Bericht uit Darfur (2)

Wie zijn toch die Janjaweed?

Een hulpverlener in Darfur doet verslag van zijn werk. Wegens het repressieve karakter van de autoriteiten in deze West-Soedanese regio kan de naam van de auteur noch zijn verblijfplaats worden vermeld.

Voor mij zitten drie keurig geklede heren van de lokale universiteit. «Vind jij dat hier genocide plaatsvindt?» «Hoe kunnen ze zeggen dat dit ethnic cleansing is?» Diepe verontwaardiging klinkt door in hun stem. «Dit is toch geen Rwanda of Bosnië?» De misdaad in Soedan is inderdaad gering in vergelijking met sommige andere landen, maar om ons heen, in de kampen buiten de stad, zitten tienduizenden mensen die gevlucht zijn voor moordende, verkrachtende en plunderende bendes. We zijn het erover eens dat in dit land gruweldaden worden begaan die gestopt moeten worden.

Gisteren had ik kennis gemaakt met Ibrahim, docent landbouw en een devoot moslim. Hoewel er op deze plattelandsuniversiteit maar liefst vijftienhonderd studenten staan ingeschreven, waarvan meer dan de helft vrouwen, zijn er volgens Ibrahim ook zorgen. Hij noemt bijvoorbeeld de enorme stijging van de huur sinds de internationale organisaties hier zijn neergestreken. In Nyala, 250 kilometer naar het oosten, zijn huren van tweeduizend euro gemeengoed. Bij ons is in een maand een inflatie van vijfhonderd procent waargenomen. Een huis met drie kamers dat tot voor kort ongeveer vijftig euro kostte, wordt nu aangeboden voor 190 tot vierhonderd euro. Ter vergelijking, een goede ezel kost zo’n 230 euro. Studenten en docenten worden hun huis uitgezet om een rijke organisatie binnen te halen. Wij hebben de organisaties al gemobiliseerd om een front te vormen. Dat lijkt te lukken. Huiseigenaren beginnen te beseffen dat ze te veel vragen. We hebben ook afgesproken dat we lokaal willen inkopen en produceren en dat we lokale mensen in dienst nemen.

Dat valt in goede aarde bij mijn gespreks partners. Ze gaan door: «Vind jij Soedan een terroristenland? Kijk naar Ibrahim. Iedereen zegt dat hij op Osama bin Laden lijkt. Vind jij dat ook?» Inderdaad ontging mij gisteren de gelijkenis geenszins. «Nee», zeg ik behoedzaam, «dat vind ik niet, Ibrahim is een keurige en vriendelijke man.» De drie heren stemmen in. «Soedanezen zijn geen terroristen», sus ik, «maar er zitten wel bandieten tussen.» Dat is waar, vinden de mannen. De Janjaweed zijn een plaag, erkennen zij.

Maar wie zijn de Janjaweed? Voor de simpel denkenden zijn het bandieten, voor anderen zijn het Arabieren of kameeldrijvende nomaden, en voor de meerderheid behoort iedereen die rooft en moordt tot de Janjaweed. Ooggetuigen beschrijven de Janjaweed als lokale nomaden van Arabische afkomst. Gevluchte ontheemden uit Turu, een gehucht hoog in het Jebel Mara-gebergte, noemen de stammen door wie ze zijn aangevallen: Mohrija, Turgen en Mawayba. Maar er zijn ook anderen. Zo zijn de Razagat-nomaden rond El Daein in Zuid-Darfur al maanden verwikkeld in een strijd met rivalen. Het is een gevecht tussen kameel- en veehouders. De milities van het Soedanese Bevrijdingsfront (SLA) maken daar op hun beurt gebruik van en hebben in het gebied al twee voedselkonvooien, bestemd voor ontheemden, beroofd. Je kunt in deze goede graasgebieden voor kamelen plunderend rijk worden. De African Union Cease Fire Commission, die inmiddels met zestien waarnemers is neergestreken, kan niet meer doen dan per helikopter poolshoogte nemen en de statistieken bijhouden.

Een man vertelt ons, hopeloos gebarend naar zijn dorp nog geen vier kilometer van het kamp waarin hij nu verblijft, dat hij de aanvallers bij naam kent. «Het waren onze buren», roept hij. «Ze hebben zelfs de school, die we met eigen geld en handen hebben gebouwd, verbrand.» Hij durft het kamp niet uit. Hij vertelt over mannen die aan hun handen aan de bomen worden gehangen en gegeseld met zwepen. Of erger, levend verbrand. Een aantal weken geleden werden drie bussen op weg naar Nyala aangehouden door Arabische mannen, hun hoofden in doeken gewikkeld en gekleed in camouflagepakken. Zeventien passagiers, allen geselecteerd op huidskleur, werden uit de bussen gehaald. In één machinegeweersalvo werden zij neergemaaid en daarna verbrand. De meer dan honderd andere passagiers werden gesommeerd hun hoofd naar beneden te houden. Een meisje van een jaar of zes volgde de instructies niet en keek op. Zij werd uit de rij gesleept en op het brandende vuur gegooid. In doodsverachting rende haar moeder naar het vuur en sleurde haar dochter eruit. Ze kon vluchten naar de dichtstbijzijnde militaire post en kwam twee dagen later in een van de vluchtelingenkampen bij Nyala aan.

Dit soort dingen lijkt, naast verkrachtingen, systematiek te worden. De Janjaweed, wie het ook zijn, bouwen zorgvuldig aan hun mythische schrikprofiel. De daders lopen vrij rond en worden zelfs bijgestaan door het leger.

Is het nu wel of geen ethnic cleansing? En welke etniciteit is dan doelwit? Iedereen lijkt doelwit. «Jullie horen toch bij de Khawajas?» echoot het in mijn hoofd, een opmerking die een politieman smalend naar een verkrachte vrouw slingerde toen zij aangifte kwam doen.

Ik zwaai de drie mannen uit. Het zijn aardige, hooggeleerde en beschaafde mannen. We zijn het eens geworden. Voor hoe lang?