Hoe is dat zo gekomen
Van altijd blijven slapen
Tot nooit meer willen zien?
Dit gedicht van Judith Herzberg, Vraag getiteld, kan soms zomaar mijn hersenpan binnendringen om er een tijdlang als een mantra rond te blijven zingen. Terwijl ik niet eens met een verbroken relatie te kampen heb. Alleen maar met buren die sinds ruim een jaar een kind hebben, een jongetje.
‘Hé wie hebben we daar?’ De muur die onze woningen verbindt is niet zo dik. Als ik stilletjes in mijn eentje aan tafel de krant zit te lezen, kan ik precies horen hoe hij wordt begroet als hij zijn slaapje heeft gedaan.
Nooit zal uw kind meer zo veel lachen als tijdens zijn eerste levensjaar, schrijft Spock. Of was het de eerste twee jaren? Of drie misschien zelfs? Ik zou het kunnen nazoeken, ergens in huis moet Spock nog wel liggen te verstoffen, maar ik heb er geen zin in.
‘Hé wie hebben we daar?’
Ik zie het voor me. Het prinsje wordt rondgedragen, op de schouders genomen, toegejuicht.
Nooit zal je in je leven meer zo vaak en zo enthousiast worden begroet als in je eerste levensjaar, of vooruit, in de eerste twee levensjaren.
Ik kan het niet zo goed laten, en ben er een kleine vijftien jaar later nog mee bezig.
‘Hé wie hebben we daar?’ vraag ik als mijn zoon de trap af komt vallen.
Een vermoeide blik wordt mijn deel.
‘Jij hier’, zegt hij.
Nog iets wat ik niet goed kan laten: hem vragen stellen.
‘Ben je Homerus aan het lezen?’
‘Wat doe je op mijn kamer?’
‘Je sokken en je handdoeken oprapen om in de was te gooien.’
‘Moet ik een slot op mijn deur nemen?’
Wat ik ook niet kan laten: hem boeken te lezen geven. De schrijver als metgezel in duistere tijden, dat genoegen gun ik hem. In dat verband leek De donkere kamer van Damokles me echt iets voor hem. Woedend lag hij het op de bank te lezen. Ooit wierp hij uit puur verdriet een van de laatste Harry Potter-delen in een hoek. ‘Zo mag een boek gewoon niet aflopen!’
Opnieuw weet een schrijver hem tot het uiterste te tergen.
‘Heeft Hermans wel eens een prijs gewonnen?’
‘Wat voor prijs?’
‘Voor slecht schrijven.’
Op tafel beneden ligt een tijdlang De uitvreter, een exemplaar uit de schoolbibliotheek.
‘Hoe vind je het?’ vraag ik, onverbeterlijk gretig.
‘Dat is toch niet om door te komen? Kom op, geef toe.’
Als hij zich ergert aan de manier waarop ik mijn eten kauw, denk ik dat hij toe is aan De avonden.
Na twee dagen geeft hij het terug.
‘Hoe oud zijn die gasten eigenlijk?’
‘Hoezo?’
‘Ze hebben het de hele tijd over kaal worden.’
‘Moest je er niet om lachen?’
Twee seconden stilte.
‘Nee.’
Een paar dagen later zitten we samen kauwend voor de tv. De wereld draait door. Er is een schaamlipchirurg uitgenodigd, en daar moeten lichtbeelden bij. Ik durf niet te kijken, en tuur door mijn wimpers, een beproefde truc waarmee je de wereld op afstand kunt zetten (en waarmee je moet uitkijken, want voor je het weet ziet Matthijs van Nieuwkerk eruit als de gewild jeugdige presentator van een goedkope Duitse show).
‘Is het heel erg?’ vraag ik turend.
Hij haalt zijn schouders op en kauwt onverdroten voort.
Ach, zeggen die schouders. We hebben wel ergere dingen gezien.
Later is een schrijversduo te gast. Een man en een vrouw, Vlaams. Ze hebben samen onder een mannelijk pseudoniem een roman geschreven, over jongeren en waar die zoal mee bezig zijn. De mannelijke helft van het duo leest een passage voor waarin jonge katjes worden verkracht; de vrouw, met haarspeldje om een kennelijk weerbarstige lok op zijn plek te houden, kijkt er zeer kloosterlijk bij.
‘Zet dat maar uit’, zegt mijn zoon, die in zijn eerste levensjaren ontzettend heeft gelachen en die ik nog iedere dag tot ziekmakens van iedereen begroet.
Ik ben nieuwsgierig geworden en vraag het ter recensie aan bij de uitgever. Er is zowaar een sticker door de uitgeverij op het boek geplakt. ‘Waarschuwing: bevat expliciete scènes’. Maar voordat ik het kan lezen, is het verdwenen.
Tijdens een sokken- en handdoekenopraapsessie zie ik het opengeslagen naast zijn bed liggen. Hij heeft het al bijna uit.
‘Hoe is dat Wij eigenlijk?’ vraag ik als hij uit school komt.
Hij zucht.
‘Ik ben er wel benieuwd naar’, zeg ik.
Hij zucht nog een keer.
‘Ik heb liever niet dat jij dat leest’, zegt hij.