Een nieuwe canon

Wie zijn we?

Het verzoek van minister Van Engelshoven om herijking van de canon laat maar weer eens zien dat de canon nooit af is. En nooit goed valt. Dat is het fijne eraan.

Georg Sturm, Jan van Schaffelaar werpt zich van den toren te Barneveld om de bezetting te redden, aan de zuidelijke wand in de Voorhal van het Rijksmuseum Amsterdam © Rijksmuseum, Amsterdam

Op een zondagmiddag zitten de trappen in het Rijksmuseum al vol, met toeristen, blijkbaar vroeg op de middag al uitgeput van zo’n overdaad cultuur. Of uitgeput van elkaar, van zichzelf, van het sjokken tussen de dubbele rijen voor de Rembrandts, de driedubbele rijen voor de koffiebar.

Maakt niet uit. Ook als je geen zin hebt te dringen voor de kunst, is het gebouw mooi genoeg om door te struinen. Architect Cuypers zag het Rijksmuseumgebouw voor zich als een Gesamtkunstwerk, waarin de friesen, de boogtrommels, het glas-in-lood, de wapenschilden op de gevels, de tegeltableaus en ornamenten allemaal samen het grootse verhaal van het Koninkrijk der Nederlanden moesten vertellen. De Voorhal is daar een mooi voorbeeld van, de hal die toegang verleent tot de Eregalerij. Cuypers vroeg de Oostenrijkse schilder Georg Sturm (1855-1923), die in Nederland werkzaam was, een serie wandschilderingen te maken die onze ‘vaderlandse deugden’ moesten verbeelden, aan de hand van Hollandse geschiedenissen.

Een persoonlijke favoriet is Sturms wandschildering van Jan van Schaffelaar, boven op de toren in Barneveld. Het kleurenpalet is prachtig. De Kabeljauwse ruiteraanvoerder is op een van de kantelen geklommen, zijn kompanen kijken angstig op, hij spreidt zijn armen, gaat doen wat van hem verlangd wordt, donkere vogels vliegen door de donkere lucht.

De afbeelding ziet eruit als iets uit een stripboek, de harnassen die Van Schaffelaar en zijn manschappen dragen doen ook sprekend denken aan hoe ridders er bij Suske & Wiske uitzagen. Cuypers had Sturm de opdracht gegeven dat zijn muurschilderingen niet te driedimensionaal mochten zijn, want dat zou de vlakke compositie van de hal te veel doorbreken. Dus omlijnde Sturm zijn figuren – wat dat stripboekgevoel in de hand werkt.

Je kunt de afbeeldingen van Sturm zien als een kleine canon van de Nederlandse geschiedenis. Blijkbaar waren dit de historische taferelen die bij de opening van het Rijks, in 1885, direct tot de verbeelding van de bezoeker spraken. En wat zie je? Christiaan Huygens die zijn slinger uitvindt, ‘Willibrordus’ die het christendom brengt aan de Friezen, die er ouder dan de tijd uitzien. ‘Claudius Civilis predikt de opstand tegen de Romeinen’ zegt ons nog wel wat, maar waarschijnlijk alleen omdat ditzelfde moment tot Rembrandts mooiste schilderij (nog een persoonlijke favoriet) leidde. Wie Karel de Grote was weten we nog, maar wie die Eginhard was met wie hij is afgebeeld is lastig. Bisschop Bernulphus is, met alle respect, vergeten. Wie Willem de Goede precies was en waarom hij ‘den baljuw van Kennemerland’ veroordeelt blijven open vragen.

Tenminste: voor ons nu. Met Wikipedia heb je ze zo gevonden, daar niet van, maar hun leven en dood behoort niet meer tot de canonkennis die iedere hoger of lager opgeleide Nederlander nu bezit. De canon van de Nederlander in 1885 is fundamenteel anders dan die van de Nederlander nu. Waarom wierp Jan van Schaffelaar zich van de toren? Wie waren de Kabeljauwen? Waarom vochten ze met de Hoeksen? Ging het om vis? Als Van Schaffelaar in 1482 stierf tijdens de Tweede Utrechtse Burgeroorlog, was er dan ook een derde? Komt die nog?

Begin deze maand kwam minister Ingrid van Engelshoven van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap met het verzoek tot het ‘herijken’ van de Canon van Nederland, zoals die dertien jaar geleden is opgesteld door de commissie-Van Oostrom. Nu heeft Van Engelshoven de historicus James Kennedy gevraagd, decaan van University College Utrecht, met de specifieke opdracht een diverse commissie samen te stellen.

De canon is een wensdroom, een weergave van wat je vindt dat we met elkaar delen

Daarin klinkt al een beetje door hoe de canon herijkt dient te worden. In een veelgeciteerde zin uit haar brief vroeg Van Engelshoven de commissie van Kennedy ‘aandacht te besteden aan de verhalen en perspectieven van verschillende groepen in de samenleving, en de schaduwkanten van de Nederlandse geschiedenis voldoende aan bod te laten komen’. Voor nieuwrechts is dit direct een spijker die ze niet kunnen misslaan. Een woord als ‘divers’ klinkt als een aanval op de monoculturele voorkeur die politici als Baudet betuigen, en ‘schaduwkanten’ klinkt wel héél oikofoob. Tijdens de bijeenkomst van de jongerentak van Forum voor Democratie afgelopen weekend sprak voorzitter Frederik Jansen de Baudet-kinderen toe ten strijde te trekken tegen ‘de stormtroepen van de gevestigde orde’ die hun willen leren ‘dat de Nederlander niet bestaat, dat onze geschiedenis slecht is, dat we een onaflosbare erfschuld dragen waarvoor onze wereld tot een einde moet komen’.

James Kennedy groeide op in een klein dorpje in de VS, woont in Amersfoort, is overtuigd christen; niet direct de stormtrooper die de Götterdämmerung komt brengen, zou je denken. In een interview met De Groene in 2015 zei hij dat toen hij eind jaren negentig Nederland bezocht hij het idee had dat er een zelfbeeld heerste ‘van een land waarin redelijke mensen in redelijk overleg burgerlijke beschaving ontwikkelden. Het was een duidelijk “paarse geschiedschrijving”’. Inmiddels was dat veranderd, na Fortuyn, Van Gogh, Wilders, want: ‘Als je kritisch over het heden bent, ben je vaak ook kritischer over het verleden.’

Het commentaar op de canon zoals hij nu is ligt voor de hand: slechts drie van ‘vijftig vensters’ van Van Oostrom gingen over vrouwen en er was te weinig aandacht voor slavernij (één venster) en kolonialisme (vier vensters). Het commentaar op het commentaar ligt ook voor de hand: vindt maar eens een vrouwelijke Jan van Schaffelaar, Nederland was niet altijd zo divers als het nu is, de slavernij en de koloniën voedden Nederland, maar gingen langs veel Nederlanders heen. Maar het meest gehoorde commentaar kwam van columnisten van onder meer Trouw, de Volkskrant en de NRC en kwam steeds op hetzelfde neer: laat de politiek zich niet met de canon bemoeien. Die commentatoren zeggen iets wat heel logisch is en, als je erover nadenkt, iets heel treurigs heeft.

Dat we Jan van Schaffelaar nog kennen is een curiosum. Voor zijn bestaan zijn meerdere historische bronnen, maar voor zijn torensprong is er maar eentje – en die werd tweehonderd jaar na zijn dood pas opgesteld. Overigens: hij sprong omdat hij en zijn kompanen omsingeld waren en belegerd werden, als hij sprong zouden zijn medestrijders gespaard worden. Dat we dit nog weten zegt niets over het belang van de Hoekse en Kabeljauwse twisten. Of over dat van Jan van Schaffelaar. Het is puur toeval dat Jan Frederik Oltmans in 1838 er een zeer populaire historische roman over schreef, De schaapherder, iets wat Thea Beckman met Hasse Simonsdochter in 1983 nog eens overdeed.

Als je je losmaakt van de wandschildering van Van Schaffelaar in de Voorhal en de Eregalerij in loopt, zie je niets van Georg Sturms taferelen terug. Ook daar hangt het verhaal van Nederland zoals de beste schilders het ooit vertelden, ‘de nationale schatkamer’ zoals voormalig directeur Wim Pijbes placht te zeggen. Misschien op de gewapende fanfare van de Nachtwacht na, zijn de schilderijen in de Eregalerij portretten, stadsaanzichten, provinciale landschappen, kerkinterieurs, boeren, vissers. Ze vertellen een ander verhaal dan de heroïsche canon van Sturm en Cuypers; het zijn portretten van gewone mensen, in bescheiden levens.

Met andere woorden, de canon is iets anders dan onze geschiedenis. De geschiedenis is wat er gebeurde en hoe het was om toen te leven, de canon is wat we vinden dat we moeten onthouden. Daarmee is de canon een wensdroom: het is een weergave van wat je vindt dat we met elkaar delen, welk verleden ons tot een volk maakt. Een canon kan dus nooit aantonen dat ‘de Nederlander niet bestaat’, zoals Jansen zegt, het doet per definitie het tegenovergestelde. Als je slavernij prominenter opneemt in de canon doe je dat niet uit oikofobe zelfhaat, je doet het ook om te bevestigen dat je nu verder bent, geleerd hebt van je fouten en nu hopelijk beter bent. Daarom zou het zo treurig zijn als een regering geen enkele interesse voor de canon zou tonen, het zou zijn alsof de regering niet gelooft in een gezamenlijke nationale identiteit.

Misschien kom je zo bij de echte onzekerheid over de canon. Niet of die niet te multiculti of te boreaal is, maar of er anno 2019 wel zoiets als een canon kan bestaan. We leven onmiskenbaar in tijden van identiteitspolitiek, waarin groepen mensen zichzelf bevestigen door zich af te zetten tegen andere groepen. Dat ‘afzetten tegen’ gebeurt door op zoek te gaan naar eigen helden en heldinnen, naar eigen geschiedenissen, en door de helden en geschiedenissen van anderen af te wijzen. Waar de voc voor een bepaald segment voor heroïsche handelsdrift staat, staat ze voor een ander voor slavernij en kolonialisme. Bij identiteitspolitiek past geen gemeenschappelijke canon, maar een persoonlijke.

Een objectieve vaststelling van de wereld zoals in een officiële canon – een canon voor iedereen!, met geen ander doel dan kennis verspreiden – vinden we ongewenst, want we zijn de wereld als steeds subjectiever gaan beleven. We willen niet iedereen zien, we willen vooral ons zelf zien.

Kan een regering daar genoegen mee nemen? De canon zoals Van Engelshoven hem voorstelt speelt in op een nieuw bewustzijn van feminisme en kolonialisme, op een nieuw idee van identiteit. Dat bewustzijn komt niet uit de politiek voort, maar uit veranderende maatschappelijke verhoudingen. Zo’n nieuwe canon is daarmee een poging van de politiek zich tot die maatschappij te verhouden. Misschien moet je, in plaats van roepen dat de politiek zich er niet mee moet bemoeien, het tegenovergestelde zeggen: de politiek moet zich juist meer met de canon bemoeien, en niet door er een commissie op te zetten, maar door hem expliciet zelf te maken. Een d66-canon, een Forum-canon. Open het debat en laat elke regering haar eigen canon als addendum bij elk regeerakkoord toevoegen. Dit is wie wij zijn, zou ze zeggen. Dan kan iedere burger zelf wel bedenken of hij het ermee eens is of niet, en zo niet, bedenken wie we wel zijn.