Wie wij zijn

Twee gedachtes beginnen me al meer parten te spelen. Allereerst dat over iemand schrijven heel wat anders is dan diegene ook ‘echt’ kennen, in je zak te hebben zogezegd. Misschien moet je dat ook niet willen, maar het lijkt toch – zeker in het begin – alsof er ergens een sleutel moet zijn, alsof er iets ontraadseld moet worden. In werkelijkheid worden de raadsels alleen maar groter, regeert de chaos, overheerst de twijfel.

De tweede gedachte: dat het een ijdele missie is iemands leven of persoon recht te willen doen. Dat alleen Marco Borsato een begrip als ‘de waarheid’ in de mond durft te nemen. Een ijdele missie, maar ook een hovaardige. Want hoe kan ik iets over iemand op papier krijgen zonder haar privacy te schenden, zonder haar of haar geliefden voor het hoofd te stoten.

Mag ik de tekst van het nieuwjaarskaartje citeren die een vriendin van haar me voorlas, die niet alleen haar aangaat, maar ook haar man, haar kinderen? Haar kinderen die net iets ouder zijn dan mijn eigen kinderen, en via een zegsman hebben laten weten zich ongerust te maken?

Op een dag wordt er bij mijn kinderen aangebeld: hoe zat dat nou met je moeder. De ene collega gaat opening van zaken geven. De vriendin met wie ik een half leven lang zo’n tien mails per dag wissel, opent haar archief. Kijk eens, op zondag 3 juni 2012 schrijft ze dat ze bezig is haar kat op te geven voor een talentenjacht en dat ze hoopt dat ze een reisje naar de Bahama’s wint. Hoor je verder niemand over. Mijn zus vertelt dat ze stelselmatig geslagen is vroeger, door mij. Mijn zoon haakt daar op aan. Mijn leven, een legpuzzel met grote stukken.

Janet Malcolm, held, schrijft het zo rustig in Reading Chekhov: dat de privacy van Tsjechov niet in gevaar komt door de boeken die over hem worden geschreven. Dat niemands privacy daardoor ooit echt in gevaar komt, zelfs niet van de meest exhibitionistische types. De brieven en dagboeken die we nalaten, en de indruk die we hebben gemaakt op onze tijdgenoten, ze vormen slechts de schil rondom de kern van ons essentiële leven. Als we doodgaan – ik citeer Malcolm in mijn eigen geïmproviseerde vertaling uit het Engels – wordt die kern met ons begraven. Dit maakt de dood zo’n jammerlijke aangelegenheid, en meteen ook de reden voor de onvermijdelijke trivialiteit van biografieën. Aldus Malcolm, schrijfster van de meest spannende en onthullende boeken over onder anderen Sylvia Plath, Gertrude Stein, de nalatenschap van Freud, en Tsjechov dus.

Maar Tsjechov is al zo lang dood, wie kijkt er nog van op als bekend wordt dat hij er drie vrouwen op nahield, honden doodknuppelde, bang was in het donker? Op een dag kreeg Tsjechov een brief van een toneelschrijver die vond dat hij zijn verhalen te abrupt eindigde. Hij vond het de taak van de schrijver na te gaan wat er omgaat in het hart van zijn personage. Tsjechov riposteerde dat een schrijver niet zou moeten pretenderen iets te begrijpen wat hij niet begrijpt. Sterker nog, schreef hij, een schrijver moet niet de indruk willen wekken dat hij begrijpt wat niemand begrijpt. Alleen dwazen en charlatans weten en begrijpen alles.

Tsjechov was er een meester in de raadsels intact te laten, juist door ze te benoemen. Als in De dame met het hondje Goerov aan zijn dochtertje uitlegt waarom er in de winter geen onweer is, beseft hij onderweg te zijn naar een rendez-vous waar niemand weet van heeft, en waarschijnlijk niemand ooit weet van zal krijgen. Dat hij in feite twee levens heeft, een openbaar leven en een geheim leven. En dat ‘alles wat voor hem belangrijk, interessant en onmisbaar was, alles waarin hij oprecht was en zichzelf niet bedroog, alles wat de kern van zijn bestaan uitmaakte’ zich in het geheim afspeelt. Daartegenover staat ‘alles wat hij loog, het omhulsel waarin hij zich verschool om de waarheid te verbergen, zoals bijvoorbeeld zijn werk op de bank, de discussie op de club, het aflopen van jubilea met zijn vrouw’, en dat is dus zijn openlijke leven.

Het goeie van Tsjechovs Goerov is ook dat hij niet denkt dat hij uitzonderlijk is, maar veronderstelt dat bij iedereen het ‘echte’ leven zich afspeelt ‘onder de sluier van een geheim, als onder de sluier van de nacht’.

Inmiddels vraag ik me af of het niet een misvatting is dat pas met het boven water halen van het geheime leven je iets essentieels over iemand op het spoor bent. Die zogenaamde duistere kant van mensen, misschien komt die eigenlijk altijd wel op hetzelfde neer. Dat ze op weg zijn naar een rendez-vous waar niemand ooit weet van zal hebben, drie vrouwen erop nahouden, hun kat opgeven voor een talentenjacht.

Is de schil, of het omhulsel, uiteindelijk toch interessanter dan de kern. Of is dat het in ieder geval waarom je überhaupt in iemand geïnteresseerd raakt.