Wie zouden we zijn zonder de telefoon?

Cultuursociologen hebben zich van meet af aan gestort op de sociale dynamiek van de tv en de computer, maar ze zijn altijd wonderlijk stil gebleven over de telefoon. Terwijl dat apparaat toch een minstens zo grote invloed heeft op onze emotionele huishouding. Hoe de telefoon verhuisde van de gang naar de huiskamer en daar het middelpunt werd van een geindividualiseerd zorgnetwerk.

Ik was acht jaar toen de telefoon zijn intrede deed in ons gezin. Vermoedelijk had ik daar geen enkele herinnering aan overgehouden als dat eerste toestel die dag in 1962 niet was aangesloten door een boom van een kerel die kennelijk pas diezelfde ochtend bij de PTT in dienst was getreden. Mijn moeder had hem de plek gewezen waar het apparaat moest worden opgehangen en was vervolgens boodschappen gaan doen zo ging dat nog in die dagen. Toen ze terugkwam, was de man net klaar. Het apparaat hing op de ooghoogte van de bijna twee meter lange monteur, terwijl mijn moeder met moeite de een meter zestig haalde. Tegen sputteren en klagen was toen nog niet gebruikelijk en zo herinner ik mij het eerste telefoongesprek van mijn moeder als een bijna sacrale inzegening van het apparaat. Terwijl mijn moeder op een stoel was geklommen en ver boven mij verheven het nummer draaide, stond de rest van het gezin in spanning om haar heen verzameld de hoogte in te kijken. Toen zij begon te praten door die zware zwarte hoorn, was het alsof er een zegen over ons werd uitgesproken. Het wonder was geschied, de wereld was op ons neergedaald.
Ruim dertig jaar later doet dit verhaal ons meewarig denken aan de plattelanders uit vervlogen tijden die bij het zien van de eerste auto de sloot in doken. De telefoon is inmiddels een volstrekt vanzelfsprekend onderdeel geworden van het dagelijkse bestaan; een leven zonder telefoon is absoluut onvoorstelbaar voor moderne burgers. De telefoon is er gewoon altijd, binnen handbereik, op ieder moment bruikbaar. Een simpel telefoontje kan oorlogen voorkomen of doen losbarsten, de telefoon brengt als eerste berichten over leven en dood, de telefoon schrijft voortdurend geschiedenis zowel voor naties als individuen. De telefoonlijn betekent voor moderne individuen een permanente slagaderlijke verbinding met de buitenwereld, met familieleden, met vrienden, met vijanden, met kennissen en onbekenden. Als zodanig is de telefoon het meest aansprekende voorbeeld van hoe diep een moderne technologie kan doordringen tot in de vezels van het dagelijkse bestaan.
Juist daarom is het zo verwonderlijk dat er nagenoeg geen wetenschappers zijn die zich over de culturele betekenis van de telefoon hebben gebogen. In tegenstelling tot andere vormen van moderne technologie, zoals de televisie, de auto en de computer, bestaan er vrijwel geen cultuursociologische of -psychologische beschouwingen over de telefoon. Over de televisie is van begin af aan een cultuurslag gestreden over de vraag wat de invloed van het tv-kijken is op het gedrag van mensen. Over het telefoneren zijn de gemoederen van cultuurdenkers simpelweg nooit in beweging gebracht.
In het enige aardige geschrift over dit onderwerp in 1981 ter gelegenheid van het eerste Nederlandse eeuwfeest van de telefoon door de PTT uitgebracht wijt de journalist G.A. Glas dit ‘gebrek aan glamour’ aan het feit dat de telefoon de vijand is van zijn eigen geschiedschrijving. Als voertuig van de menselijke stem brengt het apparaat slechts klanken voort die daarna onmiddellijk in lucht opgaan: 'Al die miljarden gesprekken op een dag verdwijnen spoorloos in de tijd.’ De tragiek van de telefoon is dat als de hoorn op de haak ligt er niets tastbaars achterblijft afgezien van de rekening dan.
Toch is dat niet de belangrijkste oorzaak voor het gebrek aan geleerde belangstelling voor de culturele betekenis van de telefoon. De miskenning heeft waarschijnlijk veel meer te maken met de alles overheersende opvatting dat de telefoon ons vooral een neutrale, instrumentele en dus verder betekenisloze technologie biedt. De telefoon is simpelweg niet meer dan een ding waardoor je praat, maar dat op zich geen invloed heeft op mensen. Dat nu is een ernstige misvatting.
Hoezeer de telefoon mensen in sociaal en psychologisch opzicht uit hun tent kan lokken, blijkt bijvoorbeeld uit de enorme hoeveelheid telefoontjes die jaarlijks binnenkomen bij de zogeheten telefonische hulpverlening. Naar schatting verwerken de kleine dertig SOS Telefonische Hulpdiensten, de stichting Korrelatie, de twintig Kindertelefoons, de verschillende meldpunten voor seksueel geweld en de vele tientallen andere hulplijnen jaarlijks zo'n half miljoen telefoontjes, waarvan ruim de helft een hulpverlenend en zeer persoonlijk karakter heeft. Bij de SOS Telefonische Hulpdiensten per jaar goed voor bijna tweehonderdduizend telefoontjes gaat twintig procent van de gesprekken over relatieproblemen; zeventien procent over psychosociale problemen (depressieve gevoelens, angsten, identiteitsproblemen, algehele verwarring en onzekerheid); tien procent over eenzaamheid en negen procent over seksualiteit en seksueel geweld.
Dat zijn cijfers en problemen die zich goed laten vergelijken met wat er in een half jaar op de burelen van de Riaggs terechtkomt. Het gaat om enorme aantallen, waarbij moet worden aangetekend dat deze cijfers slechts het topje van de ijsberg laten zien. Onder de waterspiegel zitten al die sociale telefoongesprekken die mensen gewoon met elkaar voeren om hun gemoed te luchten, om te kankeren, om te kletsen, te informeren, zonder dat er sprake is van een probleem. De telefoon heeft zich in relatief korte tijd ontwikkeld tot een onmisbaar afvoerkanaal van het menselijke gemoed. Zoals de Nederlandse Spoorwegen adverteert met de leuze 'Waar zouden we zijn zonder de trein?’, zo zou PTT Telecom heel goed kunnen adverteren met de leuze: 'Wie zouden we zijn zonder een telefoonlijn?’
De telefoon biedt ons dus allesbehalve een neutrale technologie. Het is een medium dat schaamte en verlegenheid minder bezwaarlijk maakt, een technologie waarmee je bekentenissen kunt doen en die het mogelijk maakt om te communiceren zonder gezien te worden. De telefoon is zo omschreef een medewerker van de stichting Korrelatie het ooit treffend het 'moderne equivalent van de biechtstoel’ geworden, waarbij biechtstoel niet moet worden geassocieerd met de ouderwetse schuld van de gelovige ten opzichte van God, maar eerder met de moderne schuld en schaamte van de individuele burger ten opzichte van zichzelf. De telefoon is bij uitstek de mogelijkheid om het klinkt wat zweverig, maar het is moeilijk anders te omschrijven je tot jezelf te bekennen, om de waarheid over jezelf hardop te zeggen. De telefoon vormt daarmee de materie"le kern van wat de Franse filosoof Foucault als de moderne, op bekentenissen en waarheidsproduktie gerichte cultuur heeft aangeduid. Zonder telefoon zouden heel wat taboes en individuele geheimen bewaard zijn gebleven.
Hoewel de uitvinder van de telefoon, A.G. Bell, in 1876 al fantaseerde over 'socialising at distance’, het samenzijn op afstand, duurde het nog ongeveer een eeuw voordat de telefoon zijn enorme culturele kracht ook feitelijk ging uitoefenen. Dat gebeurde pas vanaf het moment dat het bezit en gebruik van de telefoon niet langer als iets zakelijks, maar ook als iets particuliers werd beschouwd. In Nederland later overigens dan in andere landen begon de telefoon eind jaren vijftig, begin jaren zestig aan zijn opzienbarende doorbraak naar het prive domein van de burger nagenoeg tegelijkertijd met de massale verbreiding van de televisie.
De eerste telefoon in Nederland werd in 1881 in gebruik genomen. Vervolgens duurde het zeventig jaar voordat er een half miljoen overigens voornamelijk zakelijke aansluitingen waren. Tussen 1950 en 1960 kwam daar nog eens een half miljoen bij en pas vanaf dat moment raakte de ontwikkeling in een stroomversnelling. Tussen 1960 en 1970 verdubbelde het aantal aansluitingen tot twee miljoen en in 1978 waren er al vier miljoen abonnees. Begin jaren tachtig dus eigenlijk nog maar nauwelijks tien jaar geleden werd vervolgens het moment bereikt dat zo ongeveer elk huishouden over een telefoon beschikte.
De eerste particuliere telefoons waren statussymbolen en hadden in de jaren vijftig en begin jaren zestig vaak een sociale buurtfunctie. Zoals de buren kwamen kijken naar de televisie, zo kwamen ze ook opbellen. De eerste telefoons, van die prachtige zwarte bakelieten toestellen, kregen ook geen plaats in de huiskamer maar aan de muur in de gang, meestal naast de GEB-meter. Het is kenmerkend voor het zakelijke, onpersoonlijke gebruik van de telefoon in de begindagen.
Dat veranderde toen telefoonbezit de regel werd. Vanaf dat moment begon het toestel aan zijn opmars naar het centrum van het huishouden. Zoals de televisie langzaam maar zeker een bepalende factor werd voor de naar-binnen-gerichtheid van het moderne gezin, zo werd vrijwel tegelijkertijd de telefoon het instrument dat de band met de buitenwereld intact moest houden. Hoewel het twee verschillende technologiee"n waren, stuwden ze een en dezelfde culturele ontwikkeling voort. Beide gaven op hun eigen wijze vaart aan het proces van individualisering; beide technologiee"n verbreedden het blikveld van de moderne burger, de tv maakte de moderne burger consument van het wereldgebeuren, de telefoon overbrugde afstanden; beide technologieen te zamen weekten de burger los uit oude, verzuilde, relatief afgesloten verbanden, de tv door ook andere waarheden te laten zien, de telefoon door het verre dichtbij te halen.
Alles wijst erop dat de tv en het telefoontoestel in het moderne huishouden een culturele alliantie zijn aangegaan. Waar de tv langzamerhand het uitgangspunt van de inrichting van de huiskamer werd, verwierf de telefoon zich in dat kielzog een bijna even centrale plaats. Hij kreeg een plek binnen het handbereik van de tv-kijkende burger, pal naast de meest comfortabele ziteenheden in de huiskamer. Waar de tv-toestellen zich vervolgens met de uitbreiding van het aantal tv-netten over de verschillende kamers in het huis verspreidden, volgden de telefoons al snel. Waar de televisie liet zien dat je kennelijk niet de enige bent die door je partner wordt geslagen, bood de telefoon de mogelijkheid om daar uiting aan te geven. De geschiedenis van de stichting Korrelatie ('Mocht u naar aanleiding van dit programma behoefte voelen om met iemand te praten…’), die in 1966 werd opgericht toen bleek dat de televisie onverwacht veel emoties kon losmaken, is eigenlijk het meest zichtbare bewijs hoezeer televisie en telefoon de dragers zijn van een en het zelfde culturele proces.
Binnen gezinnen of andere soorten huishoudens brengen beide apparaten zo hun eigen privacy en vormen van zelfstandigheid voort. Je eigen tv-programma kunnen kiezen en ongestoord kunnen bellen zijn in moderne gezinnen symbolen voor zelfstandigheid. Het is niet voor niets dat jongeren in de fase waarin zij aan zelfstandigheid gaan ruiken, dus zeg maar vanaf de puberteit, steeds vaker om een eigen tv en een eigen telefoontoestel vragen: het zijn symbolen voor de individualiteit die ze willen verwerven, het zijn instrumenten van een eigen Ik.
De vraag is natuurlijk wat dat voor vorm van individualiteit is die door deze huiselijke technologiee"n wordt aangestuurd. Nogal wat spraakmakende cultuurpessimisten, zoals de Amerikanen Neil Postman (The Disappearance of Childhood, 1983) en Alan Bloom (The Closing of the American Mind, 1987) zijn daar zeer somber over. Zij maken zich zorgen over de funeste invloed van de televisie op opgroeiende generaties. Men vreest onverschilligheid, oppervlakkigheid, beeldschermanalfabetisme en een toename van geweld en criminaliteit. Niet zelden brengen deze cultuurpessimisten de zaak zo alarmerend dat je al snel beseft dat er niets minder op het spel staat dan een beschaving.
Opmerkelijk in die beschouwingen die in Nederland weliswaar minder opzien baren, maar wel steeds frequenter hoorbaar zijn is dat men totaal geen oog heeft voor de complementaire werking die de telefoon in dit opzicht heeft in het leven van de moderne burger. Waar de tv iemand tot een actieve ontvanger maakt van allerhande boodschappen, maakt de telefoon iemand tot een actieve verzender van tal van persoonlijke en minder persoonlijke berichten. En zoals de tv via soaps, films, series, amusements- en praatprogramma’s grossiert in emoties, zo is de telefoon een centraal medium geworden in het emotionele huishouden van het moderne individu.
Dat geldt meer naarmate het individu niet of niet helemaal voldoet aan de hoge verwachtingen die rondom moderne en dus vooral zelfstandige en zelfredzame burgers zijn opgetrokken. En dat gebeurt in onze gecompliceerde wereld dus heel vaak. Juist als er twijfels, aarzelingen, problemen en ongewisheden zijn, biedt de telefoon een uitkomst, een mogelijkheid om over die onzekerheden in gesprek te raken met vrienden, met kennissen of als het heel diep gaat met hulpverleners. Anders gezegd: vandaag de dag zijn vermoedelijk de omvang van het individuele telefoonboekje en de hoogte van de telefoonrekening betere indicatoren voor de mate waarin iemand sociaal is ingebed dan de gebruikelijke, ouderwetse 'risicofactoren’ als werkloosheid, lage opleiding en slechte woonomstandigheden.
De telefoon is in een periode van vijfentwintig jaar uitgegroeid tot de belangrijkste technologie die binnen het emotionele huishouden van moderne individuen kan worden aangewend. De ontwikkeling in de architectuur van het telefoontoestel biedt daar ook de weerslag van. Het oude bakelieten toestel dat alleen maar staand en dus zakelijk te gebruiken was, werd eerst vervangen door een toestel dat de gebruiker dwong om te gaan zitten, en sinds een paar jaar hebben de nieuwste toestellen een platte vorm aangenomen die een nog grotere serene rust uitstraalt. Het moderne toestel heeft op deze wijze nog het meeste weg van een bed en misschien is het in dit verband zelfs aardiger het moderne toestel te vergelijken met de klassieke divan uit de psychoanalyse, waarbij de psychiater buiten zicht blijft.
Commercieel is de erkenning van de emotie regulerende betekenis van de telefoon allang een feit. Bij het openstellen van de 06-lijnen stonden de sekslijn ondernemers en de babbelbox-exploitanten vooraan in de rij. In deze kringen is men er al vroeg achter gekomen dat zaken die de kern van de individualiteit van burgers raken seksualiteit en het doen van intieme ontboezemingen goed gedijen in een sfeer van afstandelijke intimiteit. Of zoals Jim Reeves het ooit treffend zong: 'Put your sweet lips a little closer to the phone Let’s pretend that we’re together all alone.
De telefoon is er voor een belangrijk deel voor verantwoordelijk dat de fysieke aanwezigheid en zichtbaarheid van lichamen vandaag de dag voor het beleven van intimiteit al lang geen absolute voorwaarden meer zijn. In onze moderne cultuur presenteert een steeds grotere groep burgers zijn diepste roerselen en drijfveren bij voorkeur als zij zelf onzichtbaar blijven. Wij bekennen ons steeds gemakkelijker tot onszelf in fysieke afwezigheid of afstandelijke aanwezigheid van iemand anders. Dat is een constatering die niet alleen wordt onderbouwd door de belangrijke plaats die de telefoon in het emotionele huishouden van moderne individuen heeft ingenomen, maar bijvoorbeeld ook door de enorme toename van het aantal contactadvertenties een groei die in de tijd overigens opvallende parallellen vertoont met de doorbraak van de televisie en de telefoon.
Er zijn mensen die dit paradoxale proces van intieme anonimisering dat zich afspeelt in die groeiende onlokaliseerbare maatschappelijke sfeer waarin onzichtbare individuen elkaar aftasten door iets wezenlijks van hun individualiteit prijs te geven, als een verarming van onze cultuur zien. Seks via een telefoonkabel en een relatie met behulp van de PTT kan men toch moeilijk zien als het toppunt van menselijke romantiek; praten-zonder-oogcontact is toch altijd minder dan een goed gesprek in aanwezigheid van beide lichamen.
Dat soort scepsis hoe aannemelijk die wellicht ook lijkt toont eigenlijk alleen maar aan dat romantische ideaalbeelden uit het verleden in ons bewustzijn blijven circuleren, ook al geeft de realiteit daar steeds minder aanleiding toe. Wat zich als nieuw aandient, is alleen maar vanuit een nostalgisch perspectief kwalitatief minder; vanuit een realistisch oogpunt is het in ieder geval praktischer en bruikbaarder dan de instrumenten uit het verleden. Dat geldt dus ook voor de culturele dynamiek van de telefoon: daardoor werden gesprekken mogelijk waaraan kennelijk een steeds grotere behoefte bestaat.
Dat is ook de beste manier om tegen de mogelijkheden van de telefoon aan te kijken. Niet als een medium dat minder is als een face-to-face communicatievorm, maar als een medium dat in deze tijd psychologisch gezien grote voordelen biedt. De telefoon maakt bijvoorbeeld beide partijen vanaf het begin van het contact gelijkwaardiger. In principe gaat men een relatie aan waarin ieder te allen tijde de macht heeft om het gesprek te stoppen, desnoods met een oncontroleerbaar smoesje ('Ik moet ophangen, er wordt gebeld’). Dat is een groot psychologisch voordeel ten opzichte van een communicatievorm waarin de gesprekspartner aanwezig is. Een fysieke ontmoeting is nu eenmaal niet zo gemakkelijk af te breken; de communicatie kan wel spaak lopen, maar de lichamen zitten elkaar vervolgens nog in de weg.
Dit kenmerk van de 'macht om te stoppen’ raakt ook aan de kern van het telefonisch hulpverlenen. Met dien verstande dat in die situatie bij voorbaat vaststaat dat het machtsevenwicht per definitie in het voordeel van de beller uitvalt. De beller zit met een probleem en vaak niet het geringste, maar hoe onmachtig de beller in die probleemsituatie ook is, in dat telefoongesprek is hij de baas. De beller bepaalt het tijdstip, de diepgang en de lengte van het gesprek en weet zich bovendien verzekerd van anonimiteit.
Dat is ook de reden waarom veel mensen juist naar deze en niet naar een andere mogelijkheid grijpen: in een situatie van onmacht zoekt men eerst een bevestiging van de eigen vermogens. Dat maakt telefonisch hulpverlenen ook zo moeilijk. Een verkeerd woord van de hulpverlener en de hoorn kan op de haak liggen. Er is altijd de dreiging van een onaf gesprek. Een telefonisch hulpgesprek dat mislukt, duwt de beller terug in zijn onmacht; een telefonisch gesprek dat lukt, bevestigt voor het eerst de macht van de beller en dat is een voorwaarde om de volgende noodzakelijke stappen te kunnen doen.
Een ander modern voordeel van de telefoon zit hem juist in haar aangename beperkingen. De telefoon is boven alles een verbaal doorgeefluik dat alle andere indrukken die bij fysieke communicatie horen, wegfiltert. Dat biedt ruimte aan de verbeelding, het prikkelt de nieuwsgierigheid en de behoefte om materiaal te verzamelen dat daar invulling aan kan geven en dat kan alleen als men vrijuit en ongedwongen spreekt. Een telefoongesprek met onbekenden kan zodoende uitgroeien tot een onverwacht en bijzonder psychologisch avontuur, maar dan wel een gecontroleerd avontuur waaruit je zelf elk moment kunt ontsnappen.
Het hoeft weinig betoog dat je een dergelijke situatie tijdens fysieke ontmoetingen maar zelden aantreft. De telefoon verlaagt klaarblijkelijk de schroomdrempel van mensen; telefoneren neemt een soort schaamte weg waar mensen in het openbaar zichtbaar last van kunnen hebben. Veel stotteraars bijvoorbeeld blijken door de telefoon vaak zonder haperingen te spreken, maar zo gauw ze iemand in het echt treffen, begint hun tong de woorden weer te breken.
Iedereen kent inmiddels de sombere verhalen over de verwoestende sporen die de vooruitgang door onze samenleving heeft getrokken. Het bekende rijtje wordt met de regelmaat van het weerbericht opgesomd: de gemeenschapszin is verdwenen, oude familiebanden zijn kapot gegaan, de mensen letten niet meer op elkaar en die oude hechte buurten bestaan niet meer. De moderne maatschappij stemt in sociaal opzicht nog maar zelden tot vrolijkheid er is sprake van atomisering, anonimisering, ontheemding en versplintering en nog wat van die mooie woorden. Er is van alles vernietigd en verdwenen, en er is nagenoeg niets voor in de plaats gekomen. Zo lijkt het.
Tegelijkertijd vonden er in 1992 in Nederland een kleine negen miljard telefoongesprekken plaats. Dat is met inbegrip van alles en iedereen gemiddeld zo'n duizend gesprekken per inwoner. Hoeveel van deze gesprekken zouden over zorg of over liefde zijn gegaan? In hoeveel gesprekken staken we elkaar een hart onder de riem? Hoe vaak zeiden we: 'Kop op joh, slaap er eerst nog maar een nachtje over’? In hoeveel gesprekken zeiden we: 'Je kunt me altijd bellen’? We weten het niet.
Maar als we de cijfers wisten, zou het dan zoveel minder zijn dan in de tijd van fysieke burenhulp en familiale zorgnetwerken? Waarschijnlijk niet. En gezien de voordelen die de telefoon biedt, zou het wel eens aanzienlijk meer kunnen zijn. Zoals de informele zorg die mensen in dit land voor elkaar opbrengen bij elk onderzoek opnieuw weer verrassend veel groter blijkt dan dat we op grond van de kille en sombere individualiseringsverhalen zouden verwachten, zo is de onderlinge betrokkenheid vermoedelijk veel groter dan sociologen en politici ons willen doen geloven.
Het probleem van de moderne samenleving is niet zozeer wat er allemaal aan sociaal goeds is teloorgegaan; het probleem is dat wat voortgestuwd door moderne technologieen daarvoor in de plaats is gekomen, buiten het traditionele blikveld valt. Het is onttrokken aan de empirische registers van de sociaal-wetenschappelijke (en dus tevens de traditionele politieke) waarnemingen. Veel van 'het sociale’ is met behulp van de telefoon toegetreden tot het prive-domein en daarmee onzichtbaar geworden. Maar dat betekent niet dat onderlinge zorg en betrokkenheid minder zijn geworden, ze hebben alleen een andere culturele uitingsvorm gekregen. Waar de lichamen steeds meer op afstand van elkaar blijven, hoeft er vandaag de dag dank zij de telefoon aan menselijke warmte niets verloren te gaan.
Nee, die plechtige inzegening van onze telefoon in 1962 was zo misplaatst nog niet.