Wie zet Treblinka recht

ERIK JAN HARMENS (SAMENST.)
IK BEN EEN BIJL: NIEUWE DICHTERS UIT DE JAREN NUL
Nijgh & Van Ditmar, 144 blz., € 17,50

De hitte is haast ondraaglijk

We schakelen over naar de jongen die moegestreden
in een greppel ligt. Zal het hem lukken op te staan
als hij ons aan ziet komen met slechts één brandende vraag
op onze lippen, zal het zo makkelijk gaan?

Tot nu toe aten wij aldoor gebalanceerd, gezond zelfs,
gingen op tijd naar bed. Stel je voor dat wij hem
zover krijgen een laatste heldendaad te verrichten –
het geluid wordt opgeschroefd als wij hem naderen

en hij het meisje eindelijk zoent, zijn ogen gesloten,
in de verlaten kruidenierszaak van haar vader.
Hij liep de school uit door een lange laan met bomen,
langs het veld waar wij hem vonden en wachten op een vervolg.

Alfred Schaffer
Aan de discussie over straatrumoer in de hedendaagse literatuur heeft nu ook dichter Erik Jan Harmens een bijdrage geleverd. Hij publiceerde in Trouw een ‘Manifest voor een riskante literatuur’, een lijst met tien geboden tegen vrijblijvendheid in de literatuur. Die zou zich moeten verhouden tot thema’s als globalisering, religieuze spanningen, ecologische rampspoed en ander onheil van deze ‘bijzonder gevaarlijke tijden’. Mede-ondertekenaar van het in klare taal gestelde pamflet is Ilja Leonard Pfeijffer. Of hij ook mede-opsteller was, vraag ik me af. De eisen waaraan volgens dit manifest de literatuur zou moeten voldoen, lijken een uittreksel van de inleiding die Harmens schreef bij zijn vorige week verschenen bloemlezing Ik ben een bijl: Nieuwe dichters uit de jaren nul, met dit verschil dat het pamflet zich richt op de gehele literatuur, terwijl Harmens zich in zijn anthologie beperkt tot de poëzie. Christiaan Weijts leek afgelopen week in De Groene overtuigd van de ironie van het manifest; het zou kunnen dat Pfeijffer zijn zoveelste retorische masker op heeft gezet. Anderzijds heeft hij zich meer dan eens, bijvoorbeeld in De Revisor (½, 2007), uitgelaten over de ‘zelfgenoegzaamheid’ van de Nederlandse poëzie: ‘Met de vanzelfsprekende middelmatigheid dragen de jonge dichters hun steentje bij aan de poëzie. Niemand die er eens een steen dwars doorheen wil smijten.’
Dat Pfeijffer zijn handtekening onder het manifest heeft gezet is daarom zo opvallend omdat het een bloemlezing begeleidt waarin Harmens juist de ‘jonge honden’ presenteert, dichters die afgelopen decennium debuteerden.
Het is Harmens ernst. Zijn inleiding laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Hij ‘wil’ een heleboel. Zo moet de moord op Pim Fortuyn, die op Theo van Gogh, de ‘hartproblemen van de directeuren van Fortis, de brandende banlieues van Parijs’ allemaal verwoord worden in poëzie. Ik geloof dat Harmens in ieder geval voor een aantal van bovengenoemde onderwerpen reeds lang op zijn wenken is bediend, denk alleen al aan Komrij’s geruchtmakende De zittende politicus, naar aanleiding van de moord op Fortuyn.
Enkele andere punten: ‘Ik wil niet dat we ons in het literair café vermeien met alliteraties en enjambementen terwijl buiten de sociëteit een oorlog wordt uitgevochten.’ En: ‘Ik wil poëzie die in opdracht wordt geschreven en vervolgens wordt geweigerd omdat de tekst de opdrachtgever of doelgroep te veel overrompelt.’ Doelt Harmens hier misschien op een eigen gedicht? Een gedicht in opdracht geschreven en geweigerd voor de nieuwjaarsreceptie van Cohen?
Hij klinkt wat als een dreinend kind, met steeds maar weer ‘ik wil, ik wil’, en het mag allemaal nogal boud gesteld zijn, nieuw is het niet. Eens in de zoveel tijd klinkt, ook in de poëzie, de roep om meer betrokkenheid, om engagement, om straatrumoer, gevaar of hoe je het wilt noemen. Een knuppel in het hoenderhok kan prikkelende discussies opleveren, het is prima om het zo nu en dan over poëtische uitgangspunten te hebben of tendensen te signaleren. Met veel van wat Harmens zegt kun je het eens zijn. Wie leest er wél graag slechte poëzie? Wie juicht het toe dat meer mensen poëzie schrijven dan er poëzie gelezen wordt?
Pfeijffer noemde in De Revisor het werk van Hans Verhagen, Tonnus Oosterhoff en Alfred Schaffer als voorbeeld van ‘gevaarlijke’ poëzie. Welke dichters, die na 1998 debuteerden, schrijven volgens Harmens poëzie die ‘klaarblijkelijk geschreven moest’, die ‘op een gloeiende plaat tsssschhh’ zegt? Aan de hand van welke gedichten wil Erik Jan Harmens in Ik ben een bijl zijn eisen illustreren? Met Peter Holvoet-Hanssen, Bas Belleman, Saskia de Jong, Hagar Peeters, Ilja Leonard Pfeijffer, Mustafa Stitou, Alfred Schaffer en andere, lang gecanoniseerde dichters. Er staan een paar voorspelbare gedichten in, Peeters’ Jeremiade voor het avondland bijvoorbeeld. Geen gedicht dat door de ziel snijdt, wel over deze tijd. Menno Wigmans terecht klassiek geworden Grauzone staat erin, met de regels: ‘Als deze liefdeloze eeuw heeft afgedaan,/ vertel me dan, wie krijgt de grootste bek,/ wie trekt het eerst zijn mes en maait/ zijn angsten weg? Wie vliegt de spiegel aan?/ Wie zet Treblinka recht?’
Van Maria Barnas zijn twee goede gedichten opgenomen, maar niet haar meest urgente, zo ook van Mark Boog. Minder bekend zijn misschien Laura Demelza Bosma, Ruth van Rossum, Lieke Marsman en Lammert Voos. Maar veel van de onbekendere gedichten slagen er niet in mij van een noodzaak te overtuigen, het is eerder Pfeijffer die twee jaar na dato in zijn gelijk bevestigd wordt. Zijn dit ‘de beste dichters van dit moment, met hun beste gedichten’? Nee, met deze selectie maakt Harmens weinig aannemelijk dat de jonge generatie de maatschappij in haar poëzie omarmt. Het merendeel van de dichters uit Ik ben een bijl heeft een dergelijke bloemlezing helemaal niet nodig, die zijn reeds lang bij een groter publiek bekend, lieten eerder (en soms beter) hun betrokkenheid zien. Voor een introductie van wat er in de afgelopen tien jaar verscheen, is de bloemlezing erg beperkt: waar zijn Jan-Willem Anker, Thomas Möhlmann, Hélène Gelèns, Victor Schiferli, om enkele interessante debutanten te noemen?
Rest het manifest. Is het dergelijke power-taal waarom we verlegen zitten in roerige tijden als deze, waarin iedereen alles al roept en vooral vindt dat alles geroepen mag worden? Is een beetje minder schreeuwerig en ietsje meer doordacht niet meer op zijn plaats? De ware geëngageerde schrijver laat zich niet meevoeren op de stromen van het populisme, Harmens praat in dezelfde taal als waartegen hij wil strijden. Van de dichters uit Ik ben een bijl laat Ramsey Nasr misschien het meest zien hoe de poëzie een serieuze positie kan innemen in het hedendaagse debat. Hij schept in zijn amodieus lange en daardoor gewaagde gedichten een werkelijkheid die de ‘echte wereld’ in een scherper licht plaatst. Hij laat je nadenken over dingen waar je soms liever niet over nadenkt. Met poëzie, niet met holle frasen.