting. laten we het in hemelsnaam, wie Hij ook moge zijn, dáár maar over eens zijn.