Wie zijn de anderen, en wie zijn wij?

Het werk van Natalia Ginzburg beleeft niet voor niets een herwaardering. Ze verheft het hoogstpersoonlijke moeiteloos tot het universele. Met een onweerstaanbare helderheid.

We zijn in de Abruzzen en een bedrieglijk kalme stem vertelt ons dat het gebied maar twee seizoenen kent. De lente, nat en koud, is niet te onderscheiden van de winter. De herfst is slechts het zoete gemijmer waarmee de zomer afscheid neemt. Nu is het winter. De stem behoort toe aan een vreemdelinge, iemand die door een speling van het lot met haar man en kinderen in deze regio – waar de meeste mannen dit deel van het jaar afwezig zijn omdat ze elders de kost verdienen – tot een ballingschap is veroordeeld.

Ze kijkt een beetje meewarig maar ook geamuseerd naar de mensen om zich heen. Toen zij en haar gezin net waren gearriveerd leken alle vrouwen (jong, oud, arm, rijk) nog elkaars gelijkenis in zich te dragen, maar gaandeweg begonnen de mensen zich van elkaar te onderscheiden en verwarde ze Vincenzina niet langer met Secondina en hield ze opeens Annunziata en Addolerata uit elkaar. Haar toon is niet alleen die van een buitenstaander, het is ook de toon van iemand die achterop is geraakt op de weg die haar leven is ingeslagen.

Ze vertelt over het onbegrip van de lokale bevolking, die niet snapte dat ze in dat slechte weer met haar kinderen ging wandelen. En over het onbegrip van haar kinderen, die zich de stad uit het verleden niet kunnen herinneren en die, wanneer ze vertelde over de grote appartementen en warenhuizen, naar Girò’s levensmiddelenwinkel aan de overkant wezen en zeiden: maar hier hebben we toch ook winkels? Girò gaf nooit korting en de mensen noemden hem gemeen, vertelt ze. Maar op zulke moment beet hij van zich af en zei hij: ‘Mensen die niet gemeen zijn worden opgegeten door de honden.’

Na een paar pagina’s ontspoort er iets in het rustige landschap dat is geschetst. Tijdens de dooi braken de goten en overal regende het binnen pijpenstelen. Domenico Orecchia beweerde dat het een straf moest zijn voor een of andere zonde, vertelt ze, maar ze hecht zelf geen geloof aan die verklaring. Met de intrede van de dooi kwam ook een soort rusteloosheid terug. De gelijktijdige angst en hoop dat iemand hen zou vinden en er iets zou veranderen. De stem verzucht dat aan de ballingschap ooit een einde moest komen. ‘Er bestaat een zekere monotone gelijkvormigheid in het lot van de mensen. Ons bestaan ontrolt zich volgens oude en onveranderlijke wetten, volgens hun uniforme en oude cadans.’

Dat ritme wordt voortgebracht door de opeenvolging van hoop en teleurstelling en spijt waarin het leven zich voltrekt. En juist op het moment dat je haar wil toefluisteren: ‘ach kom, zo erg is het allemaal toch ook weer niet’, volgt de korte slotalinea:

‘Mijn man stierf in Rome in de gevangenis van Regina Coeli, een paar maanden nadat we het dorp hadden verlaten. Bij de verschrikking van zijn eenzame dood, bij de kwellende gedwongen keuzen die aan zijn dood voorafgingen, vraag ik me af of dit óns overkomen is, aan ons die sinaasappels kochten bij Girò en gingen wandelen in de sneeuw. Toen had ik nog vertrouwen in een gemakkelijke en blijde toekomst, rijk aan vervulde wensen, ervaringen en gezamenlijke ondernemingen. Maar dat was de beste tijd van mijn leven en pas nu, nu die me voor altijd ontsnapt is, pas nu weet ik het.’

De stem behoort toe aan Natalia Ginzburg en ‘Winter in de Abruzzen’ is het openingsessay van Le piccole virtù (1962). ‘De kleine deugden’ is nooit in het Nederlands vertaald maar enkele van de stukken kwamen wel terecht in een kleine bloemlezing uit dit en later werk die verscheen onder de titel Mensen om mee te praten (1990).

Er is een Ginzburg-revival gaande. In haar geboorteland werd een nieuwe biografie van Sandra Petrignani vorig jaar genomineerd voor de Premio Strega – de meest prestigieuze Italiaanse literatuurprijs – een gestage reeks boeken verscheen de afgelopen jaren opnieuw of voor het eerst in Engelse vertaling en in Nederland zette Meulenhoff dit jaar een voorzichtige eerste stap met een mooie heruitgave van Al onze gisterens. Waarin schuilt de aantrekkingskracht van Ginzburgs werk? En waarom wordt het juist nu opnieuw gewaardeerd? Rachel Cusk opende haar inleiding bij een nieuwe uitgave van The Little Virtues onlangs met de haast verbaasde constatering dat Ginzburgs stem tot ons komt ‘with absolute clarity amid the veils of time and language’.

Als adolescent denken we: hoe kunnen wij, die zo volwassen zijn en zulke serieuze levensvragen overpeinzen, zo blij worden van een ijsje?

Ginzburg werd geboren in 1916 in Palermo als Natalia Levi en ze groeide op in Turijn. Haar vader, hoogleraar in de anatomie, was joods, haar moeder alleen in naam katholiek. Natalia was een nakomertje in een gezin met vijf kinderen waarvan de een na jongste zeven jaar ouder was dan zijzelf. Het kleurde niet alleen haar eigen blik: ‘De volwassenen wisten alles en ik wist niets. Die sensatie heeft me nooit verlaten en het heeft blijvende invloed gehad op hoe mijn vertellers naar de wereld kijken.’

We begrijpen dat ze doelt op Anna, de jonge vrouw uit Al onze gisterens die kort voordat ze examen moest doen zwanger werd en die met haar veel oudere man Cenzo Rena tijdens de oorlog in een stoffig dorpje ver van huis belandt, maar we herkennen deze verteller ook uit Familielexicon, het boek waarmee ze in 1963 de Premio Strega won. Waar de autobiografische elementen in het verhaal van Al onze gisterens voor het oprapen liggen, is Familielexicon alleen in naam een roman. In een woord vooraf schrijft ze dat alle plaatsnamen, gebeurtenissen en namen de werkelijke zijn en dat ze niets heeft bedacht. ‘De gebruikte namen zijn ook de echte (…). Misschien vindt iemand het vervelend zichzelf met naam en toenaam in dit boek tegen te komen. Ik zou evenwel niet weten hoe ik daarop moet reageren.’

Wat Familielexicon zo onweerstaanbaar maakt is het ingenieuze perspectief dat Ginzburg koos. Het is een boek gevuld met iemands herinneringen, maar je hebt zelden het idee dat er iemand is die terugblikt. De herinneringen zijn opnieuw gekneed tot een oorspronkelijke beleving, zonder dat er een voor haar leeftijd ongeloofwaardig intelligente verteller is gecreëerd en ogenschijnlijk zonder dat er sprake is van interpretatie achteraf. Door die verleiding te reflecteren te weerstaan, wint het geheel aan geloofwaardigheid als weergave van een directe ervaring.

In zijn meest kernachtige vorm vinden we Ginzburgs blik op de wereld en de wijze waarop ze die in haar werk vormgeeft terug in een essay getiteld ‘De menselijke verhoudingen’. Die verhoudingen staan in feite in al haar boeken centraal, van het slechte huwelijk dat eindigt in een moord in de vroege, anti-romantische novelle Zo is het gebeurd tot aan de latere, speelsere brievenroman Lieve Michele.

Zoals vaker schrijft ze in de eerste persoon meervoud, het is een wij die het hoogstpersoonlijke moeiteloos tot het universele verheft. Het effect is nergens bevoogdend of aanmatigend, het drukt ons slechts met onze neus op het feit dat wanneer men helder schrijft over genuanceerde ideeën en gevoelens het belang van een onderscheid tussen een menselijke ervaring en de menselijke ervaring wegvalt.

Als kinderen, schrijft ze, is onze blik gefixeerd op de wereld van de volwassenen, die duister en ondoorgrondelijk is. Niets begrijpen we van hun woorden, hun keuzes, hun handelen. En het vreemdste is het besef dat boven die poel van onbegrijpelijkheid plots een storm kan ontstaan, compleet met slaande deuren en overslaande stemmen. ‘Het hele absurde mysterie van de volwassenen drukt op ons.’ Gelukkig ontdekken we dat ook in de huizen van onze vriendjes en vriendinnetjes zulke stormen woeden en dit stelt ons enigszins gerust. We worden adolescenten wanneer de woorden die volwassenen onderling spreken hun betekenis beginnen te verraden. Maar veel maakt dit op dit moment niet meer uit. Op dit punt aangekomen laat het ons immers koud of er vrede heerst in het huishouden. Langzaam maar zeker is het onze beurt geworden om zelf mysterieus te zijn en ons in ondoorgrondelijk maar duidelijk minachtend zwijgen te hullen. Dit is onze wraak op de volwassenen. De frequentie van de stormen neemt af, maar als zo nu en dan het geweld alsnog losbarst bevinden we ons plots in het middelpunt ervan.

‘Wie zijn de anderen en wie zijn wij? vragen we ons af.’ Deze vraag, die gewoon op een goed moment uit de lucht is komen vallen, houdt ons dag en nacht bezig en drukt op ons gemoed totdat onze moeder onze kamer binnenstapt en vraagt om een ijsje te gaan eten. We worden overmand door vreugde maar vragen ons meteen af: hoe kunnen wij, wij die zo volwassen zijn en zulke serieuze levensvragen overpeinzen, zo blij worden van het vooruitzicht van een ijsje?

Ginzburg beschrijft hoe we van ons geloof in de god die deze monsterlijke wereld zou hebben geschapen vallen; hoe we vriendschappen sluiten, eerst intens maar oppervlakkig, later kalmer en dieper; ze beschrijft hoe we zonder het door te hebben en zonder het ooit helemaal zeker te weten de ware ontmoeten en hoe we zelf kinderen krijgen en hoe we de aarde onder onze voeten voelen splijten. We wisten niet dat we zo bang konden zijn.

Geld geven aan onze kinderen zouden we zonder enige reden moeten doen, achteloos. Ze moeten leren er niet van te houden

‘We keken met groot medelijden naar de families, de vaders en moeders die op zondag langzaam met hun kinderwagens door de straten liepen: ze leken ons iets vervelends en treurigs. Nu zijn wij een van die families, lopen langzaam door de straten, de kinderwagens voortduwend; en we zijn niet treurig, we zijn misschien juist gelukkig, maar van een geluk dat we moeilijk kunnen herkennen in de paniek die we voelen om het van het ene op het andere moment voorgoed te kunnen verliezen: het kindje dat we voortduwen in de kinderwagen is zo klein, zo zwak, de liefde die ons aan hem bindt is zo vol pijn en angst!’

We kijken naar de baby die met zijn vingers in de modder wroet en we vragen ons af hoe we zo dom zijn geworden, zo monomaan. Waar is onze fascinatie voor het grote, wrede universum gebleven?

Later herkennen we in de ogen van onze kinderen, inmiddels zelf adolescenten, dezelfde stenen blik als waarmee wijzelf ooit de wereld bezagen. We kennen die blik maar zijn toch van slag: we weten hoe lang de weg naar compassie is.

Als de kinderen er eenmaal zijn en het eerste stof is neergedaald, zijn wij volwassenen opgezadeld met de vraag in hoeverre we verantwoordelijk zijn voor het verloop van hun bestaan. Zo het ouderschap iets is, is het een helling waarop de zon voortdurend schijnt, maar die, zo beseffen we elk moment, niet ver onder ons overgaat in een genadeloos diepe afgrond. Die afgrond kent vele gedaanten, maar een ervan is het besef dat de toekomst van onze kinderen onzeker is. Het titelverhaal van ‘De kleine deugden’, Ginzburgs mooiste essay, opent zo: ‘Wat de opvoeding van kinderen betreft denk ik dat men ze niet de kleine deugden moet aanreiken maar de grote. Geen spaarzaamheid maar generositeit en onverschilligheid tegenover geld; geen voorzichtigheid maar moed en minachting voor gevaar, geen sluwheid maar openhartigheid en liefde voor de waarheid; geen tact maar liefde voor je nabuur en voor zelfopoffering; geen verlangen naar succes, maar een verlangen om te zijn en te weten.’

Er is niets mis met die kleine deugden, schrijft ze, maar een opvoeding die zich louter concentreert op het bijbrengen van die defensieve waarden, waarden die je wapenen tegen de klappen van het bestaan, leidt tot cynisme en angst voor het leven. Die kleine deugden hebben hun rol, maar ze dienen complementair te zijn aan de grote deugden. Ze wijdt lang uit over de wijze waarop we geneigd zijn onze kinderen te onderwijzen in de omgang met geld en hoe we ze daarmee op een heilloos pad afzetten. Een pad waarop de prijs en de waarde van de dingen die ons bestaan vullen vanaf het eerste moment hopeloos met elkaar verstrikt raken.

Het geld dat we onze kinderen toestoppen zou nooit een beloning moeten zijn voor klusjes of schoolresultaten, dingen die intrinsiek waardevol zijn. We zouden ze het zonder enige reden moeten geven, achteloos, zodat zij het ook achteloos in ontvangst zullen leren nemen. Ze moeten leren er niet van te houden, in de hoop dat ze nooit zullen vergeten wat de werkelijke aard van geld is en dat het nooit in staat zal zijn onze diepste behoeften te vervullen. Die diepste behoeften zijn, boven een bepaald bestaansminimum, tenslotte altijd geestelijk van aard.

Maar er is nog een belangrijke reden beloningen en straffen in de opvoeding waar mogelijk te vermijden. Het leven biedt die zaken immers zelden. In het echte leven worden offers dikwijls niet beloond en passeert zelfs het grootste kwaad vaak straffeloos. En soms wordt het rijkelijk beloond. ‘Daarom is het beter om kinderen vanaf kleins af aan duidelijk te maken dat het goede niet wordt beloond en het slechte niet wordt bestraft; toch moeten ze van het goede houden en het slechte haten, en het is onmogelijk ze hiervoor een logische verklaring te bieden.’

‘De kleine deugden’ beschrijft het gezin als een onlosmakelijk verband van onverenigbare individuen, maar in de kern draait haar verhaal voor alles om de gedachte dat onze kinderen andere mensen zijn. Onze verantwoordelijkheid voor hun welzijn vloeit voort uit de manier waarop we ze ongevraagd op aarde hebben gezet, maar de invulling die we aan die verantwoordelijkheid geven dient altijd rekening te houden met het feit dat hoewel het onze kinderen zijn, ze niet van ons zijn. De grootste bedreiging voor het kind is de ouder die dat fundamentele verschil niet op waarde schat. We moeten niets anders dan hun springplank zijn, ‘ze moeten beseffen dat zij niet aan ons toebehoren maar wij aan hen, dat we altijd beschikbaar zijn in een belendende ruimte, klaar om iedere vraag te beantwoorden’. In een eerder essay beschreef ze hoe haar werk haar leven betekenis geeft. Ze heeft van iets dat voelde als een roeping haar beroep weten te maken en ze beseft maar al te goed hoe gezegend ze is. Iets als een roeping is de enige echte vorm van welvaart en de enige kans op verlossing. De ontwikkeling daarvan, of zo je wil de ontdekking, is afhankelijk van de ruimte en stilte die kinderen wordt geboden om een eigen leven te leiden. ‘Onze relatie met onze kinderen moet een levende uitwisseling van gedachten en gevoelens zijn, maar er moeten ook diepe stiltes in bestaan: het moet een intieme relatie zijn, maar hij moet geen inbreuk maken op hun privéleven.’

We kunnen alleen het goede voorbeeld geven door ons eigen leven te laten vullen met betekenis, dat ‘is misschien de enige echte kans die we hebben om hen bij te staan in hun zoektocht naar een roeping – zelf een roeping te hebben, het te weten, ervan te houden en haar hartstochtelijk te dienen; omdat liefde voor het leven liefde voor het leven voortbrengt’.

De schoonheid van Ginzburgs essays en meer autobiografische romans is gelegen in de balans die ze vindt tussen de kleine levens en de grote buitenwereld. Een balans die tegelijkertijd ook recht doet aan de paradox dat de grootsheid van onze innerlijke ervaring onlosmakelijk verbonden is met de evidente nietigheid van ons bestaan. De aantrekkingskracht van Ginzburgs proza is gelegen in de helderheid. Het is een helderheid die zich niet alleen uit in de beschrijvingen, maar ook in de onverschrokken morele toon die ze aanslaat. Moralisme moet je verdienen en dat van Ginzburg bezit een onmiskenbaar gewicht. Ze smeekte God ooit haar als een man te laten schrijven, maar kwam daar later, nadat ze kinderen had gekregen en had geleerd hoe je tomatensaus moest maken, op terug. De reden dat ze ons als een tijdgenoot in de oren klinkt, is haar zeer moderne overtuiging dat kinderen en tomatensaus beide een wezenlijk onderdeel van het leven zijn.


Natalia Ginzburg, Al onze gisterens, Meulenhoff (2019) en The Little Virtues (2018), Daunt Books, met een inleiding van Rachel Cusk. Andere titels zijn alleen antiquarisch verkrijgbaar