Wij alexander

Als ik het ergens hartgrondig mee eens kan zijn, is het wel de heroverweging van uw televisiecriticus Walter van der Kooi met betrekking tot Wij Alexander. In het bijzonder waar het anachronismen naar tijdsbeeld betreft. De genoemde voorbeelden zouden echter nog met een ogenschijnlijk onbelangrijk maar heel cruciaal anachronisme kunnen worden aangevuld.

Schrijver Hogendoorn is voor het gemak (of uit onwetendheid?) namelijk voorbijgegaan aan de grote rol die de negentiende-eeuwse vrijmetselarij bij ons negentiende-eeuwse koningshuis heeft gespeeld. Dat kon hij gemakkelijk doen want tegenwoordig is diezelfde vrijmetselarij vrijwel volledig weggezakt in vergetelheid. Afgezien van de grootvader van koning Willem I, een van de eerste vrijmetselaren hier te lande, waren zijn twee zoons beiden vrijmetselaar. De oudste werd koning Willem II. De jongste bekleedde 65 jaar het hoogste ambt in de Orde van Vrijmetselaren: Grootmeester Nationaal. Alexander, zoon van Willem III, was van 1857 af lid van de Orde en werd, na de dood van prins Frederik, op 18 juni 1882 geïnstalleerd als de nieuwe Grootmeester Nationaal, een functie die hij tot zijn dood in 1884 met grote betrokkenheid heeft vervuld. Hogendoorn gaat aan dat feit voorbij met twintigste-eeuwse onverschilligheid. Hij zal ook wel moeten, want erkenning ervan had zijn hele fraaie plot als een kaartenhuis ineen doen storten. Een lakei mag het profane leven van zijn meester tot in alle schuilhoeken leren kennen, de vrijmetselarij komt hij niet binnen. Daarom zal niet Jan Giltay maar wel de eerste de beste vrijmetselaar zo kunnen vaststellen of patiënt nr. 4 de echte of een pseudo-Alexander is. En dat is doodzonde als je juist een ingenieuze plot hebt bedacht. Amsterdam, PIETER E. TIMMERMAN