Wie we zijn

Ik ben wel eens te gevoelig voor wat mensen tegen me zeggen, gewoon, als ik ze op straat tegen het lijf loop. Ik was op koers dacht ik, en dan opeens dreig ik af te slaan. Je moet het nooit over je buurmeisje hebben, zei deze passant, zelf succesvol praktiserend columnist. Of over je kat.

Ik zie mezelf weer een antiquariaat binnen lopen, de eigenaar en een klant zijn een gesprek aan het voeren waaruit ze maar niet loskomen. Hoe vaak zal het belletje van de winkeldeur op een dag klingelen? Als het drie keer is, is het veel. Ik kwam luid klingelend binnen, en ze hadden het niet in de gaten. Zo hartstochtelijk hadden ze het over hun wederzijdse katten. Hoe ze werden opgewacht boven aan de trap, of juist niet, en hoe ze aan het spelen raakten, of juist niet.

Het was pal voor de etalage van een boekhandel dat we elkaar troffen, de columnist en ik. Ik had, zal je zien, net alleen maar kat aan mijn hoofd. Ik probeerde dit in allerijl nog een maatschappelijk cachet te geven. Dat mensen net beesten zijn, maar dat je pas echt schrikt als beesten beesten blijken. Ik was bezig geweest mijn katten onder dak te brengen en gestuit op een pension waarin zeker twintig katten rondslopen. Twintig paar behoedzame blikken, evenzoveel gestreken oorpartijen… Mijn lichaam sloeg acuut alarm.

‘Ben je wel eens bang?’ had ik de beheerder van het pension gevraagd. In een vorig leven zou ik haar met kattenvrouwtje hebben aangeduid.

‘Ik kijk ze in de ogen’, sprak ze.

Ze handgebaarde erbij, met een teken dat ik tot dan toe alleen kende van maffiafilms. Met gespreide wijs- en middelvinger wordt er op eigen ogen gewezen en vervolgens op die van de tegenstander. Die tegenstander was ik, denkbeeldige kat. Het betekent: ‘ik weet je te vinden’. Ook wel bekend als: ‘je gaat eraan’. De avond ervoor had ik zitten kijken naar een film waarin de serial killer zich in een trailer schuilhoudt. Hij is niet thuis als de politie een inval bij hem doet. Ook hij blijkt er huisdieren op na te houden. Zet een eekhoorn in een kooi, en je hebt iets met klauwen. Lijn een hond aan, en je hebt een bijter.

Ik denk dat mijn kat zei dat ze haar broer had opgegeten

Als je lang naar dieren kijkt, word je gek. Als je lang naar katten kijkt, word je bang. De vacht, de kraalogen, de ingescheurde oren… Dwaalsporen. Camouflage.

Wie ben jij? vroeg ik aan mijn kat. Ik was Gulliver die na zijn reizen huiswaarts keert, en zijn thuisfront opeens ziet voor wat het is. Ze stond op de eettafel, de boel te domineren. Die ochtend had ze me nog geslagen, omdat het tempo waarmee ik de krantenpagina’s omsloeg haar niet zinde.

Laten we wel wezen: ik heb nog geen drie dagen van mijn leven doorgebracht zonder kat. Laat ik mijn leven echter eerlijk de revue passeren, dan zie ik mezelf angstig en omzichtig opereren, kattenlevens lang. Ik heb deuren gebarricadeerd, blote voeten vermeden, gesust en gesoebat, zwangere buik afgeschermd, ben langzamer gaan lopen, heb me bewapend met een bezem, iedere ochtend kaas (boerenbelegen, alleen uit het middenstuk) gevoerd, etensbordje bijgezet, bed vrijgegeven. Waarom je van je beul gaat houden, ik zou erop kunnen promoveren.

In antwoord op mijn vraag spande mijn kat haar rug, de staart bewoog zich trillend opwaarts, haar bek sperde ze open. Ze zei iets, maar ik kon haar niet verstaan, tot haar grote woede. Ik wil niet bang voor haar zijn, en reikte mijn hand naar haar uit. Ze begon te springen tegen mijn hand aan, als een circuspaard, ik klakte met mijn tong om het zo lang mogelijk een feestnummer te laten zijn.

Waar is je broer? vroeg ik haar zachtjes.

Weer die rug, en die opengesperde bek. Ik denk dat ze zei dat ze hem had opgegeten, maar gelukkig, daar kwam hij al aan, de sukkel.

Ik knikte, toen op straat die columnist dat zei, van het buurmeisje en de kat. Knikken betekent in mijn wereld: ik hoor je. Niet: ik ben het met je eens. Ethel Portnoy, zei hij. Ik weet niet meer hoe hij op haar kwam, maar ik verraadde haar ter plekke. Ik wilde wel praten, maar niet het gesprek aangaan. Zoals we daar stonden, de etalage van de boekwinkel in de rug, wat zouden andere mensen van ons maken? We konden tastende minnaars zijn, of fragiele oudgedienden, dronken feestgangers, alles behalve de overlevers die we in werkelijkheid waren.