Wij

Als ik het goed begrijp, zegt mijn buurman, ga je het dus alleen doen?

Hij roert in een pan ossobuco. Via de boxen klinkt pianomuziek, Philip Glass misschien. Net als mijn appartement is het zijne voorzien van een kookeiland met bar. Welcome to my crib, zeg ik tegen vrienden die me hier komen bezoeken. Ik leef een droom die niet de mijne is; de droom van een man alleen die na een dag hard werken bij een IT-bedrijf thuiskomt, met een afstandsbediening al zijn lampen bedient, zijn Google Home-installatie vraagt om het laatste nieuws terwijl hij, leunend tegen die bar dus, zijn post doorneemt – de eeuwigdurende lockdown alleen maar een uitvergroting van zijn permanente toestand.

Even daarvoor heeft mijn buurman gevraagd of ik een glas rode wijn wil. Ik wil bijna altijd een glas rode wijn, en dat niet alleen: ik wil iemand zijn die altijd een glas rode wijn wil. Het is onverwacht sterk in me aanwezig gebleken, de noodzaak me nader te verklaren bij het afslaan van drank.

En dus vertel ik mijn buurman dat ik zwanger ben, waarna hij zijn vermoeden uitspreekt dat ik ‘het’ alleen doe. Nu heb ik me altijd, bewust en onbewust, verzet tegen praten in een wij-vorm. In geen enkele omstandigheid, zelfs niet in de huidige, zie ik mijn identiteit verdubbeld, mijn leven als iets wat deelbaar zou zijn door twee of meer. Ik ben in wezen het kind gebleven dat haar vader op de eerste schooldag wegduwde omdat ze met niemand geassocieerd wilde worden, en al helemaal niet met haar vader. Ze wil alles zelf doen, noteerde mijn moeder in een boekje dat ze over me bijhield, maar wordt ongeduldig als het even niet lukt.

In 2021 ziet een aanstaande moeder Betty Draper-­achtige misère voor zich

Al vaak heb ik mensen een ‘verkeerde’ indruk gegeven met dat weigeren van een wij. Ik wist niet dat je bezet was, zeggen ze dan. Waarop ik helaas nooit heb geantwoord dat bezet zijn iets is voor landen in oorlog en wc’s.

Maar de laatste tijd heeft mijn pertinente spreken in de eerste persoon enkelvoud een andere en complexere dimensie gekregen. Wat ik altijd heb beschouwd als een vorm van autonomie, komt door dit hele aanstaande moederschap in een veel verdachter daglicht te staan. Zelf doen is emancipatoir ineens een stap terug in plaats van vooruit. Dat ik niet samenwoon met de vader van het kind, dat hij vaak weken aan de overkant van de oceaan woont – een overkant die voor mij sinds maart vorig jaar onbereikbaar is – heb ik altijd beschouwd als een vorm van vrijheid die me uitstekend ligt. Maar nu vragen mensen steeds bezorgd hoe we dat gaan doen. Gewoon, zeg ik, doen. De waarheid is dat ik, ondanks al mijn ideeën, geen idee heb. De waarheid is ook dat ik het zo wil en niet anders.

Ondertussen lees ik The Child, the Family and the Outside World van de psycho-analyticus en kinderarts Donald Winnicott (1896-1971). Hij schreef het boek in 1957, in een tijd, dus, dat jonge kinderen evident een aangelegenheid waren van een moeder die altijd thuis was. Een vrouw die dit leest in 2021 ziet onvermijdelijk Betty Draper- en Revolutionary Road-achtige misère voor zich, of dichter bij huis haar eigen oma met vier kinderen in een rijtjeshuis en een kerstboom die in de fik vliegt terwijl op zolder de jongste haar vingertje heeft vastgewrikt in het gaatje van een kastdeur.

Hoewel Winnicott een man was van zijn tijd, en het als volkomen vanzelfsprekend beschouwde dat de vader hele dagen van huis is en de moeder ’s avonds stipt op tijd een dampende maaltijd voor hem heeft klaarstaan, nadat ze, idealiter, het kind alvast op bed heeft gelegd, zag hij ook in dat zulke verhoudingen niet eeuwig konden standhouden. In een hoofdstuk getiteld ‘What About the Father?’ pleit hij voor een actieve aanwezigheid van de vader in het leven van een pasgeboren kind. Het is leuk en aardig, schrijft hij, dat vaders die even een halfuurtje met hun kind doorbrengen het idee hebben een geweldige en geduldige vader te zijn, maar ze vergeten dat een moeder 24 uur per dag geweldig en geduldig dient te zijn (het was Winnicott die het bevrijdende idee van ‘the good enough mother’ introduceerde).

Ondertussen leg ik mijn buurman stuntelend uit hoe het zit. Dat ik ‘het’ niet alleen ga doen. Dat er een vader is, en verschillende andersoortige vaders, en dat ik zelf ook hoop nu en dan een vader te kunnen zijn. Ik weet niet wat mijn buurman van me denkt. Tussen bewondering en medelijden zitten eindeloos veel schakeringen.