Wiegeldewiegel

In Venetië: De leeuw, de stad en het water, het prettig lichte reisverslag van Cees Nooteboom, komen al zijn grote thema’s samen.

De Venetiaanse gondel – ‘Verplicht genot voor de één, gewisseld in noodzakelijk geld voor de ander’ © Simone Sassen

Toen ik eens een tripje door Venetië maakte in de voetsporen van Ernest Hemingway, betrapte ik me erop dat ik bij allerlei schilderachtige uitzichten in gedachten bromde: It’s not that it is picturesque. The hell with picturesque. It’s just damned beautiful.

Waarom begreep ik niet helemaal, maar de stad veranderde hierdoor. Het maakte kennelijk nogal uit of je met Hemingway langs die kades stapt of met Proust, met Brodsky, met Mann of met welke van die honderden Venetië-schrijvers ook. De stad is zo vaak beschreven en bezongen dat je als lezer onvermijdelijk een innerlijke audiotour met je meedraagt, die op de raarste momenten kan aanslaan.

Bij kerkklokken bijvoorbeeld. Vrij geregeld dacht ik daarbij onwillekeurig: ah, de ‘bronzen stemmen van de tijd’! Was getekend: Cees Nooteboom. En het deed me goed de volledige zin weer tegen te komen in zijn grote Venetië-boek: ‘Kwartier, half uur, uur, de bronzen stemmen van de tijd die je in andere steden niet meer hoort, hier vallen ze over je heen in stegen en op bruggen, alsof het de tijd zelf is die je achtervolgt.’

Zelf denkt Nooteboom vaak – al vrijwel meteen aan het begin – aan Louis Couperus. En na een lang, schilderachtig citaat, concludeert hij iets interessants: ‘Nee, zo kun je niet meer schrijven, aangeraakt door symbolisme en impressionisme, traag en een beetje broeierig, met allerlei kleine touches om toch vooral elke nuance van het licht, of van het water, of een kunstwerk over te brengen, maar ik kan nog steeds zo lezen, want door Couperus te lezen ben ik dan wel nog steeds in dezelfde stad, maar een eeuw eerder, een stad waarin nog een geur van het net verdwenen fin de siècle hangt, een trager en langzamer Venetië.’

Die mentale tijdreis is veel meer dan nostalgie. Ze leidt tot het inzicht dat ‘een verandering van taal ook een verandering van zien inhoudt’. Dat is het. Dat is waarom Venetië nu eens ‘damned beautiful’ kan zijn, dan weer ‘Disneyland Italia’, dan weer een ‘caleidoscopisch sprookje’, zonder een steen te hoeven verzetten. De taal gaat aan de waarneming vooraf, vervormt de waarneming. Venetië is wat dat betreft een ultiem, gecondenseerd voorbeeld van hoe literatuur werkt, hoe woorden bemiddelen tussen je blik en de wereld.

De keerzijde hiervan is dat je er ook vanaf wilt, van al die stemmen en voorgevormde visies, of dat nu artistieke voorgangers of toeristen zijn. Die ontsnappingspoging (jaja, Casanova) is een ander terugkerend motief in dit boek. ‘Wie zijn eigen Venetië wil vinden, zal koppig moeten zijn en vastbesloten, gekleed in een onzichtbaar pantser, en nederig bedenken dat hij voor al die anderen ook gewoon een ander is die hun voor de voeten loopt en hinderlijk tegen hen aangedrukt staat op het open middenstuk van de vaporetto zonder iets om zich aan vast te houden.’

‘Tien keer Venetië en voor het eerst in een gondel’

Wat Nooteboom het liefste wil, is dat de oorspronkelijke Venetianen, die er amper meer zijn, in hem een stadsgenoot menen te zien. Onmogelijk, weet hij ook wel. Dus wordt dit zijn streven: ‘een miniseconde Venetiaan te zijn vóór de onvermijdelijke ontmaskering plaatsvindt’.

Humoristische, wat aandoenlijke situaties levert dat op, maar één avond, tijdens een obscuur concert in een kerkje, gaat zijn wens in vervulling: ‘Een uiterst Venetiaanse aangelegenheid, men was onder elkaar, de muziek zou ons met kerk en al optillen, dat kon je rustig aan Palestrina overlaten. Op zulke ogenblikken bestaat er geen sterfelijkheid. (…) Even was ik op een herfstige avond een Venetiaan geweest in Venetië.’

Zulke passages verhelderen wat de reiziger Nooteboom wil: versmelten met zijn reisobject, erin opgaan, anoniem. Daarmee is hij precies wat Baudelaire in zijn beroemde essay uit 1863 opmerkt over de flaneur. Dat is niet zozeer iemand die opzichtig over boulevards paradeert, nee, ‘de volmaakte flaneur’ is juist ‘een vorst die overal van zijn incognito geniet’, ‘in het middelpunt van de wereld te staan en toch voor de wereld verborgen te blijven’.

Dat lijkt me een vrij adequate typering van de nu 85-jarige Nooteboom, die de hele wereld tot het decor van zijn levenslange flânerie heeft gemaakt. Aan zijn lange, ritmische zinnen merk je hoe ronddwalen en hardop denken over wat hij ziet zijn natuurlijke staat vormen. Zijn reiservaringen resoneren overal. Weinigen zullen zo haarscherp kunnen analyseren hoe ‘twee volstrekt verschillende beschavingen’ ‘op elkaar botsen’ als hij een groepje Chinezen voor een gondel ziet wachten. ‘Verplicht genot voor de één, gewisseld in noodzakelijk geld voor de ander.’

Er is Nooteboom wel eens een hang naar zwaarte, grote woorden en gewichtige eruditie verweten. Dat kun je van bepaalde passages over specifieke schilders en schilderijen misschien vinden, maar mij trof nu juist een zekere lichtheid. Die blijkt bijvoorbeeld uit de gretige verwijzingen naar de thrillers van Donna Leon (‘die overal ter wereld, maar niet in het Italiaans verschijnen’). En niet eerder heb ik een reisverslag bij hem als volgt zien beginnen: ‘Wiegel. Wiegeldewiegel. Wiegeldewiegeldewiegeldewiegel. Ik heb het eindelijk gedurfd. Tien keer Venetië en voor het eerst in een gondel.’

Niets moest hij ervan weten, dat doelloos rondplonzen van toeristen, maar gelukkig waagt hij zich er toch één keer aan. Daaraan danken we een van de prachtige foto’s van reisgenote Simone Sassen, die het klaarspeelt om ongetwijfeld de meest gefotografeerde stad op aarde in nieuwe perspectieven vast te leggen. Naar abstract neigende composities van gevels of moerasbegroeiing, of dikbesneeuwde terrastafels op het San Marcoplein.

Voor kenners van zijn oeuvre valt met dit boek ontzettend veel op zijn plaats. Venetië, de stad waar Nooteboom sinds 1964 vaak komt, verenigt al zijn grote thema’s in extremis. Het doelloos dwalen natuurlijk, waar deze stad synoniem mee is, maar denk ook aan de prominent aanwezige kloosters. ‘Mijn klooster is de wereld’, laat Nooteboom in Rituelen een op Mulisch gebaseerde schrijver zeggen, maar het geldt natuurlijk vooral voor hemzelf. Venetië heeft niet alleen talloze kloosters maar is er zelf een, afgezonderd door het water en toch verbonden. En denk uiteraard aan de geschiedenis van Europa, aan de raadselen van tijd en herinnering, van droom en werkelijkheid, en vooral ook het secure, hartstochtelijke kíjken. Geen enkele stad is zo door en door visueel. Toch heeft dit boek vooral mijn innerlijke audiotour gevuld met nieuwe zinnen.