Wie wil groeien moet afdalen

Sybren Polet. _Virtualia. Teletonen. Even- en nevenbeelden. _Wereldbibliotheek, 94 blz., € 15,90

laat licht

_Laat, te laat namiddaglicht. _

Onder hoogzwangere wolken een paar stilteduiven

op een los zwevende tak,

_afwachtend. _

Gesmoorde verkeersgeluiden

als om hals gebrachte dooddoeners.

_In de vertraagde achtertuinenkele langzaam ontploffende pompoenen. _

Raam dicht.

Binnenlicht.

Sybren Polet (1924) schrijft de lelijkste poëzie van ons taalgebied. Sinds zijn debuut in 1949 heeft hij de Nederlandse literatuur verrijkt met een nooit opdrogende stroom experimentele romans, verhalen, essays en gedichten, die stuk voor stuk stijf staan van de pretenties en getuigen van een kinderlijk geloof in de kracht van het woord. De oordelen van critici zijn steeds sterk verdeeld geweest. Je kunt Polet mateloos bewonderen of hartgrondig verafschuwen, iets daartussenin lijkt onmogelijk. Ik behoor, ik zeg het maar meteen, tot de bewonderaars, misschien juist omdat ik altijd eerst een zekere weerzin moet overwinnen voordat ik me aan Polets jungle van quasi-wetenschappelijke neologismen durf over te geven. Wat deze dichter te vertellen heeft is zonder meer belangrijk, bovendien is het moeilijk niet onder de indruk te raken van de vitale nieuwsgierigheid en urgentie waarmee hij onvermoeibaar taal en wereld exploreert.

De opening van Polets nieuwe bundel is magistraal:

Rating van het mensdom gedaald

van AAA naar AA, A en A–.

Alles & allen op naar het min-nul, ons aller eindbegin

en optimale zelfverevening in zeroïsche onschuld.

Geestig en cynisch stelt de onheilsprofeet zijn vernietigende diagnose, die zowel politiek als moreel van karakter is. De wereld is ziek en gaat aan hebzucht en egoïsme ten onder, maar de ineenstorting van het economisch systeem biedt tegelijkertijd de kans opnieuw te beginnen. De apocalyps opent een nieuw Eden. De A is een te luide oerkreet die moet verstommen om een nieuwe taal mogelijk te maken. De exuberante klankherhalingen vormen een echolalie die de woorden van hun betekenis lijkt te willen bevrijden. Tweemaal min levert de plus van het eindbegin op en dit nulpunt belooft een staat van onschuld: ‘De dreiging van degradering omgezet in hoop/ op een ópen eindbegin/ in onderverzadigd niemandswit’.

Polets poëzie is utopisch zonder naïef te zijn. Meermalen refereert de dichter aan oorlog, economische rampspoed en de illusie van een maakbare wereld. De benepenheid van ons land wordt genadeloos weggezet in Pro patria, waarin het asfalt verschijnt als de ‘Hollandse diepzee’. Zowel diepte als hoogte ontbreekt:

Millimeter-duiken.

Rondogen met microgoggles

en je hoofd stoten aan een laaghangende hemel.

Wij Hollanders zijn ‘de nakomelingen van lemen beelden,/ mummies, veenlijken, vogelverschrikkers/ met hun honden van stro’, maar we achten het voortbestaan van onze genen van groot belang: ‘Wij moesten toch onze eitjes maar laten invriezen’.

Hoewel Polet midden in de wereld staat en met gretigheid kennisneemt van alle politieke en wetenschappelijke ontwikkelingen, beseft hij dat elke revolutie in de eerste plaats een psychisch proces moet zijn. Zijn hele oeuvre is erop gericht de verbeelding te prikkelen en te leren fundamenteel open te staan voor het nieuwe, het onbekende, het potentiële. Wie innerlijk wil groeien moet in zichzelf afdalen, het ego uitschakelen, de conventionele taal met al haar voorgekookte concepten afleggen, teneinde een mystieke confrontatie met het Niets aan te gaan. Wanneer men de limiet nadert wordt de ‘muziek der biosferen’ hoorbaar, een ‘miniconcert van gongende mondharpjes’, een ‘Overture in O-grote terts’, waarbij de O voor het oningevulde staat. Diep in jezelf hoor je enkel ‘eeuwenoude ondertonen,/ pantonale breintonen’, die misschien beschouwd kunnen worden als echo van de oerknal.

In enkele gedichten wordt die psychische verdwijning, die ook een vorm van verlichting is, geassocieerd met de dood. Niet zonder zelfspot noemt de hoogbejaarde dichter zich een ‘postuum geaborteerde,/ teruggeboren/ in eigen krimpende binnenruimte’, om af te sluiten met de nuchtere constatering: ‘Er vallen steeds meer gaten in het niets.’ Weldra, zegt hij, ‘ben ik alleen in potentie aanwezig’, en hij wekt de indruk bijzonder benieuwd te zijn naar die virtuele toestand.

Het meest voorkomende woord in de bundel is ‘wens’. Het verlangen naar verruiming van de geest komt tot uitdrukking in samenstellingen als ‘wenstaal’, ‘wenslied’, ‘wenskracht’ en ‘wensstof’, om te culmineren in een ‘eindwens’: ‘niet willen weten’. Wie kennis wil opheffen, zou ook moeten ophouden met spreken. Met een variant op de Prediker zegt Polet dan ook: ‘wie woorden vermeerdert, vermeerdert smart’. Toch laat de taal zich niet tot zwijgen brengen. Het doen verdwijnen van de woorden kan blijkbaar alleen in poëzie plaatsvinden.

Expliciet verwoordt de dichter zijn megalomane poëtica in Trampolinepoëzie:

Van tatata tot totale taal.

En dit herhaald en herhaald.

Deze radicaal nieuwe ‘wenstaal’ zet zich af tegen ‘knekeltaal en krekeltaal’. Dit impliceert een verwerping van alles wat mooi en evenwichtig is: ‘Alle vernieuwing komt voort uit onevenwichtige taalsituaties.’ De dichter is als God die de werkelijkheid schept door te spreken, maar hij gaat in zekere zin nog een stap verder: ‘Dichten na de dood van het Woord.// In den beginne is het na-Woord./ Taal/ van nieuwe singulariteiten/ in de naam van de na-mens’. Deze nieuwe mens is geen nietzscheaanse Übermensch, maar een ‘onzichtbare kwantum-Adam,/ alom aanwezig/ in het tweelicht van onze luchtconstructies’. Zijn virtuele aanwezigheid raakt aan het scheppende Niets, dat zich ‘net als jij’ tegen zichzelf verzet, ‘dus is’. Dat is een duizelingwekkend project, en misschien is het ook wel onzin, maar de totale inzet waarmee Polet nog steeds naar vernieuwing zoekt, vind ik imposant en, ja, diep ontroerend.