De invloed van verkiezingsdebatten

Wie zegt dat de tafel vierkant is?

Verkiezingsdebatten zijn in Nederland ontaard in een partijtje vrij worstelen. Dat is zonde. In het buitenland blijken informatieve maar saai ogende discussies juist miljoenen kijkers te kunnen trekken.

Minstens zeven televisiedebatten zullen er in de drie weken tot de verkiezingen van 12 september worden gehouden. Dat zijn er erg veel, ook in internationaal opzicht. Die traditie gaat ook langer terug dan in veel andere landen. In het Verenigd Koninkrijk werd pas in 2010 voor het eerst een televisiedebat gehouden tussen de politieke leiders van de drie grootste partijen. In Frankrijk vond de eerste discussie tussen presidentskandidaten in 1974 plaats, terwijl in Duitsland sinds 1969 debatten gevoerd worden.

Het oudste presidentiële televisiedebat is het debat tussen de presidentskandidaten Richard Nixon en John Kennedy. In een tijdsperiode van een aantal weken discussieerden beide kandidaten in 1960 vier keer. Daarna vonden er echter gedurende zestien jaar geen debatten meer plaats bij de presidentsverkiezingen.

Het Amerikaanse debat uit 1960 inspireerde _Elsevier-_journalist Ferry Hoogendijk. Onder zijn leiding vonden in 1963 de eerste debatten in Nederland plaats, waaronder een ongekend felle discussie tussen Bouke Roolvink (arp-­lijsttrekker en minister van Sociale Zaken) en boer Koekoek van de Boerenpartij. Roolvink had zich grondig voorbereid voor dit legendarische debat. Met veel paperassen nam hij plaats in de studio. Koekoek was een van de eerste populisten in Nederland die het medium televisie optimaal wist te gebruiken. Hij laakte de gevestigde partijen en de Haagse ambtenarij en ontkende in korte zinnen simpelweg en glashard alles wat Roolvink op basis van zijn papieren stelde. Hoogendijk herinnert zich dat Roolvink na verloop van tijd wanhopig uitriep: ‘Meneer Koekoek, u ontkent alles, maar deze tafel is toch vierkant waar we aan zitten.’ Tot groot plezier van de zaal antwoordde Koekoek: ‘Wie zegt dat?’ Het optreden van Koekoek bracht de Boerenpartij met drie zetels in de Kamer.

Nederlandse media hebben van begin af aan geworsteld met de vraag hoe een debat vorm gegeven moet worden. Bij een debat met twee deelnemers is dat geen probleem, dan kan het Amerikaanse voorbeeld worden gevolgd. Bij deze debatformule is de debatleider verantwoordelijk voor de kwaliteit van het debat, maar stelt zich terughoudend op. De journalist – soms zijn het er ook twee of drie – geeft de sprekers het woord, houdt de tijd in de gaten en stelt indien nodig een directe vraag. Dat moet bijdragen aan een inhoudelijke confrontatie tussen de politici; suggestieve of sturende vragen zijn uit den boze.

Het was op deze wijze dat de gemoedelijke Kamervoorzitter Frans-Josef van Thiel in 1977 het debat tussen Hans Wiegel en Joop den Uyl leidde, en Avro-journalist Jaap van Meekeren gaf op vergelijkbare wijze leiding aan het slotdebat in 1981. Bij dit debat was zelfs een notaris ingehuurd om een eerlijke verdeling van de tijd te garanderen. In een dergelijke opzet komt de journalist slechts in beperkte mate aan het woord. In 1981 ging het om veertien procent van de tijd. In de jaren daarna is dat steeds meer geworden. Tegenwoordig zijn de presentatoren vaak dertig procent of meer van de tijd aan het woord – ten koste van de politici.

De publieke en commerciële omroepen maken zich ondertussen voortdurend zorgen over de kijkcijfers van de debatten met veel deelnemers. Een van de betere oplossingen die de Nederlandse televisie gevonden heeft voor een debat met vijf of zes gasten is het houden van korte debatten tussen twee lijsttrekkers. De andere deelnemers mogen daarna hun mening geven.

Desondanks blijven de programmamakers bang dat de kijkers een debat saai vinden en wegzappen als een lijsttrekker te lang aan het woord is. Een van de gevolgen is dat het debat waarbij het publiek vragen mag stellen, de _town hall-_formule, nooit echt ingeburgerd raakt. rtl probeerde het wel in 1998, maar ging er niet mee door. Dat is jammer, want uit Amerikaans onderzoek blijkt dat dit de meest inhoudelijke debatten zijn. De kijkers hebben er het meest aan bij het bepalen van hun stemkeuze. Maar in de ogen van de producenten levert het geen onderhoudende en spannende televisie op.

Nederlandse journalisten willen een levendig debat. Ze zijn ervan overtuigd dat dat niet bereikt wordt door de lijsttrekkers hun stellingen te laten verdedigen, maar door de vraagstelling van de journalisten. In 1998 stelde Paul Witteman, die met Ferry Mingelen het slotdebat leidde, na afloop van de verkiezingen: ‘Voor veel mensen is de televisie de enige nieuwsbron. Dan moet het niet alleen een goed debat zijn, maar ook spannende televisie opleveren. Anders zappen ze meteen door (…). Om die reden mag er worden gelachen en daarom ook heeft eind­redacteur Lars Andersson Carré als locatie uitgekozen.’

In dat jaar werden enkele elementen in de Nederlandse debatcultuur geïntroduceerd die daarna niet meer zouden verdwijnen. Niet alleen werden de debatten niet meer in de studio gehouden zonder publiek, zoals in de jaren zeventig en tachtig nog normaal was. Het publiek bestond bovendien voor een groot deel uit partijleden. Elke deelnemende partij mocht zo’n vijftig aanhangers meenemen. Aanvankelijk waren dat serieuze toeschouwers, maar in de loop van de tijd zijn dat in partijkleuren uitgedoste, goed uitziende jongeren geworden. In 1998 werd bij aanvang gemeld dat ze wel bijval of afkeuring mochten laten blijken, maar dat ze niet bij elke oneliner moesten stampvoeten en joelen. Dat was niet aan dovemansoren gericht. Het debat werd liefst 142 keer onderbroken door uitbundig gelach of applaus. Zeker als het ging om het inspelen op het publiek en het uitlokken van applaus speelden Witteman en Mingelen zelf de hoofdrol. Maar liefst veertig percent van het gelach werd uitgelokt door hun opmerkingen. Zo richtte Paul Witteman zich met de volgende openingszin tot de vvd-lijsttrekker: ‘Meneer Bolkestein, de laatste dagen vallen de peilingen wat tegen, is dat de reden dat uw partij-avond in Madurodam wordt gehouden?’

Kwinkslagen en humoristisch bedoelde opmerkingen van de journalisten die het debat leiden, zijn sindsdien volstrekt normaal. Om nog enkele openingszinnen uit een later slotdebat te citeren: ‘Meneer Balkenende, stel dat u morgen na de uitslag virtueel al geen premier meer bent en dat later ook niet meer bent, wie zult u het meest missen, Katja of Bridget?’ En: ‘Mevrouw Halsema, het hele land doorgetrokken op campagne. Werd u niet doodziek van al die opmerkingen over het uiterlijk van Wouter Bos?’

Het dieptepunt in het streven van programmamakers om het debat vooral ontspannen en leuk te houden werd in 2002 bereikt toen rtl een debat organiseerde in de pauze van de Soundmix Show van Henny Huisman. Regelmatig onderbroken door reclameblokken en oproepen van Huisman om voor een van de kandidaten van zijn show te stemmen, kregen de lijsttrekkers ook wat tijd om te debatteren en mee te doen aan quiz-achtige spelletjes.

De politici lieten het lijdzaam over zich heen komen. Alleen Pim Fortuyn protesteerde tegen de kinderachtige kennisvragen en beet Loretta Schrijver toe: ‘Weet u, ik heb de lagere school zo verschrikkelijk gevonden, ik wil het niet overdoen.’

In Frankrijk of de Verenigde Staten is het volstrekt ondenkbaar dat leidende politici zich lenen voor een pauze-act in een amusementsshow. De keuze van de Nederlandse media om het debat met zoveel entertainment-elementen op te leuken is dan ook opmerkelijk. De voor Nederlanders saai ogende debatten in de VS zijn kijkcijferkanonnen. Naar het eerste debat tussen Obama en McCain keken in 2008 63 miljoen Amerikanen. Het debat tussen de kandidaten voor het vice-presidentschap, Sarah Palin en Joe Biden, haalde zelfs zeventig miljoen kijkers. Ook het degelijke, drie uur durende Franse presidentsdebat trok in mei een kleine achttien miljoen kijkers. De Nederlandse debatten, met meestal anderhalf tot tweeënhalf miljoen kijkers, steken daar schril bij af.

Sinds het mislukte _Soundmix-_debat kiezen de programmakers weer voor een serieuzere benadering. Dat leidt echter niet tot een meer bescheiden rol van de debatleiders. Het interrumperen van politici als ze onvoldoende in oneliners antwoorden, is normaal geworden. Ton Elias nam als journalist en debatleider in 1994 tachtig percent van de 141 interrupties voor zijn rekening. Geen politicus kon meer dan twee zinnen formuleren of hij werd onder­broken door Elias. In recente debatten vinden we dat patroon terug. De debatleiders interrumperen niet alleen aan de lopende band, hun interventies zijn vaak inhoudelijk en hebben een sturend of suggestief karakter.

Mariëlle Tweebeeke gedroeg zich in het Carré-debat van 2010 niet als een debatleider, maar stelde elke lijsttrekkers drie lastige vragen, alsof ze bij haar als enige gast in de studio zaten. ChristenUnie-lijsttrekker André Rouvoet werd op deze wijze het vuur aan de schenen gelegd:

Tweebeeke (lachend): ‘U was bij de start van Balkenende IV razend enthousiast over de honderd-dagentour. Zou u dat nu weer zijn?’

Tweebeeke (onderbreekt Rouvoet na twee zinnen): ‘Dus het kan wat korter nu?’

Tweebeeke (onderbreek na een halve zin): ‘50 dagen?’

Tweebeeke (nadat Rouvoet zijn zin heeft afgemaakt): ‘Dus met terugwerkende kracht was het niet zo’n goed idee.’

Waarna Rouvoet nog net de tijd kreeg deze suggestie te ontkennen. Wat de kiezers in 2010 hebben gehad aan het oprakelen van deze episode uit 2006 blijft bij dit alles een raadsel.

In 2002 lieten de lijsttrekkers zich nog alles welgevallen. In 2010 zagen we een ander beeld oprijzen. Door schade en schande wijs geworden weten de politici inmiddels dat ze niet alleen naar elkaar toe assertief moeten zijn. De debatleider wordt net zo hard en scherp bestreden als de politieke concurrentie. Daarmee zijn de debatleiders hun gezag kwijt. Het debat ontaardt in een partijtje vrij worstelen tussen de politici onderling en tussen de politici en de journalisten.

Het leidt in sommige gevallen tot een totale chaos. Het premiersdebat van rtl in 2010 telde maar liefst 206 interrupties. Debatleider Frits Wester had de grootste moeite de regie te houden. Doorlopend riep hij de politici op om elkaar te laten uitpraten en naar elkaar te luisteren, maar ze trokken zich er weinig van aan. Tekenend is het volgende moddergevecht, dat ontstond nadat Mark Rutte stelde dat een stem op de pvv een weggegooide stem was:

Wilders (Rutte onderbrekend): ‘Nee, nee…’ (applaus en gejoel)

Rutte: ‘U gaat dan eigenlijk niet regeren.’

Wilders: ‘Nee, een stem op de pvv…

Rutte (door Wilders heen): ‘U heeft uzelf… Meneer Wilders, mag ik even afmaken…’

Wilders (door Rutte heen): ‘Een stem, een stem, een stem op de pvv, een stem op de pvv…

Rutte: ‘U heeft uzelf daarmee buiten het speelveld gezet.’

Wilders: ‘Absoluut niet.’

Wester: ‘Eén, één tegelijkertijd, meneer Wilders.’

Wilders: ‘Een stem op de pvv is een stem op een goed financieel economisch beleid (Rutte lacht schamper) en dat betekent dat als het niet nodig is om de aow-leeftijd te verhogen…’

Rutte (tussendoor): ‘Nee, nee, echt niet.’

Wilders: ‘… als het niet nodig is om de aow-leeftijd te verhogen, dat we het ook niet doen. En we zullen als wij geroepen zijn om te regeren…’

Rutte (onderbrekend): ‘Meneer Wilders…’

Wilders: ‘… of om gedoogsteun te geven en we gaan dolgraag regeren…’

Rutte (onderbrekend): ‘Meneer Wilders…’

Wilders: ‘… en wij met alternatieven komen, die u kunnen overtuigen…’

Rutte: ‘Meneer Wilders.’

Wester: ‘Hoho, wacht even.’

Wilders: ‘… die u kunnen overtuigen en anderen ook, die veel beter zijn dan het verhogen van de aow-leeftijd…’

Rutte: ‘U gaat…’

Wilders: ‘… en ook veel eerlijker.’ (applaus en gejoel)

Wester: ‘Ik ga… ik ga eerst naar meneer Cohen, dan naar meneer Balkenende en dan komt u straks.’

Rutte en vooral Wilders trekken zich niets aan van de interventies van Wester.

Het slotdebat bij de nos verliep iets meer gestructureerd, maar ook daar riep Mingelen op een bepaald moment naar Wilders: ‘Meneer Wilders, als u de leiding van dit debat had willen hebben, had u bij de nos moeten solliciteren.’

In 2010 vormde het premiersdebat bij rtl in zekere zin het Waterloo van Job Cohen. Hij bleek niet opgewassen tegen het verbale geweld van Geert Wilders en Mark Rutte. Zeker in een discussie die door de journalisten niet goed in de hand wordt gehouden, is een lijsttrekker die weinig ad rem is een dankbaar slachtoffer. Maar belangrijker is eigenlijk de vraag of dit nou het ‘spannende’ debat is waar de kijker op zit te wachten. En wat heeft hij of zij eraan in het stemhokje?

Ongeacht of debatten kwalitatief goed of slecht zijn, ze kunnen wel effect hebben. Het belang van het slotdebat wordt echter overschat. Aan de vooravond van de verkiezingen kunnen de media het niet laten. Enthousiast melden ze dat twintig of misschien wel dertig procent van de kiezers nog niet weet op welke partij ze gaan stemmen. Er zouden dus nog dertig zetels te winnen zijn in het laatste debat. Een behoorlijk vertekend beeld. De grote groep kiezers die ­bijvoorbeeld twijfelt tussen sp en de pvda zal geen vvd stemmen, ook niet als Rutte het debat zou winnen. Een goed presterende lijsttrekker kan enkele zetels winnen, maar daar blijft het bij.

Dat effect kan belangrijk zijn, ­bijvoorbeeld in de strijd om de eerste plaats. Maar de effecten van een debat aan het begin van de ­campagne zijn vaak veel doorslaggevender. Het ­positieve of negatieve beeld van een ­lijsttrekker dat dan ­ontstaat, kan de campagne sterk ­beïnvloeden. Opvallende fragmenten van een debat aan het begin van de campagne worden vaak oneindig herhaald en bereiken daarmee veel kiezers. In 2003 werd Wouter Bos tot de winnaar van het openingsdebat bij rtl ­uitgeroepen en Gerrit Zalm tot verliezer. Na het debat begon de pvda snel te stijgen in de peilingen, terwijl de vvd/Zalm een uiterst moeizame campagne voerde en nauwelijks zetels won, ondanks het grote verlies van de lpf. Ook uit veel Amerikaanse ­onderzoeken komt naar voren dat vooral het eerste debat in de campagne invloed heeft op de meningsvorming van veel kiezers.

Debatten mogen in Nederland steeds vaker ontaarden, dat betekent niet dat ze geen waardevol en essentieel onderdeel van een campagne kunnen zijn. Maar daarvoor is het wel nodig duidelijke afspraken te maken, zoals in de VS en andere landen gebeurt. Politici mogen elkaar daar niet of nauwelijks interrumperen. De debatleiders stellen zich bovendien zeer terughoudend op.

In Nederland hebben debatten zich in plaats daarvan ontwikkeld tot een show waarbij de debatleiders de eerste viool willen spelen. Soms mislukt dat. Dan krijgen de kijkers een chaotisch debat te zien. Af en toe lukt het wel. Dan zijn de presentatoren de sterren van het spektakel. Maar ook dat gaat ten koste van de lijsttrekkers, om wie het toch zou moeten gaan. In beide gevallen zijn de debatten veel minder informatief dan mogelijk is.


Annemarie Walter is als u_niversitair docent verbonden aan de afdeling communicatie­wetenschap van de Vrije Universiteit van Amsterdam_. Philip van Praag is universitair hoofddocent bij de afdeling politicologie van de Universiteit van Amsterdam