Mikhail Katsnelson peilt de diepte onder de werkelijkheid

‘Wij fysici praten langs elkaar heen’

Vorig jaar ontving hij de Spinozapremie. Toch vindt de uit Rusland afkomstige vaste-stoffenfysicus Mikhail Katsnelson dat zijn vak degenereert. ‘We zijn de eenheid van de natuurkunde aan het kwijtraken.’ Dus werkt hij aan een alternatief.

Medium ahh 16803421

Magneetsteen vond je als jochie hier gewoon op straat – je kon er echt spijkers mee aantrekken, dat was opwindend.’ Magnitogorsk, stad in de Oeral. Honderd rokende schoorstenen aan de horizon, nog steeds, met zwarte, rode en zwavelgele pluimen, maar de magnetische berg waar Stalins staalstad naar is vernoemd is al lang geleden afgegraven, zegt Mikhail Katsnelson (Magnitogorsk, Sovjet-Unie, 1957). ‘Ze importeren nu ijzererts van heinde en verre.’

Maar we zijn niet in Magnitogorsk. We zijn in Nijmegen, waar Katsnelson – ‘zeg maar liever Misha’ – al weer bijna tien jaar hoogleraar theoretische natuurkunde is aan de Radboud Universiteit. Vorig jaar ontving hij de hoogste Nederlandse wetenschapsprijs, de Spinozapremie, voor zijn baanbrekende werk in de vaste-stoffenfysica. Hij is mondiaal de theoreticus van het grafeen, het nieuwe wondermateriaal van één laag koolstofatomen met ongekende eigenschappen, waarin elektronen kunnen reizen met nagenoeg de snelheid van het licht. Grafeen is tweehonderd maal sterker dan staal. Het is het dunste en sterkste materiaal dat ooit is gemaakt; dat zal leiden tot oprolbare televisies, superlichte vliegtuigen en nanorobots, voor geneeskunde van binnenuit.

Magnitogorsk, een wonderlijke plaats om geboren te zijn, vindt hij. ‘Een brutale, proletarische industriestad op de grens van Europa en Azië. Mijn ouders woonden destijds aan de Aziatische kant van de rivier de Oeral, maar het ziekenhuis waar ik ter wereld kwam lag op de Europese oever, op zo’n twintig meter van Azië. Ik ben dus de meest oostelijke Oost-Europeaan die er bestaat. De gigantische hoogovens werden uit de grond gestampt in 1929, in Stalins eerste Vijfjarenplan, en de nederzetting Magnitogorsk kreeg spoedig de status van gesloten stad. Het was gek: op een gegeven moment ontdekten wij, schoolkinderen, tot onze grote verbazing dat bijna iedereen in onze klas ouders of grootouders had die verbannen waren. Velen waren kinderen van koelakken, rijke boeren, gestuurd naar de goelags hier, of kinderen van de intelligentsia. Ook mijn grootvader was naar deze uithoek verbannen. Wat Stalin deed, was natuurlijk verschrikkelijk, maar een onverwacht neveneffect was een herverdeling van slimme mensen naar hier.

Mijn beide ouders waren arts, mijn vader dermatoloog en mijn moeder chirurg. Ze werkten zich een slag in de rondte, waren dag en nacht in het ziekenhuis, dus niemand lette op me. We hadden thuis veel boeken, ik leerde mezelf lezen toen ik een jaar of vier was. De kinderencyclopedie, tien enorme delen – deel III over natuur- en scheikunde verslond ik op m’n zevende. Dat was opwindend en – dát was dan het grote voordeel van Magnitogorsk – ik begon mineralen te verzamelen.’

Natuurlijk!

‘Dat was inderdaad een soort logische stap. Maar wat geweldig was aan de Sovjet-Unie – en wat tot op zekere hoogte in Rusland nog steeds bestaat – is het fantastische systeem van extra klassen voor jonge kinderen in wis- en natuurkunde. De exacte wetenschappen bloeiden in die tijd, en ik vroeg me af waarom. Nu denk ik dat het was omdat we eigenlijk geen keuze hadden. Als je geïnteresseerd was in de menswetenschappen, in geschiedenis, in literatuur, in filosofie, botste je onmiddellijk op een boel restricties. Je mocht niet lezen wat als antisovjet werd beschouwd, en je zou hebben moeten knokken en een dissident worden enzovoort, iets wat maar voor weinig mensen weggelegd is.

Aan de andere kant: als je in wis- en natuurkunde geïnteresseerd was, was je meer dan welkom. Literatuur was nauwelijks te krijgen, maar wiskundeboeken waren bijna te geef. Tegen de tijd dat ik naar de universiteit ging, bezat ik al een uitstekende eigen bibliotheek. Toch ben ik stellig van mening dat onderwijs niet nauw en bekrompen moet zijn, maar dat kinderen een brede en vrije keuze moeten hebben. Als je het mij eerlijk vraagt, had ik veel liever filosofie of theologie gestudeerd dan natuurkunde.’

Of poëzie:

Je ligt in bed, je leest een boekje

En peinst wat in je hoofd.

Ineens begreep ik: mijn pluchen beertje

Was feitelijk gewoon dood.

Kat Spinner leeft, maar Bruintje niet, want

Niet ieder leeft, waarmee ik me omring.

En achter die hele enge rand

Is hij geen beertje, maar een ding.

We huilden samen, beer en ik,

Het schepsel en de schepper een koraal

Tot op heden, ik zeg u eerlijk,

‘Iedereen is nu zo vol van kwantuminformatica, maar waar is de grote discussie die de denkers van het eerste uur meetrok?’

Ben ik er niet van losgekomen; niet helemaal.

Vier jaar oud, in bed met keelontsteking, het eerste inzicht. In een pluchen beer.

Onder kenners groeit in Rusland de laatste tijd zijn faam als dichter. Als jongen van veertien sloot hij z’n middelbare school af en ging naar de universiteit. ‘Ik was een soort Wunderkind.’ De verre reis naar Moskou’s topuniversiteit mondde uit in een debacle. ‘Ik besloot me aan te melden bij het Moscow Institute of Physics and Technology, een van de beste universiteiten ter wereld, nog steeds. Ik deed mijn toelatingsexamen – en zakte.’

Zakte?

‘Ja. Het schriftelijke examen deed ik niet briljant, maar goed genoeg. Maar bij de mondelinge examens wis- en natuurkunde waren er die twee grote, forse mannen. Ze waren extreem onvriendelijk en ik was veertien, breekbaar en tenger, zoals zoveel getalenteerde kinderen zijn. Ze zetten me onder druk en intimideerden me op een ongelooflijke manier. Ik kan het niet bewijzen, maar ik heb het gevoel dat het absoluut van doen had met mijn joodse wortels. Ik had ons eigenlijk nooit als joden gezien, want mijn ouders deden niet aan godsdienst en ik wist niets van de tradities, maar ik wist natuurlijk wél dat we speciaal waren, vanwege de problemen met jongens op straat die me uitscholden. Ik was heel naïef, ik kwam uit Magnitogorsk, ik wist van niets, maar toen ik weer thuis kwam en met m’n vriendjes praatte, bleek iedereen – behalve ik – te weten dat het kansloos was, een jood op een instituut als dit, een volkomen bezopen idee. Ik ben het nooit vergeten, niet helemaal, en ik denk dat het een diep psychisch trauma voor me was. En ik ben nog steeds pissed off, ha ha!’

Vermoedelijk, als het niet tot oorlog had geleid,

In de twintigste, al met al een pesteeuw,

droegen we kleren van een witheid,

als voor enig mens’lijk spoor in de sneeuw.

Vermoedelijk, als het niet tot oorlog had geleid,

dan zouden we als engelen zijn, gevleugeld dus,

de handen af van aardse zondigheid,

zoals bij Pontius Pilatus –

Gewassen, om zonder schuld te zijn,

zeer zelfingenomen en bovendien…

Vermoedelijk, als het niet tot oorlog had geleid,

hadden we grotere verschrikkingen gezien.

De pesteeuw eindigt met Michail Gorbatsjov in vrijheid. In 1988 mag Katsnelson, die jaren eerder als jongste fysicus van de Sovjet-Unie was gepromoveerd, voor het eerst het land uit. Een internationale conferentie in Parijs en daarna een in Santa Fé. ‘Fantastisch, ongelooflijk! Inmiddels heb ik de Verenigde Staten wel dertig, veertig keer bezocht, maar nog steeds vind ik Santa Fé misschien wel de mooiste plek op aarde! Dat rondreizen werd in de late jaren negentig, toen Rusland economisch in zwaar weer verkeerde, in toenemende mate een belangrijke bron van inkomsten voor me. Als ik de VS een, twee maanden aandeed, verdiende ik meer geld dan mijn jaarsalaris, dus dat was essentieel.’

In 2002 biedt de Universiteit van Uppsala hem een researchbaan aan, maar in 2004 biedt de Radboud Universiteit hem het hoogleraarschap. ‘Mijn leven is geslaagd. Van “Zjigoeljovskoje” ging ik over op Belgisch bier’, dicht hij in Nacht. Hij krijgt tijd en geld en veel waardering. Hij stort zich op de theorie van magnetisme (uiteraard!) en op kwantummechanica, supergeleiding en een dozijn of wat andere specialismen. Schrijft vijfhonderd papers. Wordt de meest geciteerde auteur in zijn vakgebied. ‘Onze snelle vorderingen zouden onmogelijk zijn zonder Misha Katsnelson’, zegt vriend en collega Andre Geim in zijn dankrede voor de Nobelprijs die hij samen met Kostya Novoselov in 2010 ontvangt voor de ontdekking van grafeen. Helaas voegde Misha Katsnelson zich pas net na de ontdekking van het grafeen door zijn twee landgenoten bij het team en liep daardoor, zo denken collega’s, zelf de Nobelprijs mis.

‘Als je alles wat je van een onderwerp weet kunt beschrijven, betekent dat simpelweg dat je er niet genoeg van weet’

‘Dat is waarschijnlijk niet waar’, zegt Katsnelson. ‘Ik schetste slechts achteraf een theoretisch raamwerk; er is een groot verschil tussen Columbus, die een nieuwe wereld ontdekte, en de ijverige monnik die alles heeft opgetekend en beschreven. Oók heel opwindend, maar net iets minder opwindend dan om Columbus te zijn, nietwaar?’ Maar Graphene: Carbon in Two Dimensions, de eerste monografie over het nieuwe materiaal, die Katsnelson in 2012 publiceerde, biedt volgens Novoselov ‘de researchagenda voor de komende paar jaar’. ‘Misha’s boek is zonder overdrijving de grafeenbijbel’, zegt Geim.

Misschien doet hij ook wel te veel uiteenlopende dingen om ooit de Nobelprijs te winnen, heeft Geim hem eens gezegd. ‘“Misha, je schrijft te veel, al die honderden papers en publicaties!” Volgens hem ben ik niet geconcentreerd genoeg, te weinig gefocust. En het is waar: ik werk altijd aan totaal uiteenlopende dingen.’

Als piepjonge promovendus, in de sovjettijd, scande zijn leermeester professor Sergej Vonsovsky nachtenlang de buitenlandse tijdschriften op potentieel interessante publicaties. ‘Ik kreeg een lijst van titels over tal van uiteenlopende onderwerpen, rijp en groen, en die stukken moest ik dan lezen, schiften en samenvatten.’ Dus leert hij de wis- en natuurkunde in de volle breedte kennen, iets wat jaren later kwam als geroepen, toen het grafeen werd ontdekt. ‘Voor mij de ideale speelplaats. Natuurkundigen focussen zich gewoonlijk op een enkele methode die ze op een reeks van materialen loslaten. Grafeen heeft dat veranderd. Als je het materiaal bekijkt, dan zie je dat je van alle markten thuis moet zijn: het heeft mechanische eigenschappen, elektrische eigenschappen, optische eigenschappen enzovoort en het raakt in principe aan alle disciplines van theoretische natuurkunde, tot de kwantummechanica aan toe.’

Een onooglijk brokje koolstof op het bureau. ‘CERN on the desk’, grapt hij; wat de grote deeltjesversneller in Genève kan, zit eigenlijk ook in grafeen opgesloten. ‘Natuurlijk kan niet alles wat cern kan nagebootst worden in grafeen, maar het punt dat ik wil maken, en dat voor mij heel wezenlijk is in deze tijd met zijn enthousiasme voor de snaartheorie en de lonkende theorie van alles, is dat we de eenheid van de theoretische fysica aan het kwijtraken zijn. Iedere discipline vindt nu zijn eigen taal uit – en we praten langs elkaar heen. Het kan sommigen ook niet schelen nog langer deel uit te maken van de natuurkunde.’

Snaartheoretici als Edward Witten?

‘Ik heb het écht geprobeerd. Ik heb zijn boeken gelezen, ben naar seminars gegaan… ik was écht niet lui en heb gedaan wat ik kon om de boodschap te begrijpen, maar het is psychisch ontzettend moeilijk voor mij. Ik begrijp zelfs niet of het natuurkunde is of wiskunde of heel iets anders. De belangrijkste karakteristiek van natuurkunde – dat wat de fysica onderscheidt van elke andere wetenschap – is de unieke balans tussen theorie en experiment. En in de wiskunde heb je het welhaast pure denken, de zuivere theorie. Maar wiskunde bewijst theorema, volgens bepaalde regels. Snaartheorie is dramatisch anders. Ik zeg niet dat het nutteloos is, not at all!, maar het is een totaal nieuwe intellectuele bezigheid, waarvan ik simpelweg niet weet wat ermee te doen. Mijn missie is bruggen slaan tussen de verschillende gebieden van de theoretische fysica en ideeën doorgeven van het ene veld naar het andere.’

De eenheid van de fysica. Met Ed Witten en Robbert Dijkgraaf in een verre (en nanometers nabije) microwereld van tien (of elf) dimensies. Met cern en Peter Higgs in een universum dat minstens zoveel vragen oproept als dat het beantwoordt. ‘Alles is van water/ vuur/ aarde/ kwantumvelden/ tijd-ruimte schuim/ snaren… – en de rest is jouw probleem. Maar waarom is zilver wit, koper rood en is goud geel?’ Hij weet het niet: ‘I am just scratching on the surface. Waarom is iridium broos en platina taai? Zeg het me, zonder de chemie en de biofysica erbij te halen!’ Hij schrijft ingewikkelde formules op het bord, komt met plaatjes van draaikolken en watervallen. ‘Helpt dit? Turbulence is here! Kun je me dat verklaren?’

Bestaat er wel, zo vraagt hij zich af, die ene, grote en thans nog versluierde wet die alle natuurwetten verklaart? Hij twijfelt. En formuleert dan preciezer: ‘Is fundamentele fysica wel fundamenteel?’

Het was Einstein (natuurlijk, wie anders?) die de eerste aanzet gaf: ‘De klassieke thermodynamica is de enige natuurkundige theorie waarvan ik overtuigd ben dat die nooit zal sneuvelen.’ Katsnelson heeft veel over die zin nagedacht. En trapt dan af: ‘De wetten die ons niveau van realiteit beschrijven zijn in hun diepste wezen onafhankelijk van de achterliggende wetten. Ik wens onze collega’s van ware theorie (snaren, kwantumzwaartekracht et cetera) alle succes, maar ze zullen falen. Hoe kunnen we van de elementaire natuurwetten die we goed kennen, komen tot goed begrip van alle rijkdom en verscheidenheid van de wereld om ons heen? Zelfs eenvoudige scheikundige elementen zijn al bijna te ingewikkeld om goed over na te kunnen denken.’

Dat is uw meest fundamentele uitspraak?

‘Dat weet ik niet. Ik geloof niet dat ik nog veel fundamentele uitspraken heb, tegenwoordig. Maar het is voor mij belangrijk. Eerder dit jaar publiceerde ik met mijn vrienden Hans de Raedt, professor in Groningen, en Kristel Michielsen, professor in Jülich hier net over de grens, een stuk over de fundamenten van de kwantummechanica. Een zeer pessimistisch stuk, want ik heb steeds meer het gevoel dat ieder niveau van kennis dat we hebben, speciaal in de natuurkunde, in essentie onafhankelijk is van de diepere kennis. Zoals Einstein constateert: we hebben de wetten van de thermodynamica, en de wetten van de thermodynamica werken, vanouds. Maar we geloven dat thermodynamica geen fundamentele theorie is – en dat het gestoeld is op een achterliggende wet waar we nog niet het complete plaatje van hebben, en we geloven dat het diepste niveau kwantummechanica zal zijn of strings of God weet wat.

Maar een alternatieve kijk kan zijn dat je werkelijk onafhankelijke niveaus van realiteit hebt. Dat ieder niveau van descriptie in essentie onafhankelijk is van onze kennis van het diepere niveau. Met Hans en Kristel probeerde ik in zekere zin kwantummechanica te bedrijven op een manier zoals vanouds mensen thermodynamica doen: als een beschrijving van waarneembare fenomenen, als een beschrijving van een fysiek experiment. Ik ben er nog niet zeker van of deze aanpak werkt, maar we kunnen aan het begin staan van een nieuwe weg.

Tegelijkertijd heb ik gemengde gevoelens over ons programma: aan de ene kant geloven we dat het mogelijk is om betrouwbare kennis te vergaren op basis van onze dagelijkse ervaring – dat is goed, want de details van deze kennis zullen ook over vijfhonderd jaar nog geldig zijn en de beschrijving is robuust. Aan de andere kant is het triest, want het betekent dat het succes van een theorie niet veel om het lijf heeft, want er zullen duizenden geldige beschrijvingen van dezelfde realiteit naast elkaar bestaan, en er bestaat tussen de verschillende niveaus van waarneming dus niet langer een goede samenhang, en het grote geheim van het bestaan raak je niet aan. Dit is mijn echte notie, dít is wat ik bedoel, dáár vraag je naar. Een échte notie is niet dat wat je claimt in het publiek, blablabla; het is waar je je leven aan wijdt. En dit paradigma volgend: hoe kan ik een kwantummechanica bouwen die onafhankelijk is van diepere beschrijving: is dat mogelijk of niet en wat is de epistemologie, de kennisleer van dit niveau van realiteit?’

Met andere woorden?

‘Kan er epistemologie bestaan zonder ontologie? Kan er een beschrijving van de wereld bestaan die consistent is en die werkt, maar die ons niets vertelt over wat de wereld is? En daarachter dan de vraag: kunnen we écht tot diepere en diepere lagen van de realiteit geraken door alleen het pad van de wetenschap te volgen? Want dat is de overheersende gedachte nu, nietwaar? Op zoek naar een theorie van alles, op zoek naar de meest fundamentele natuurwetten – en daar kunnen we dan vervolgens weer toegepaste wetten van afleiden. Ik geloof niet dat dat werkt. Dan dus toch een fundamentele uitspraak: ik geloof dat de kennis van de dingen om ons heen in essentie onafhankelijk is van iedere toekomstige beschrijving van diepere niveaus van de werkelijkheid. Ik geloof niet dat fundamentele natuurkunde in die zin fundamenteel is.

Wat ik eigenlijk wil zeggen: we hebben grote stappen gezet in de wetenschap, maar we zien ook een soort degradatie. Als je kijkt naar de grote jongens van het eerste uur van de kwantummechanica: Einstein, Bohr, Pauli, Heisenberg, ze waren allemaal heel voorzichtig in zaken rond het kennen. Zeer zorgvuldig in het formuleren van de verhouding van de wetenschap tot onze cultuur in het algemeen. Niels Bohr startte een discussie over het probleem van de taal, nietwaar? Parallel daaraan volgde Wittgenstein eenzelfde lijn, het aftasten van de grenzen van onze kennis door te kijken naar wat we kunnen zeggen – en ik denk dat dat een belangrijke lijn is.

Iedereen is nu zo vol van kwantuminformatica, van kwantumteleportatie, noem maar op, zonder meer belangrijk, maar waar is de grote discussie die destijds de beste natuurkundigen en de beste denkers meetrok. Zijn golffuncties, het belangrijkste object van de kwantummechanica, echt of niet? Dan moet je nadenken over wat is echt en wat is werkelijkheid. Niemand schijnt zich daar druk om te maken! Zoals mijn vriend Hans de Raedt het treffend uitdrukt: alsof golffuncties dingen zijn die je eenvoudig in de supermarkt koopt.’

Ons wacht de winter, van buitenaf en binnen.

En al het vergaarde door de eeuwen heen,

‘Het blijkt dat het idee van isolatie en zelfmedelijden in Rusland de overhand heeft gekregen, juist ook onder vrienden’

Perst zich samen in zuiver barnsteen.

En zal aan ieder vragen: herhaal.

Zijn gedichten zijn dicht en soms duister. ‘Fijn dat je dat opmerkt, want het is zeer waar: dichtheid is iets wat ik waardeer. Voor mij moet poëzie compact zijn zoals een goede wetenschappelijke tekst dat is. Dat betekent dat je nooit alles moet schrijven wat je weet van een onderwerp. Ik denk dat voor ieder woord dat je schrijft er in principe duizend moeten zijn die je zou kunnen toevoegen wanneer dat nodig is.’

Waarom?

‘Er moet een uitzicht blijven. Als je werkelijk alles wat je van een onderwerp weet kunt beschrijven en in woorden kunt vangen, dan betekent dat simpelweg dat je er niet genoeg van weet. Echt diepe kennis raakt altijd iets wat onuitspreekbaar is.’

Zodra de engel met trompet de opstanding aankondigt,

Werpen wij de deken van droge aarde

Van ons af en trekken op naar de opening van de deur,

Bang om te horen: jullie horen hier niet.

De telefoon gaat. Katsnelson spreekt Russisch met zijn vrouw. Zij wonen hier, hun twee inmiddels volwassen kinderen wonen in Rusland. Rusland is nooit ver weg. De taal spreekt hij vaak en gretig met vrienden via Skype. ‘In het Russisch ben ik een veel leuker en gevatter iemand’, vindt hij. Zijn Engels vindt hij maar zo zo. ‘En in mijn primitieve Nederlands voel ik me een totale idioot.’

Natuurlijk wil hij terug, ooit, na z’n pensioen. ‘Ik ben denk ik geen emigrant, ik ervaar sterk dat ik tot de Russisch sprekende wereld behoor – en heb de taal om me heen nodig. Maar wie zal zeggen hoe de situatie over tien jaar zal zijn? Onze dochter is net afgestudeerd als arts en begint aan een PhD in kankerstudies, onze zoon is afgestudeerd in wiskunde en computerstudies en, zoals de meeste Russen in zo’n situatie, werkt hij nu op een bank. Haha, geen idee wat-ie daar doet. Maar ze lijken gelukkig. We reizen veel heen en weer, wij naar daar, zij naar hier. Voor mij is het belangrijk dat je de vrijheid hebt om grenzen zo vaak te kunnen oversteken als je wilt. Wat ik van de recente situatie onder Poetin vind? Ik ben denk ik de verkeerde om dat aan te vragen, ik begrijp er namelijk zelf niets van. Ik dácht dat ik Rusland min of meer kende, maar als ik naar al de gebeurtenissen van de laatste drie jaar kijk, is dat voor mij het teken dat ik mijn eigen land totaal maar dan ook totaal niet begrepen heb. En ik moet, denk ik, geen publieke statements maken over iets wat ik niet begrijp.’

Ik vraag u niet om een politiek statement.

‘Maar het gaat ook niet om politiek! Het gaat om de houding van de mensen. De vrienden, met wie je via Skype spreekt. De laatste twintig, dertig jaar was ik er écht van overtuigd dat Rusland meer en meer een open samenleving zou worden. Dat we langzaam maar zeker in de wereld zouden integreren, dat dát de grote lijn was. Maar nu blijkt dat het idee van isolatie en zelfmedelijden – iedereen is tegen ons! we moeten ons verweren! – en xenofobie de overhand heeft gekregen, juist ook onder vrienden, juist ook onder mensen met een opleiding. Ik dacht dat we deel waren van de Europese beschaving en cultuur en dat niemand dat betwijfelde, en plotseling zetten mensen daar hun vraagtekens bij. Ik vind dat ronduit schokkend. Nóg hangt er geen nieuw IJzeren Gordijn, maar de seinen staan op oranje.’

Voorlopig blijft hij hier. Zijn ster rijst snel. Eerst de Spinozapremie en een budget van 2,5 miljoen om research geheel naar eigen keuze te doen. ‘Maar ik heb geen geld nodig, maar goeie ideeën! Die dwing je niet af met geld.’ Daarna de Academia Europaea, een by-invitation-only peer to peer-genootschap met veel Nobelprijswinnaars. Onlangs de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. En het heeft de majesteit behaagd – heel uitzonderlijk voor een niet-Nederlander – hem de hoge onderscheiding van Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw te geven. Dat heeft hem tot tranen toe geroerd.

Met ineens zachte stem: ‘Ik ben en blijf natuurlijk Russisch, maar voel toch dat ik eindelijk ben opgenomen in de Europese samenleving. Ik ben een Nederlandse professor, ik draag een Nederlandse onderscheiding, dat betekent veel voor mij. Weet je, het is best moeilijk om in een totaal nieuwe samenleving je weg te vinden. Toen ik voor het eerst in Holland aankwam, kende ik bijna niemand en ik voelde me echt een beetje verloren. Je hebt een nieuwe stijl van omgangsvormen en altijd bekruipt je het gevoel: doe ik het wel goed, pas ik hier wel in, doe ik misschien niet iets fout? Dat is nu voorbij.’

Waar moet het dier heen? Doe die marmot weg!

Wij kwamen uit verre streken,

Het beestje is angstig, vooral in de lente.

Maar zodra het het geluid van de trompet hoorde,

Drukte het meteen druppel voor druppel de slaaf uit zichzelf

En verklaarde, dat het altijd bij mij blijft.


Beeld: Mikhail Katsnelson. ‘Echt diepe kennis raakt altijd iets wat onuitspreekbaar is’ (Adrie Mouthaan/HH).