Wie zonder zonde is

Op 26 juni 1948 publiceerde The New Yorker Shirley Jacksons korte verhaal The Lottery. In de maanden erop werd de redactie van het tijdschrift overstelpt met lezersbrieven en opzeggingen. Lezers waren verward, geschokt, woedend. Ze eisten een uitleg, wilden weten of het op feiten gebaseerd was, en zo ja, waar ze heen konden gaan om die feiten met eigen ogen te controleren.

Het verhaal, inmiddels een solide Amerikaanse klassieker, gaat over een dorp dat zich, zoals de andere dorpen en stadjes in de omgeving, klaarmaakt voor de trekking van zijn jaarlijkse loterij. Niemand weet hoe en wanneer de traditie ooit begon, maar het is nu eenmaal een traditie, en die dient in ere gehouden te worden. Er is een afgebladderde zwarte doos waar velletjes papier in worden gestopt, een klungelige ceremoniemeester, een plein vol rennende kinderen en goedlachse moeders, iedereen kent iedereen, de zon schijnt, de bloemen staan in bloei. ‘Guess we better get started’, zegt de ceremoniemeester, ‘get this over with, so’s we can go back to work.’

Spoiler alert: de ‘winnaar’ van de jaarlijkse loterij wordt gelyncht door de rest van de dorpsbewoners. De goeiige huismoeder die eerst nog gewoon in het publiek wat stond te grappen, wordt momenten later – het enige briefje waarop een dikke zwarte stip is getekend uit haar hand gerukt en in de lucht gehouden door haar echtgenoot – zonder scrupules door de meute aangevallen. ‘It isn’t right’, schreeuwt de geslachtofferde vrouw nog, maar de eerste steen is al geworpen.

De perversie van het verhaal zit ’m niet alleen in de volstrekte willekeur van de loterijtrekking, maar ook in het contrast tussen al die dorpse gemoedelijkheid en het langzame besef, bij de lezer, dat hier in feite iets gruwelijks gaande is. Dat zulke brave mensen onder het mom van traditie in staat zijn tot zoiets weerzinwekkends. Dat iedereen medeplichtig is, maar zich onschuldig waant, omdat niemand schuldiger is dan zijn buurman.

‘Outrageous’, schreven de lezers. ‘Incredibly bad taste’. ‘Gratuitously disagreeable’.

Als kind, nog voordat je leert zelf iemand te zijn, leer je je conformeren. De crèche, de klas, de gymles. Zwemles, verjaardagsfeestjes. Van kinderen wordt voortdurend geëist dat ze fungeren in groepen – iets waarvan ik het nut theoretisch gezien zeer goed begrijp, maar waar achteraf gezien ook een grote onderdrukking vanuit gaat. Een jeugd is, ook zonder diepe trauma’s, in veel opzichten iets waaraan je je maar hebt over te leveren.

Van jongs af aan leer je dat assimilatie vaak meer loont dan verzet. Dat opgroeien veel meer een kwestie is van in de pas leren lopen dan werkelijk zelfstandig denken. De kinderen die het hardst worden gepest, zijn de kinderen van wie een bepaalde weigering uitgaat; de kinderen die om wat voor reden dan ook anders zijn.

Op een ochtend in groep vijf kwam het meisje dat werd gepest het klaslokaal binnen met haar moeder. Zoals iedere ochtend zetten we onze stoelen in de kring om de dag te openen. De moeder nam plaats naast het meisje en vroeg om onze aandacht. Het meisje haalde een briefje uit haar zak.

Het begon al met haar naam, die we belachelijk vonden. Ze droeg rare kleren, had piekerig haar dat duidelijk niet door een kapper werd bijgeknipt. Ze was groot en stevig, intelligent. Het meest ergerniswekkende was dat ze niets zomaar over zich heen liet komen, dat ze haar mond open deed, autonomer was dan wij en daar ook nog eens trots op leek te zijn.

Samen met haar moeder had ze de kinderen in de klas onderverdeeld in drie heldere groepen: zij die pestten, zij die voor haar opkwamen, zij die in stilte toekeken. Ze las al onze namen voor van haar briefje. De eerste twee groepen waren klein, de laatste groep – waarvan ik zelf deel uitmaakte – veruit het grootst.

Het was een van de eerste keren in mijn leven dat ik werd aangesproken op mijn morele positie. De anonieme meerderheid waartoe ik behoorde was schaamtevol, en ik begreep heel precies waarom. Al die tijd had ik geweten dat het pesten gemeen was, maar nooit was ik voor het meisje opgekomen omdat ik simpelweg niet met haar geassocieerd wilde worden, bang om zelf het doelwit te worden.

Waarom, vroeg het meisje ons, de anonieme meerderheid, kwamen we nooit voor haar op? Waarom lieten we al dat gepest zomaar gebeuren? Ik voelde een steen in mijn maag, voelde met haar mee, maar dwars door alles heen dacht ik ook: daar zit ze met haar betweterige briefje, ons de les te lezen, zichzelf nog impopulairder te maken dan ze al was. Stom kind.

Wanneer mensen erop worden aangesproken dat ze onbeschaafd zijn, ondanks alle beschaving die ze zichzelf toedichten, maakt dat vaak woede in ze los. Die woede moet het ego beschermen tegen afgang. Ze moet rechtvaardigen wat we altijd hebben geleerd en geloofd: dat conformeren belangrijker is dan verzetten. Dat eigen verantwoordelijkheid en empathie ondergeschikt zijn aan assimilatie. Dat het systeem het systeem is.

Outrageous.