Wie weg is, is weg

Kader Abdolah, De meisjes en de partizanen. Uitgeverij De Geus, 138 blz., f29,90
BALLINGSCHAP, HET is een tegenwoordig veelvuldig gebruikt begrip dat net zo makkelijk van betekenis verandert als de kameleon van kleur verschiet. Van oudsher was ballingschap het gevolg van een vonnis dat verbood een bepaald gebied te betreden. Tegenwoordig, nu verbanning in strikte zin niet meer aan de orde is, is de betekenis van de term uitgebreid tot het ‘vrijwillig’ maar vaak noodgedwongen verlaten van het eigen land. En daarmee is ballingschap een deze eeuw dramatisch veel voorkomend verschijnsel. Vluchtelingen over de hele wereld verlaten hun vaderland en moedertaal, verliezen huis en haard, de vertrouwde heuvels en bossen, het silhouet van hun stad.

Tegelijkertijd wordt ballingschap graag als universele condition humaine gezien. Bijvoorbeeld door de Amerikaans-Frans-Poolse schrijver Czeslaw Milosz, die in zijn essay ‘On Exile’ stelt dat wij allen ballingen zijn omdat we uit het paradijs zijn verdreven: 'To express the existential situation of modern man one must live in exile of some sort’, preciseert hij. Of door Franse filosofen als Deleuze en Guattari die onze versplinterde identiteit en ons onbegrensde intellect als geestelijk kosmopolitisme, ja nomadisme opvatten. Zijn wij niet allen nergens thuis?
Als het om literatuur gaat, is de gedachte populair dat het perspectief van de balling of emigrant uitermate vruchtbaar is. Zo schreef Salman Rushdie in zijn vaak aangehaalde essay 'Imaginairy Homelands’ uit 1982 dat de mens die tussen twee vaderlanden leeft, die 'schrijlings op twee culturen zit’, voor hem het symbool van de moderne schrijver is. Omdat hij zijn cultuur, wortels en taal achter zich heeft gelaten, is zijn blik op de werkelijkheid altijd tweeslachtig. Het dubbele perspectief van de uitgewekene zet hem aan tot het scheppen van nieuwe beelden: 'Misschien worden schrijvers in mijn omstandigheden, bannelingen of emigranten of politieke vluchtelingen, wel achtervolgd door een gevoel van verlies, de behoefte om te herwinnen, ook als ze door om te kijken het risico lopen in zoutpilaren te veranderen. Maar als we omkijken moeten we wel weten dat we door onze fysieke vervreemding van India vrijwel zeker niet kunnen herwinnen wat precies verloren ging; dat we, kortom, bedenksels zullen neerzetten, geen echte steden en dorpen maar onzichtbare oorden, een vaderland in de verbeelding, een India in gedachten.’
IN DE NEDERLANDSE literatuur zijn er nog niet zo veel schrijvers die schrijlings op twee culturen zitten. Kader Abdolah is een van de weinige ballingen die een aangrijpend beeld geeft van het leven van een vluchteling in een hem volkomen onbekende wereld. Abdolah publiceerde in Iran twee verhalenbundels. Hij moest zijn geboorteland in 1985 ontvluchten toen de Iraanse overheid ontdekte dat hij betrokken was bij de oppositie tegen het dictatoriale bewind. Op uitnodiging van de Verenigde Naties kwam hij in 1988 in Nederland terecht. Hier schreef hij, direct in het Nederlands, twee verhalenbundels: De adelaars, dat werd bekroond met het Gouden Ezelsoor 1994, en het zojuist verschenen De meisjes en de partizanen.
De verhalen van Abdolah rekenen hardhandig af met iedere romantisering van ontheemdheid, met de modieuze metaforen waar het woord ballingschap vaak voor staat. Aan den lijve ervaren ballingschap is bovenal intens pijnlijk. Het vaderland in de verbeelding is niet iets dat zich behaaglijk op het papier laat nestelen, het is een plek die in de werkelijkheid bestaat en het hele geheugen schrijnend bezet. Abdolah definieert ballingschap ergens als de thuishaven van waaruit je kunt terugvliegen naar je kindertijd. Het is een nogal eufemistische definitie, want het terugvliegen naar het vreemde land dat het verleden is, blijkt over het algemeen een kwelling. Niet voor niets zijn juist de nachtmerries van zijn personages vergeven van vroeger.
Abdolah laat zien hoe concrete zaken in het nieuwe vaderland de ik van zijn verhalen onherroepelijk terugvoeren naar zijn oude vaderland. In 'Rivieren zijn getuigen’ brengt de stromende IJssel hem terug naar de Sefiedganie, de rivier waar zijn ouderlijk huis op uitkeek. De grazige weiden en de bonte koeien langs de Nederlandse rivier maken plaats voor de bergen en druiventuinen in zijn herinnering. De rivier is echter veel meer dan een idyllische plaats uit zijn jeugd, zij vervoert ook de slachtoffers van de dictatuur. In 'Marcia’ krijgt de ik, werkzaam in een oude stadsbibliotheek, door het tikken van de hakken, het lange donkere haar en de groene ogen van een stagiaire het beeld van zijn verdwenen zuster weer voor ogen. De stagiaire maakt dat een 'hoekje in de kelder van zijn geheugen’ weer onrustbarend actueel wordt. De personages van Abdolah kunnen moeilijk in het heden leven, telkens schuift het verleden op de voorgrond.
DE TWEESLACHTIGHEID van de balling is voor Abdolah een hoogst ongemakkelijke toestand. Zijn personages worden niet alleen geconfronteerd met twee verschillende landen, het archaische land van hun jeugd en het moderne land waartoe ze hun toevlucht hebben gezocht, maar ook met twee manieren van leven. In 'Fagrimoloek’ presenteert Abdolah een moeder die haar uitgeweken dochter bezoekt. Tot haar ontzetting blijkt zij gescheiden en heeft zij de gewoonte ’s avonds uit te gaan en te drinken. Weer thuis vertelt Fagrimoloek aan een vriendin dat in het land van haar dochter alles totaal anders is: 'Men woont daar anders, eet anders. Oud worden is anders. Sterven gaat anders. Jonge vrouwen leven anders en de zon komt anders op en gaat anders onder.’ Na de moord op haar zoon en de dood van haar man was haar dochter haar enige troost, maar nu kan ze niet anders denken dan: 'Wie weg is, is weg.’
Kader Abdolah lijkt aan te geven dat er geen brug te bouwen is tussen de twee werelden. Voor de moeder bestaat haar dochter niet meer. In 'De brieven’ schetst hij het omgekeerde: een zoon is voorgoed afgesneden van de wereld van zijn ouders. Als zijn moeder hem opbelt om te vertellen dat zijn vader is overleden, bedenkt hij dat hij volgens de traditie van zijn vaderland rennend naar zijn ouderlijk huis moet gaan, waar zijn vader met een wit laken over zijn voorhoofd ligt. Hij kan geen afscheid nemen, want wie grenzen overschrijdt, kan de gewoonten van zijn land niet meer in stand houden. 'Wie wegvlucht, laat alles achter. Er is dus geen vader, geen bed en geen dode.’
De kloof tussen de twee werelden brengt een breuk in de tijd met zich mee. Het verlies van de voorbije tijd is definitief, het tijdsbesef is daardoor grondig verstoord. 'Nu zijn er jaren of eeuwen voorbijgegaan. Op mijn voorhoofd staat niets anders dan “vlucht” geschreven en “eeuwig heimwee” ’, schrijft Abdolah in een van de verhalen. Omdat er tussen vroeger en nu geen verbinding meer valt te leggen, lijkt het of de tijd er niet meer toe doet. De ik-figuur die door de stagiaire weer aan zijn zus moet denken, weet niet meer hoeveel jaren het geleden is dat hij haar heeft gezien. Negen? Honderd? Driehonderdvijfenvijftig jaar? Voor hem zijn het eeuwen.
DE VERHALEN uit De meisjes en de partizanen lijken zich ook over eeuwen uit te strekken. Sommige verhalen ademen de poetische sfeer van de oude Perzische dichters. Zoals 'En toen waren wij aan de beurt’, over een vader die zijn kinderen onder de treurwilg in de tuin over de dood van hun overgrootvader vertelt, of zoals 'Hadjarsadat en haar spiegels’, over een stokoude vrouw die ’s winters vogels vangt om ze voor de kou te behoeden. Andere verhalen, als 'Hasan Garibi’, over de gespannen situatie van buitenlanders in Duitsland, spelen zich ondubbelzinnig in het heden af. De verhalen waarin de werelden en tijden pijnlijk botsen, zijn het best geslaagd. De sobere stijl van Abdolah werkt daar het best, het zijn waarschijnlijk de verhalen die hoognodig moeten worden verteld. Want het is duidelijk dat de diepe treurigheid en eenzaamheid van de personages door het vertellen van verhalen kan worden verlicht. De vrouw van Hasan Garibi kan haar verhaal niet kwijt en heeft een daardoor een steen in haar keel: 'Ze weet dat die steen de niet-gesproken woorden zijn, woorden die zijn blijven steken.’ De verhalen van Kader Abdolah wekken de indruk alsof ze met een steen in de keel zijn geschreven.