Wie zegt het?

In haar kleine novelle De ambassade van Cambodja voert Zadie Smith Fatou ten tonele: een migrant uit Ivoorkust die in het Londense Willesden is terechtgekomen en daar bij de Pakistaanse familie Derawal te werk is gesteld als schoonmaakster.

Op een ochtend leest ze een krantenartikel over een Soedanese vrouw die door een rijke Londenaar als slavin in huis wordt gehouden. Fatou vraagt zich zo nu en dan af of de Derawals haar niet ook als een soort slaaf behandelen, maar het artikel sterkt haar in de overtuiging dat dit niet het geval is. De Soedanese vrouw spreekt en leest bijvoorbeeld geen Engels, Fatou wel. Fatou wordt niet zwaar mishandeld zoals de vrouw uit het artikel – slechts uitgescholden en zo af en toe met vlakke hand in het gezicht geslagen. Maar het doorslaggevende verschil, vindt Fatou, is dat zij strikt genomen niet gevangen wordt gehouden. Ze gaat de deur uit om boodschappen te doen voor de familie, op zondag gaat ze naar de kerk, op maandag stiekem naar het zwembad: ‘Dus nee, al met al beschouwde ze zichzelf zeker niet als een slavin.’

Je zou kunnen concluderen dat Fatou een personage is dat niet bij de pakken neerzit. Een sterk maar buigzaam type, altijd bereid het beste van haar situatie te maken. Je zou je daarnaast een aantal dingen kunnen afvragen over de definitie van moderne slavernij. Fatou heeft haar paspoort moeten afgeven op het moment dat ze bij de Derawals in dienst kwam. Ze moet een deel van haar salaris afstaan voor het kamertje waar ze overnacht. Omdat ze geen geld te besteden heeft, komt ze maar sporadisch de deur uit en kent ze buiten een vaste medekerkganger niemand in Londen. Ze kan niet bij internet, heeft geen telefoon.

Op de keper beschouwd is Fatou misschien geen slavin, maar dat maakt haar bestaan in de uiterste marges van de maatschappij er niet minder angstwekkend om. Ze is buitengesloten van elke vorm van macht, en hoewel ze kan lezen en schrijven is ze in vrijwel ieder opzicht volledig monddood gemaakt.

Zelfs haar eigen verhaal wordt verteld door een ander, een collectief ‘wij uit Willesden’, dat later uit slechts één vrouw blijkt te bestaan die zichzelf heeft aangewezen als representant. Deze vrouw (staand in een peignoir op een balkon met uitzicht over de wijk) voelt zich de aangewezen persoon om Fatou’s verhaal te vertellen, maar is zich tegelijk bewust van de problematiek die zo’n toe-eigening met zich meebrengt. Ze kan wel zeggen dat ze recht van spreken heeft omdat ze is geboren ‘op het raakpunt van Willesden, Killburn en Queen’s Park’ maar ze weet dat geografische geworteldheid er niet erg veel toe doet. Ze kan wel zeggen dat ze voor een gemeenschap spreekt, maar ze weet dat er van een integrale gemeenschap helemaal geen sprake is.

Wie is Zadie Smith eigenlijk in verhouding tot haar personages?

Dit probleem van toe-eigening, van wie spreekt, wie niet, en waarom de kaarten zijn verdeeld zoals ze zijn verdeeld, vormt de kern van dit compacte, complexe verhaal. Door de vertelinstantie te problematiseren, werpt Smith bovendien een licht op haar eigen, mogelijk problematische rol als de schrijver ervan. Wie is zij eigenlijk in verhouding tot haar personages, en doet het ertoe dat haar geboorteplaats nagenoeg dezelfde coördinaten heeft als die van de vertelster?

Ik herlas dit verhaal nadat mij afgelopen week de speech van Lionel Shriver onder ogen was gekomen die ze hield ter gelegenheid van het Brisbane Writers Festival. Die speech, inmiddels wereldwijd veel gelezen en bediscussieerd, ging over culturele appropriatie. Shriver maakt zich druk over de groeiende olievlek van politieke correctheid die zij waarneemt, en die schrijvers zou beletten vanuit andere (culturele/raciale) perspectieven te schrijven dan dat van henzelf. Ze is boos omdat ze kritiek kreeg op de manier waarop ze in haar laatste roman een zwarte vrouw portretteerde. Verder is ze van mening dat mislukte pogingen er nu eenmaal bij horen: ‘Rather than having our heads taken off, we should get a few points for trying.’ Fictie schrijven is verbeeldingskracht aanboren, concludeert ze. Als dat niet meer mag is haar beroep ten dode opgeschreven.

De speech zorgde onmiddellijk voor controverse. En terecht: het is een kortzichtig, dom, kwalijk staaltje geklaag over een onbestaand probleem.

Blanke, geprivilegieerde schrijvers die worden bedreigd in de uitoefening van hun vak omdat men zo af en toe zijn vraagtekens plaatst bij de manier waarop ze hun verhaal vertellen? Omdat er langzaam maar zeker een iets diverser geluid begint te klinken en de kritiek niet meer uitsluitend archaïsche maatstaven hanteert voor het beoordelen van literatuur?

Shriver heeft blijkbaar een wereld voor ogen waarin schrijvers alles kritiekloos mogen opschrijven, beschermd door een heilig aureool van verbeeldingskracht dat alle discussie over politieke en ethische dimensies van literatuur tenietdoet. Nee, geef mij dan maar een schrijver als Zadie Smith, die weet dat verbeeldingskracht méér inhoudt dan een poging wagen. Dat een schrijver bij uitstek de verantwoordelijkheid heeft haar woorden zorgvuldig te kiezen. Dat het ertoe doet wie wat zegt en waarom.