Opheffer 

Wij en zij

Uit een onderzoek, uitgevoerd door de VU, is komen vast te staan dat Amsterdam ongeveer 1400 jongelieden telt die gevoelig zijn voor fundamentalistisch terrorisme. (De groep rond de raf was vele malen kleiner, maar dit terzijde.)

De onderzoekers kwamen ook met aanbevelingen. Een daarvan was dat ‘het wij-zij-denken moet worden tegengegaan’. De reden is deze: de voor terrorisme gevoelige jongeren hebben er een hekel aan dat de islam voortdurend in een slecht daglicht wordt gesteld.

Het wij-zij-denken. Wat is dat precies?

Laat ik vooropstellen dat ik elke vorm van geweld afwijs – onnodig te zeggen, dacht ik, maar ik wil toch elk misverstand voorkomen. Toevallig heb ik een levensbeschouwing die elke vorm van religie wil bestrijden. Niet met geweld dus, maar met argumenten en andere geweldloze instrumenten. Goed onderwijs en welvaart zijn bijvoorbeeld instrumenten waarmee ik religies te lijf wil gaan. Evenals democratie. Ik wil religies – dus ook de islam – bestrijden, omdat in mijn visie religies vaak de hoofdoorzaak zijn van menige oorlog en andere vormen van vrijheidsberoving. Dat is trouwens een visie die precies past in de consequenties van mijn levensbeschouwing.

Maar afgezien daarvan: islamieten – bijvoorbeeld – mogen dan niet allemaal hetzelfde denken, zij noemen zich wel allemaal islamiet en mogen derhalve verantwoordelijk worden gehouden voor wat hun boek der boeken hen opdraagt. Alle islamieten mogen daar dus verantwoordelijk voor worden gehouden. Dus ook de zogenoemde ‘vrije’ islamieten, oftewel de islamieten die het met hun geloof niet zo nauw nemen. Ook zij noemen zich tenslotte islamiet. (Ik ben trouwens wel geïnteresseerd in het ‘waarom’ daarvan.)

Dat wij-zij-denken gaat precies daarover. Wij – ook wij denken niet allemaal hetzelfde, maar wij maken dat onderscheid dan ook niet – verzetten ons tegen een opvatting over vrouwen waarin vrouwen niet gelijkwaardig zijn. Dat doen zij niet, op een enkeling na. Wij verzetten ons tegen het idee dat homoseksuelen geen volwaardige mensen zijn. Dat doen zij ook niet, op een enkeling na. Wij verzetten ons tegen antisemitisme. Dat doen zij ook niet, op een enkeling na.

Nu kan het best zo zijn dat al die enkelingen het overgrote deel van de Nederlandse islamieten uitmaken, maar dat neemt niet weg dat zij zich tegelijkertijd laten inspireren door een overtuiging die precies het tegendeel proclameert.

Wanneer de VU mij nu aanbeveelt om het wij-zij-denken te staken, dan vragen zij mij in wezen om af te zien van mijn humanistische, agnostische, atheïstische levensbeschouwing, die ik juist heb ontwikkeld na een maatschappelijke analyse, uit mededogen met onderdrukten die daar niets aan kunnen doen. Een jood is jood van afkomst, een homo is homo bij geboorte, een vrouw is altijd vrouw – deze drie kunnen daarin geen andere keuze maken, terwijl een islamiet wél een andere keuze kan maken.

Het wij-zij-denken moet dus, volgens mij, juist in stand worden gehouden tot er geen ‘zij’ meer is, maar alleen ‘wij’.

Dat is nu precies wat ‘zij’ ook willen. Zij willen, vanuit hun perspectief, ook dat ‘zij’ (wij dus), ‘wij’ (hullie, zeiden wij vroeger) worden. Het wij-zij-denken is dus naar mijn smaak noodzakelijk – het is een constante uitwisseling van opvattingen. Alleen de methode is soms verschillend. Wij – lees: ik – willen geen gebruik maken van geweld, terwijl ik soms de indruk heb dat ‘zij’ dat wel willen, overigens geheel overeenkomstig hun geloofsovertuiging.

Ik vind het kortom een slecht advies van de VU. En ik hou me er ook niet aan.

Ik blijf elke vorm van religie bestrijden.

Je hebt wij, en zij.