De gouden eeuw van het tv-drama

Wietkwekers en terugmeppende homo’s

Het eigentijdse tv-drama is ongekend populair. Kunnen ook in Nederland series worden gemaakt die rauw en realistisch zijn - en goed? Er is hoop. Van God los bijvoorbeeld, over wanhoop en onmacht.

ALS IK in mijn vrije tijd een dvd-schijfje in de speler schuif, dan is de kans groot dat het geen speelfilm is, maar een aflevering van een televisieserie: Mad Men, The Wire, The Sopranos, Six Feet Under zijn meer in trek dan de hoogtepunten van het afgelopen arthouse-seizoen. Het is even wennen aan de gedachte, voor wie opgegroeid is in het rotsvaste besef dat televisie pulp produceert en dat de bioscoopfilm per definitie betere kwaliteit levert. Maar die verrassende conclusie wordt langzamerhand onontkoombaar: in de Verenigde Staten en Nederland, maar ook bijvoorbeeld in Scandinavië worden met grote regelmaat televisieseries geproduceerd die beter zijn dan de gemiddelde fictie voor het grote scherm.
Nog niet zo lang geleden waren de kaarten heel anders geschud, zeker in Nederland. In de jaren 2005-2007, toen John de Mols zender Tien/Talpa de afschuw opriep van weldenkend Nederland, moest diezelfde elite toegeven dat er op het gebied van Nederlands drama daar meer werd gepresteerd dan door de publieke omroep. Gooische vrouwen, Van Speijk en de experimentele misdaadserie Parels & Zwijnen dienden toen als paradepaardjes van Talpa, terwijl de publieke omroep de prioriteiten elders legde. Op dramagebied werd door de publieke omroep voldaan aan langlopende verplichtingen, die al geld genoeg kostten, zoals de telefilms, De oversteek en natuurlijk de coproductiebijdragen aan de vaderlandse speelfilm, maar eigenstandige nieuwe initiatieven op het gebied van televisiefictie ontbraken nagenoeg.
Sindsdien is het beleid drastisch gewijzigd en werd er weer extra geld vrijgemaakt voor prestigieuze dramaseries, die ook op grote waardering en goede kijkcijfers kunnen rekenen. Sommige van die nieuwe drama-initiatieven bouwden voort op oude formules. Seinpost Den Haag is een minder geslaagde continuering van de alledaagse politiebeslommeringen in Van Speijk, Flikken Maastricht is de publieke variant op Baantjer en Penoza leek in veel opzichten op The Sopranos. Maar er werd ook aansluiting gevonden bij de Amerikaanse en Scandinavische trend om maatschappelijke problemen te verwerken in een breed canvas van hoofd- en subplots, te vergelijken met de naturalistische feuilletons die Charles Dickens en Honoré de Balzac aan het einde van de negentiende eeuw schreven: niet alleen of zelfs hoofdzakelijk als een aanklacht, maar omdat het zulke goede verhalen zijn, die erom schreeuwden verteld te worden.
De blauwdruk voor het breed opgezette nieuwe naturalisme in de televisiefictie vormt de HBO-serie The Wire, gecreëerd door voormalig politieverslaggever David Simon. Er waren vijf seizoenen (2002-2008), zestig afleveringen van een klein uur elk, waarvan er geen enkele werd uitgezonden door een Nederlandse publieke of commerciële zender, met uitzondering van het kleine digitale kanaal 13th Street. Het is bekend: buitenlandse kwaliteitsseries als The Sopranos en Mad Men halen in Nederland kijkcijfers die in geen relatie staan tot wat je op grond van kwaliteit en bekendheid verwachten zou. Toch geniet The Wire ook in Nederland van een forse reputatie, voornamelijk gebaseerd op de consumptie van de dvd’s en downloads.

IK MOEST er eerlijk gezegd in het begin erg aan wennen. Na een of twee afleveringen had ik de neiging af te haken, omdat het mozaïek van schijnbaar weinig samenhang vertonende gebeurtenissen aan de zelfkant van de door drugs en misdaad geteisterde stad Baltimore niet beantwoordde aan mijn behoefte aan traditioneel drama, met een enkele held die tegenslagen moet overwinnen. Maar ik zette gelukkig door en ontdekte na enige tijd dat die klassieke dramatische structuur wel degelijk aanwezig was, zij het gehuld in een dicht web van personages en hun wederwaardigheden, waarnaar het niet altijd prettig kijken was. Het gaat in The Wire om het in kaart brengen van een systeem, een beetje zoals Frederick Wiseman in zijn documentaires de tijd neemt om instellingen te portretteren: het onderwijs, justitie en politie, de gezondheidszorg, het lokale bestuur, de media. Het totaalbeeld is vaak weinig verheffend en de corruptie zo diep geworteld dat een individuele strijder tegen onrecht minstens zo vaak zijn neus stoot als dat hij kleine succesjes boekt. In dramatische zin is de structuur eerder cyclisch dan lineair, want vaak blijk je aan het einde van het seizoen weer terug te zijn bij af. En toch werkt The Wire verslavend, misschien wel juist omdat de catharsis uitblijft.
Bestaat er al een Nederlandse versie van The Wire? Niet echt, maar er zijn hoopvolle signalen dat er in die richting gedacht wordt. Als het gaat om een nieuwe, meanderende dramatische structuur, dan komt A'dam - E.V.A. een eindje in de richting. Scenarioschrijver Robert Alberdingk Thijm en regisseur Norbert ter Hall vertellen een liefdesgeschiedenis tussen een jongen die nieuw is in de hoofdstad en een meisje dat daar al haar hele leven woont. Maar dit verhaal is slechts de vaag verbindende schakel tussen op zichzelf staande anekdotes rond personages die voor een groot deel niet terugkeren in een volgende aflevering. In zekere zin is de echte hoofdrol voor Amsterdam, als conglomeraat van grote en kleine drama’s. Ook in de cameravoering zijn voor- en achtergrond vervaagd en wordt vaak van een afstand gekeken naar quasi-documentair verbeelde gebeurtenissen, alsof de kijker ze toevallig waarneemt.
Met realisme of naturalisme had A'dam - E.V.A. echter weinig van doen. Eerder was de stad weer als vanouds een soort magisch centrum geworden, een plaats waar dromen en nachtmerries werkelijkheid kunnen worden. Met een beetje slechte wil kon je er de geprojecteerde verlangens en angsten van een provinciaal in herkennen, die denkt dat in de hoofdstad alles heftiger en intenser wordt ervaren. De wisselende kwaliteiten van een breed scala aan acteurs maakten de geloofwaardigheid er niet groter op.
Er is wel een andere recente Nederlandse dramaserie die op een rauwe en realistische manier de onderkant van de samenleving weet te verbeelden, alleen ontbreekt daarin weer de cyclische structuur, omdat het feitelijk geen feuilleton is, maar een reeks op zichzelf staande single plays. Van God los, gesuperviseerd door David Lammers, ontleent zijn naam (en producent) aan Pieter Kuijpers’ bioscoopfilm uit 2003 over de zogeheten Bende van Venlo. In elke aflevering van de serie wordt een recent Nederlands geweldsmisdrijf ontrafeld en gefictionaliseerd, telkens door andere acteurs, regisseurs en scenarioschrijvers. Het komt vaak voor dat misdaadonderwerpen in Nederlands drama geperst worden in de mal van genreconventies. Criminelen zijn gevaarlijke psychopaten of getapte volksjongens met een hart van goud, en soms zelfs allebei. Dat kan heel amusant en geloofwaardig uitpakken, zoals in Penoza en het zeer goed gemaakte Overspel. Maar er knaagt toch vaak het besef dat de meeste misdrijven, zeker in de gewelddadige sfeer, gepleegd worden door verre van pittoreske, heel gewone mensen in het nauw. Wietkwekers, terugmeppende homo’s, plegers van crimes passionnels of mensen met hoge schulden en lage IQ’s zie je niet zo vaak in televisie- of filmdrama uit Nederland. Het is de verdienste van de serie Van God los dat die rafelrand van wanhoop en onmacht eindelijk eens tot fictie wordt verwerkt. En dat gebeurt dan ook nog eens op het allerhoogste ambachtelijke niveau, dat bijna vanzelfsprekend geloofwaardigheid impliceert.
Vermoedelijk was het toeval dat de eerste aflevering van Van God los, gebaseerd op de moord die Troeta W. pleegde op haar rivale in de liefde, een dag later werd gevolgd door een gesprek met de echte Troeta in de non-fictieserie Moordvrouwen op Net5. Het grootste compliment voor de fictiemakers was dat Georgina Verbaan overtuigender was in haar motieven dan de vrouw die ze min of meer vertolkte. Waar Troeta alle ruimte kreeg van de interviewer om zichzelf vast te draaien in tegenstrijdige en onsamenhangende drogredenen, was de gedramatiseerde ‘Troeta’ een heldere noodlotsheldin - het voordeel van verdichting.

OM KUNSTENAARS in staat te stellen tot het ontwikkelen van een verhelderende visie, die soms zelfs meer waarheid bevat dan de prozaïsche en verwarde werkelijkheid, moet je ze bovenal de ruimte geven. En in die ruimte schuilt ook de verklaring waarom dat tegenwoordig vaak beter werkt op televisie dan in de bioscoop.
Allereerst biedt de schier eindeloze lengte van een feuilleton meer mogelijkheden tot subtiliteiten en subplots dan de samengebalde essentie van een speelfilm. Dat voordeel van zestig uur The Wire boven anderhalf uur van de gemiddelde Hollywood-productie geldt des te sterker in ons huidige complexe tijdsgewricht. Kon je in het verleden personages soms gemakkelijk relateren aan hun afkomst, beroep, milieu, geloof of etniciteit, in de gemondialiseerde wereld van mondige burgers steken identiteiten gecompliceerder in elkaar. Aan het dramatische steno van stereotypen heeft een eigentijdse fictieschrijver zelden meer genoeg en dus moet hij veel uitleggen, liefst tussen de regels door. Dat kost tijd, ook op het scherm.
Ruimte is ook een kwestie van vrijheid. Was van oudsher de filmkunstenaar het meest verzekerd van artistieke armslag in een subsidiecultuur, die is nu niet langer vanzelfsprekend. Juist omdat de Nederlandse speelfilm de laatste jaren in absolute zin meer bezoekers naar de bioscoop trekt, wordt de marktgerichte aanpak een dwingend harnas en dringen de subsidiënten van film aan op het imiteren van succesformules, die veelal bestaan uit het verfilmen van bestsellers en het casten van Bekende Nederlanders in de hoofdrollen. Bovendien is herkenbaarheid, van zowel de titel van de film als het gegeven, een groot voordeel in de essentieel geachte marketing voor nauw gedefinieerde doelgroepen. In Hollywood, het grote voorbeeld voor veel Nederlandse filmproducenten en beleidsmakers, speelt die drang tot winstgevendheid altijd al. We gaan in Nederland toe naar dat Amerikaanse model, van sponsors en geldschieters op zoek naar makkelijk succes enerzijds, en een kleine groep van door de resterende subsidies beschermde onafhankelijke artiesten anderzijds. Die lopen het risico te verstenen in een kunstzinnig isolement, een niet meer door de realiteit uitgedaagd gebrek aan wisselwerking met enig substantieel publiek.
Wat in de Nederlandse bioscoopfilm nu praktisch braak ligt is het middensegment, van intelligente en onderhoudende producties voor een middelgroot publiek. Denk aan films als Simon van Eddy Terstall of Lek van Jean van de Velde. In dat gat springt de publieke omroep met series als Vuurzee, Overspel, Annie M.G., Van God los en de diverse series over leden van de koninklijke familie. In Amerika zie je dat al veel langer bij zenders als HBO: geen publieke omroepen, maar kabelbespelers die door hun vaste inkomsten uit abonnementen enigszins ongevoelig kunnen blijven voor een al te rigide tucht van de markt.
Het aardige is dat er ook met dit soort kwaliteitsseries voor televisie uiteindelijk heel behoorlijk geld valt te verdienen, omdat ze in hoge mate door de mondige consument bekeken worden op dvd of via digitale diensten als video on demand. Wie heeft er nu nog tijd en vrijheid genoeg om zijn leven te organiseren rond eenmalige vertoningen op televisie, al dan niet gevolgd door een herhaling? Ook de feuilletons van Dickens werden uiteindelijk dikke boeken en vonden in die vorm hun meest bestendige lezersgroep. Ik heb de indruk dat bij de grote Nederlandse series wel degelijk nagedacht wordt over een langdurige exploitatie via andere kanalen dan het open net, maar dat daar nog niet heel indrukwekkende resultaten mee behaald worden. Zeker is dat de inkomsten op lange termijn nog geen cruciale factor vormen in de financiering van de aanzienlijke kosten.
Het is ook nog niet zo ver dat mensen een gratis door de publieke omroep vertoonde Nederlandse televisieserie bewaren tot die op dvd uitkomt. Omdat HBO-kijkers al vanaf de eerste uitzending betalen moeten, is dat tweede leven tegen vergoeding voor Amerikaanse series meer vanzelfsprekend.
Hoewel er eerdere bloeiperiodes zijn geweest voor kwaliteitsseries, zoals bijvoorbeeld de succesvolle thuistheaterprogramma’s in de jaren vijftig ('The Golden Age of Live Television Drama’) hebben de sterren nooit zo gunstig gestaan als nu. Dat heeft bovenal te maken met de gevorderde mogelijkheden tot controle over tempo en tijdstip van het kijken. En dat we een periode naderen van grote sociale tegenstellingen, dat maakt de behoefte aan nieuwe visuele pendanten van Dickens alleen maar groter.

Hans Beerekamp (1952) is televisierecensent en voormalig filmredacteur van NRC Handelsblad