De slag om het Capitool: Patriottisme in het Amerika van 2021

‘Wie zijn wij om in de weg van God te staan?’

Terwijl aanhangers van Donald Trump met patriottisch vlagvertoon de democratie aanvallen, proberen de Democraten het patriottisme terug te claimen van de Republikeinen.

Washington, 6 januari. Trump-aanhangers gaan de natie ‘terugnemen’ © Joseph Prezioso / AFP / ANP

Zoveel moet de Visigoten onder Alaric worden toegegeven: toen zij in 410 het Capitool in Rome binnentrokken was dat niet onder het voorwendsel dat ze daarmee de Romeinen een dienst bewezen. Dat was vorige week woensdag anders, toen Redneck Visigoths, zoals een Amerikaanse krant het omschreef, het Capitool in Washington D.C. bestormden. Van alle tegenstellingen die het presidentschap van Trump opleverde, was deze de onwaarschijnlijkste en tevens die welke Trumps erfenis zal belichamen: zijn aanhangers die ‘U.S.A., U.S.A.’ schreeuwend het parlement bestormden, voor het eerst sinds het Britse leger ruim tweehonderd jaar eerder, terwijl zij zwaaiden met de nationale vlag en borden met ‘Defend the Constitution’ en ‘Defend Democracy’.

Het agressieve chauvinisme bij het Capitool vormde zeker geen uitzondering. Het zwaaien met vlaggen en ander patriottistisch vertoon is de afgelopen jaren een soort merkuiting geworden van het Amerikaanse volksdeel dat achter Donald Trump staat. Over de breedte genomen zijn Amerikanen al generaties lang chauvinistisch op een manier die op Europeanen al snel overdreven en dweperig overkomt. Maar tijdens Trumps presidentschap heeft dat nieuwe hoogten bereikt. Als er een grote truck met oversized vlaggen rondreed in een Amerikaans universiteitsstadje, of als iemand hard ‘U.S.A.’ schreeuwde naar Black Lives Matter-demonstranten, dan wist je: dat is een Trump-aanhanger.

Als een Amerikaan zichzelf een ‘trotse patriot’ of een ‘superpatriot’ noemt, is dat in de Verenigde Staten van nu meestal een uiting van steun aan Trump en aan zijn kruistocht tegen de verkiezingsuitslag en iedereen die niet beweert dat hij de echte winnaar was. Het zwaaien met grote vlaggen en U.S.A. roepen naar anderen is zowel een uiting van patriottisme als een beschuldiging dat anderen niet patriottistisch genoeg zijn, niet genoeg Amerikaan zijn. Het idee van patriottisme is opgeëist door Trump en zijn aanhang. Wie wil begrijpen waarom, die moet onderduiken in de vele onderstromen in het Amerikaanse nationalisme, want het onderliggende verhaal is ingewikkelder dan het op het eerste gezicht lijkt.

De Republikeinse claim op patriottisme beperkt zich niet tot vlagvertoon. Het aantal Amerikanen dat zich ‘zeer trots’ of ‘extreem trots’ op de VS noemt, staat op het laagste punt sinds opiniepeiler Gallup dit in 2001 begon te vragen. Dat ligt aan een scherpe daling onder Democraten. In 2013 omschreef 56 procent van de Democratische stemmers zichzelf als ‘extreem trots’ op de VS, niet zo veel minder dan Republikeinen (68 procent). Afgelopen jaar was dat bij Republikeinen gestegen tot ruim driekwart, en bij Democraten gedaald tot onder een kwart – het Trump-effect.

In de aanloop naar de verkiezingen gingen onder Democraten steeds meer stemmen op om het patriottisme terug te claimen van de Republikeinen. Trots op de natie is een dijk van een campagnethema en de Democratische Partij wilde niet in de hoek worden gedrukt van ‘anti-Amerikaans’. Joe Biden heeft dat consequent gedaan: altijd liep hij met vlaggetjes op zijn revers en hij vergat nooit om zijn publiek te vragen om ‘te bidden voor onze troepen’. Zijn toespraak van afgelopen woensdag was in lijn daarmee: Biden legde zijn publiek uit ‘Who we are as patriots to this nation’.

Maar hoezeer dit op het eerste gezicht een poging lijkt om óók patriottisch te zijn, net als Donald Trump, en het een claim lijkt op dezelfde vaderlandsliefde, is het dat in werkelijkheid niet. Het werkelijke verhaal gaat niet om welke van de twee partijen patriottischer is, en welke kiezers patriottischer zijn; het gaat om verschillende vormen van patriottisme, die in de politiek en de publieke sfeer van de VS strijden om het primaat, en die tegenstrijdig, en op sommige vlakken zelfs vijandig aan elkaar zijn.

Een uitleg daarvan kan beginnen met Walter Russel Mead. Deze conservatieve historicus werd door Susan Glasser, de oud-hoofdredacteur van Politico en Foreign Policy, ooit de ‘Trump-fluisteraar’ genoemd. Ze wilde daarmee aanwijzen wie op zijn beurt de ‘fluisteraar’ was van de man die door iedereen ‘Trump-fluisteraar’ werd genoemd: Trumps afgedankte mentor Steve Bannon. Mead reikte hem een intellectueel raamwerk aan om Trumps instinctieve politiek culturele en historische diepte te geven, en om het trumpisme naar te voegen.

Het nativisme stelt dat de Amerikaanse natie draait om de witte, christelijke Amerikanen

Dat kwam door Meads boek Special Providence, uit 2001, waarin hij stelde dat de Verenigde Staten vier prominente politieke tradities hadden, die ruwweg samenvielen met vier presidenten. Hoewel Mead netjes aandacht gaf aan de tradities die waren ingezet door de principiële Thomas Jefferson, de idealistische Woodrow Wilson en de machtsdenker Alexander Hamilton, wilde hij met zijn boek vooral aandacht geven aan Andrew Jackson, een volkse populist die een xenofoob, trots en conservatief beleid voerde dat spijkerhard was naar iedereen buiten de eigen groep – de slaven die Jackson zelf hield, bijvoorbeeld, en de oorspronkelijke Amerikanen – en een patronagesysteem invoerde met symbolische uithalen naar bankiers. Trump was behoorlijk gestreeld door de analogie en liet een schilderij van Jackson boven zijn bureau in het Witte Huis hangen. Meads boek werd anderhalf decennium na publicatie opnieuw een bestseller.

‘Als je gelooft dat God een plan heeft voor dit land met een hoofdrol voor Donald Trump, dan is het schenden van democratische normen niet zo erg’ © Win McNamee / Getty Images

Maar hoewel Meads portret van Jackson inderdaad een treffende vergelijking biedt met Donald Trump, en een contrastpunt om Trumps presidentschap te begrijpen, kunnen we voor het specifieke nationalisme van hemzelf en zijn fanatiekste aanhangers beter terecht bij de Britse politicoloog Anatol Lieven. Met America Right or Wrong: An Anatomy of American Nationalism (2012) schreef hij een handleiding waarmee – zeker voor een buitenstaander uit Europa – het verbitterde nationalisme van Trumps aanhang te begrijpen valt.

Lieven legt uit dat de Verenigde Staten een sterke nationalistische traditie hebben, die haar historische wortels heeft in het noordoosten van het land. Die traditie staat bekend als ‘the American Creed’, de Amerikaanse geloofsbelijdenis. Simpelweg elke Amerikaanse president in de afgelopen eeuw legde die geloofsbelijdenis af. Het hart ervan bestaat uit bepaalde principes over democratie, de rechtsstaat en individuele vrijheid, gekoppeld aan het geloof in de VS als een land met een bijzondere missie, uitverkoren door God, om zichzelf en de wereld beter te maken.

In deze geloofsbelijdenis hebben de Amerikaanse grondwet en de opstellers ervan, de ‘Founding Fathers’, een quasi-religieus aura. Deze mythische traditie heeft generaties Amerikanen geïnspireerd, bijvoorbeeld tijdens de Koude Oorlog, en ze weet zich steeds te vernieuwen. Lieven noemt deze traditie ook wel ‘civiel nationalisme’ of de ‘nationalistische these’ – de nationalistische stelling.

Hier tegenover is de kracht gegroeid van een ander nationalisme, dat zich niet expliciet maar wel inhoudelijk tegen deze traditie afzet. Lieven noemt dit de ‘nationalistische antithese’ – de tegenstelling. Het zijn niet de kernpunten van de Amerikaanse geloofsbelijdenis die de wrevel wekken van Amerikanen die een ander nationalisme belijden, maar twee impliciete uitgangspunten. De Amerikaanse geloofsbelijdenis is namelijk in zijn kern een idee, dat elk mens ter wereld kan omarmen: in theorie kan iedereen Amerikaan worden en the American Creed uitdragen. Dit principe heeft een sterke aantrekkingskracht op veel Amerikanen, maar stoot anderen af. Bovendien kijkt de Amerikaanse geloofsbelijdenis van nature naar de toekomst als een utopisch moment waarop de grootsheid van de Verenigde Staten ten volle zal worden verwezenlijkt, en belooft het dat ook Amerikanen zelf het dan beter zullen hebben. Het is daarom in zijn hart een progressief idee.

Deze aspecten worden afgewezen in de andere nationalistische hoofdstroming: die is in essentie etno-religieus en kijkt terug naar het verleden als het moment waarop de grootsheid van de Verenigde Staten werkelijkheid was. Deze etno-religieuze traditie, schrijft Anatol Lieven, is minder coherent en heeft zich in de geschiedenis vaker aangepast. Daarbij vinden regiogebonden visies op de VS – in de eerste plaats die van het Amerikaanse Zuiden, maar ook van andere regio’s – in dit nationalisme hun plaats.

Het directe verleden waar conservatieven op terugkijken, is niet zo groots meer

Het is, kortom, ‘een diffuse massa van identiteiten en impulsen’. Maar één daarvan staat wel voorop: nativisme, dat stelt dat de Amerikaanse natie draait om zijn ‘originele’ bewoners: witte, christelijke Amerikanen. Het appèl op patriottisme door Amerikanen in de American Creed-traditie wordt door deze nationalisten afgewezen als vals, als een vorm van globalisme.

Veel meer dan zelfs Amerikanen uit die inclusieve traditie bewust zijn, zijn nationalisten uit de etno-religieuze traditie volgens Lieven gespitst en gebeten op referenties aan patriottisme die volgens hen een ‘vals’ patriottisme verraden. Zulke uitingen zijn namelijk meer dan holle frases. Het zijn pogingen om de Amerikaanse natie af te pakken van degenen aan wie zij behoort en haar open te stellen aan indringers die hun plaats moeten weten: zwarte Amerikanen bijvoorbeeld, recente immigranten, homoseksuelen, Latino’s. Referenties aan patriottisme in de American Creed-traditie maken nativistische nationalisten daarom al snel woedend, omdat zulke woorden ontkennen dat hun identiteit, hun meest waardevolle eigendom, van hen is. Hier komt ook het sentiment vandaan dat zij hun natie ‘terug moeten nemen’ – omdat die van hen weggenomen is.

De strijd tussen deze twee visies op nationalisme was voor de verkiezing van Trump nog goeddeels aan het oog onttrokken. ‘Buiten marginale militiegroepen bestaat er geen openlijke revolte van de nationalistische antithese tegen de American Creed’, schreef Lieven in 2012. Maar dat veranderde met de opkomst van Donald Trump. Niet alleen verbreedde de afwijzing van inclusief nationalisme zich tot ver buiten deze marginale groepen, ook kreeg de woede die binnen dit nativistische nationalisme leeft een veel groter bereik. Nationalisme in deze traditie heeft ‘een sfeer van belegerde hysterie die buitenstaanders zo verbluft’, schreef Lieven. De wortels daarvan, schreef hij, liggen in de religieuze component.

‘Het is belangrijk om het verschil te begrijpen tussen witte christelijke Amerikanen, white evangelicals, en de rol van het christendom in christelijk nationalisme’, zegt Andrew Whitehead, socioloog aan Indiana University. Whitehead is mede-auteur van Taking Back America for God: Christian Nationalism in the United States; we spreken via Zoom. ‘Het christendom in christelijk nationalisme heeft minder te maken met vroomheid of geboden dan met een raamwerk voor ideeën over nationale identiteit, sociale hiërarchie, culturele voorrang, en politieke invloed. Het valt meer samen met ideeën over ras en politieke ideologie dan met het woord in de bijbel. Het gaat om voorrang geven aan een bepaald type christendom in de publieke sfeer: een die overloopt in aannames over witte suprematie, patriarchaat en nativisme. Daarom hoeft de uitdrager ervan ook niet zelf vroom te zijn, en mogen de verdedigers ervan christelijke normen breken.’

Wie zo’n visie ondersteunt, kijkt fundamenteel anders naar Trump die vreedzame betogers laat wegmeppen voor een photo-op met een bijbel terwijl Black Lives Matter-demonstranten Washington overnemen, dan wie anders naar de Amerikaanse natie en patriottisme kijkt. Of naar zijn aanhangers die het Capitool in stormen. ‘Als je gelooft dat God een plan heeft voor dit land met een hoofdrol voor Donald Trump, omdat hij christenen cultureel primaat en toegang tot de macht geeft, dan is het schenden van democratische normen niet zo erg. Wie zijn wij om in de weg van God te staan? Of politici?’ zegt Whitehead.

Trump heeft dit christelijk nationalisme handig gebruikt maar niet uitgevonden, benadrukt Whitehead, en het zal ook niet met hem verdwijnen. ‘Trump is een uitwas van christelijk rechts, en daarmee van de jaren zeventig. Rechtse politieke activisten en conservatieve predikanten probeerden toen bewust om een groot deel van de bevolking dat op dat moment niet politiek geëngageerd was politiek actief te maken. Het uitlichten van de VS als christelijke natie begon toen, en daarmee de groei van religieus rechts. Als we die ontwikkeling doortrekken naar het heden en de toekomst zie ik geen enkele reden om aan te nemen dat aanhangers van die ideologie na deze bestorming van het Capitool of zelfs na Trump hun visie op de natie gaan aanpassen. Zij zullen geen reden zien om hun definitie van patriottisme bij te stellen.’

Niet alleen de politieke situatie in de VS, maar ook de economische en sociale toekomst van het land wijst niet op een verzoening van de nationalistische these en antithese. Zeker niet als die worden afgezet tegen het conservatieve referentiepunt in de tijd – de jaren zestig en zeventig. Irving Kristol, een van de ‘vaders’ van het neoconservatisme, schreef in 1983, toen Ronald Reagan actief was begonnen om patriottisme politiek uit te melken: ‘Patriottisme ontspringt uit liefde voor het verleden van de natie; nationalisme komt voort uit hoop voor de toekomst en grootsheid van de natie.’ Maar het verleden waar conservatieven op terugkijken, is niet zo groots meer – het directe verleden.

Het is geen toeval, schreef Anatol Lieven al in 2012, dat de aanhangers van de American Creed en die van de etno-religieuze tegenhanger ruwweg samenvallen met wie zichzelf als winnaar en wie zichzelf als verliezer ziet van de afgelopen halve eeuw. Het is makkelijk om optimisme te hebben over de toekomst als de afgelopen decennia goed voor je hebben uitgepakt, en om vertrouwen te hebben in wat je land kan bereiken. De VS worden de komende decennia in elk geval diverser, en waarschijnlijk zal het aandeel van het land in de wereldeconomie gestaag blijven afnemen. De binnenlandse ongelijkheid zal waarschijnlijk groeien.

Omdat die trends ingrijpen in een verhaal over de natie, en daarom over patriottisme, zal het niet makkelijk zijn om dat weg te buigen van ‘het gevoel van gekrenktheid, verslagenheid en chauvinistische haat die het nativistische nationalisme in de afgelopen decennia naar zijn buitenlandse en binnenlandse vijanden heeft uitgestrekt’, zoals America Right or Wrong stelt. Het Capitool was ongetwijfeld een belangrijke terugslag voor dat narratief. Het zou gevaarlijk naïef zijn om te geloven dat het daarmee verdwenen is.