Wie wordt de nieuwe dichter des vaderlands?

ERIK SOLVANGER
SLIJP HET STERNUM
De Bezige Bij, 72 blz., € 17,50

ANDREA VOIGT
SERVEER DE MAKRELEN
De Geus, 64 blz., € 15,-

Toen Gerrit Komrij bij de eeuwwisseling werd aangesteld als eerste Dichter des Vaderlands ging hij hard aan de slag. Hij schreef gedichten bij koninklijk overlijden, huwelijk en geboorte. Die vingen veel wind. In de luwte daarvan ontstond een Poëzieclub, met tijdschrift Awater, en een poëziereeks. In die Sandwichreeks werden sinds 2002 vergeten dichters en debutanten gepresenteerd, in een zorgvuldig vormgegeven boekje. Zo dolf Komrij onder anderen de ‘drekpoëten’ en O.C.F. Hoffham onder het stof vandaan, en liet hij ons kennismaken met nieuwelingen als Bas Belleman, Abdelkader Benali, Willem Thies, Hélène Gelèns en Erik Solvanger. Sindsdien is er vrijwel jaarlijks een ‘Sandwich’ onder de genomineerden voor de Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut; Thies mocht zich zelfs winnaar noemen.
Een gedenkwaardige reeks, dus, waarvan het merendeel van de debutanten inmiddels bij grotere uitgeverijen onderdak heeft gevonden. Onder wie Erik Solvanger. Eenvoudig schedellichten was de intrigerende titel van zijn debuut, de opvolger Slijp het sternum verscheen onlangs bij De Bezige Bij. Terzijde, een woordenboek bij de hand tijdens lezing verdient aanbeveling: Solvanger is behalve dichter ook arts en dat laat zich onder meer aflezen aan het woordgebruik. ‘Sternum’ = borstbeen.
Slijp het sternum is een heftige bundel. Het is bloederig wat we voorgeschoteld krijgen; dieren, mensen, ledematen en ingewanden zijn afgehakt, weggerot of opgevreten. Beelden doemen op die doen denken aan het gruwelijkste van wat we ooit aan oorlogsgeweld uit Afrika zagen. Dat overrompelt.
Solvanger schrijft vrijwel uitsluitend titelloze gedichten van acht tot tien regels, met steeds tweeregelige strofes. Zijn staccato ritme maakt dat je niet zozeer meegesleept wordt als wel dat zijn woorden en de daaraan verbonden beelden in je kop gehamerd worden, meteen al in de openingsreeks Risus sardonicus. Zelfs al lijkt het verband tussen regels en strofes soms surreëel, duidelijk is meteen dat Solvanger geen alledaagse gedichten schrijft.
De tweede reeks is prozaïscher dan de rest van deze bundel. Een beeld, anekdote of situatie wordt uitgewerkt, en we lezen een wurgend gedicht als

Het is volgens wetten zo dat zij die zelfmoord plegen alsnog
worden onthoofd. Anders zal groot onheil over ons dalen.

De kinderen slepen het lijk op een van de rotsen voor de kust, de
oudste hakt het hoofd af met een vlegel, werpt het tussen de
zwarte krabben in zee.

Terwijl de oude mannen aan de kant toekijken, klinkt het gejoel
van de kinderen over het strand. Altijd is er wel één die zijn
evenwicht verliest, tussen het drijvende hoofd en de zwarte
krabben met een plons in zee duikelt.

Bij het zien van te veel ellende en bloed treedt altijd ergens een punt van verzadiging op; dat is ook in Slijp het sternum het geval. Solvanger houdt gelukkig oog voor absurditeit, ergens wordt dagenlang ‘het gesprek met machines’ voortgezet of wordt een ommetje gemaakt met een aangelijnd brein; ook wordt de lezer hier en daar met een lieflijke opening aangenaam op het verkeerde been gezet. Maar op zeker moment was ik murw, het afschrikwekkende kon niet nog verder overtroffen worden. Gelukkig gunt de slotreeks even rust, in toon vooral, luguber blijft het. ‘Dag versgesloten woedewond, dag/ spraakwaterval, dag speekselvloed.’
Hoe anders is dat bij Andrea Voigt, van wie ook een tweede bundel verscheen, al debuteerde zij weliswaar niet in de Sandwichreeks. Haar gedragen klinkende De tempel van Saturnus verscheen bij De Geus, nu is er Serveer de makrelen, een titel met een heel andere toon dan zijn voorganger, en – dat heeft deze bundel wel met die van Solvanger gemeen – waarin maar meteen een bevel gegeven wordt. De bundel opent sterk:

Even later zou er drama zijn, maar nu eerst zakelijk:
het universum is niet gemaakt met mij in het achterhoofd

We vallen meteen met de deur in huis, worden nieuwsgierig gemaakt naar een drama, maar Voigt houdt ons bij de les, met een nuchtere constatering die ook iets geestigs heeft. Er zijn meer van dat soort momenten in deze bundel. Dit bijvoorbeeld, ingezet met een loom, onheilspellend beeld: ‘het vale licht als lijm tegen de muur/ afwezige zielen liggen in huis/ verkleefd in hun slaap’. Wat dan onderkoeld wordt gevolgd door

slivovitsj met haring was een keuze

Ondanks sterke regels en strofes valt mij deze tweede bundel van Andrea Voigt wat tegen. De gedichten in Serveer de makrelen zijn af, misschien iets te af. Het spel met verschillende toonsoorten, met ingehouden spanning wordt helaas in andere gedichten minder gespeeld. Vaak zijn de woorden netjes op hun plaats gezet en lezen we rustig over een gevoel van vervreemding, het besef van eindigheid, liefde. Soms weet Voigt je met een treffend beeld, een onverwacht directe verwijzing naar een collega-dichter of een boeiende opsomming wel weer even te verrassen, maar het is niet dwingend genoeg.
Makreel is gezond, zo weet inmiddels iedereen. Hoe we de vis het best kunnen eten, lezen wij in het slotgedicht De wereld van makreel, dat met een (veel gebezigde) allusie op Gertrude Steins ‘a rose is a rose’ eveneens te lezen is als kleine poëtica, maar dat in smakelijkheid ver achterblijft bij bijvoorbeeld de gedichten van Marjoleine de Vos.

Er gaan geruchten dat in de Sandwichreeks het laatste deel verschenen is. In januari kunnen we een volgende Dichter des Vaderlands verwachten. Wellicht komt die weer met nieuwe sprankelende plannen.