Wij-gevoel

In 1647 publiceerde Joost van den Vondel Leeuwendalers: Een Lantspel. Het is een Romeo-en-Julia-achtige liefdesgeschiedenis.

Medium portret 20lotte 20jensen 20 c2 a9 20thomas 20tolstrup 20  20uitgeverij 20vantilt
Portret Lotte Jensen © Thomas Tolstrup / Uitgeverij VanTilt

Adelaert en Hageroos zijn verliefd maar ze kunnen malkander niet krijgen omdat het land verdeeld is in een strijd tussen het Noordelijk en het Zuidelijk deel. Het loopt goed af. Men verzoent zich en de welvaart breekt uit: ‘De koeien geven melck en room. Het is al boter tot den boôm. Men zingt al PAIS en VRE.’ Vondel wees met zijn stuk naar de onderhandelingen in Westfalen, die in 1648 werden beklonken met de Vrede van Munster. De Republiek werd daar na tachtig jaar oorlog formeel door Spanje en de andere Europese machten erkend als een onafhankelijke staat. Dat moest dus gevierd, en dat gebeurde ook, met vreugdevuren, schuttersmaaltijden, redevoeringen, verzen en toneelstukken.

De neerlandica Lotte Jensen onderzoekt hoe in de culturele uitingen rond zulke Vredesluitingen patronen te herkennen zijn van ‘natievorming’ of zelfs ‘Nederlandse identiteitsvorming’. Haar boek is een verzameling eerder verschenen artikelen, die inventariseren hoe bij negen ‘Vredes’ gesloten tussen 1648 en 1815 het volk zich uitliet over het heugelijk feit, de diepere betekenis ervan, en de rol van de Republiek in Europa. Zo’n Vrede maakte natuurlijk geen einde aan oude vijandschappen, buitenlandse evenmin als binnenlandse, maar in de festiviteiten werd volop gehamerd op eendracht en harmonie, en daarbij kwam ‘Nederland’ als term en als overkoepelend ‘nationaal’ idee geleidelijk naar voren.

Dat ging overigens met horten en stoten. Eendracht was in 1648 nog ver te zoeken. De provincies Zeeland en Utrecht en de stad Leiden verzetten zich tegen de Vrede; een Zeeuws auteur riep de Hollanders op om er ook niet mee akkoord te gaan. Die regionale verschillen waren dus aanzienlijk, maar aangezien vrijwel alle Vredesliteratuur uit Holland kwam zijn de lokale opinies – zo zij al werden verwoord – nauwelijks gehoord. Jensen is zich ervan bewust dat de eerste loyaliteit van de zeventiende- en achttiende-eeuwers lag bij eigen dorp, streek of stad, daarna pas bij de provincie; er moest echt iets bijzonders gebeuren wilde iemand zich openlijk ‘Nederlander’ noemen. ‘Nederland’ was zoiets als de EU, of de Navo: je was er de facto lid van, maar als ‘identiteit’ was het een schimmig begrip. Het woord ‘Vaderland’ wordt pas in de tweede helft van de achttiende eeuw gebruikt voor de gehele Republiek; Anthony Staring laat zich er in die jaren nog trots op voorstaan dat hij ‘uit Gelders Bloed!’ is, niet uit Nederlands.

Door een voortdurende herhaling ontstond een traditie en daarmee een zeker begrip van ‘Nederland’ als ‘natie’

Dit soort onderzoek moet zich verhouden tot het gevestigde idee dat ‘nationalisme’ en het vieren van de ‘natiestaat’ bij uitstek negentiende-eeuwse fenomenen zijn. Jensen schaart zich onder de historici die stellen dat dat nationalisme veel oudere wortels heeft en vooral in kleinere Europese landen als Nederland, Denemarken en Zweden al veel eerder herkenbaar is, bijvoorbeeld in de creatie van ‘oorspronglegendes’ als die van onze mythische Bataven. Jensen herkent in de culturele uitingen rond die Vredes veel ‘bindende symbolen, eendracht bevorderende metaforen en funderende verhalen’ zoals, bijvoorbeeld, die koeien van Vondel en hun room. Door een voortdurende herhaling daarvan ontstond een zekere traditie en daarmee een zeker begrip van ‘Nederland’ als ‘natie’, wat overigens nog iets heel anders is dan ‘identiteit’, denk ik.

Het leuke van de studie is dat Jensen bergen met ‘onbelangrijke’ en ‘tijdelijke’ literatuur heeft doorgenomen. De Vredes werden opgesierd met loterijgedichten, prenten, pamfletten, redevoeringen, preken, gelegenheidsgedichten, enzovoort, en die zijn lang niet allemaal van hoog gehalte. Hier horen wij eens wat van draufgängers als Cornelis Loots, Jacobus van der Streng, Johannes van der Heide of de Utrechtse boekhandelaar François Halma; Jensen citeert volop uit verzen van drammerige predikanten en pedante intellectuelen die de Republiek op één podium plaatsen met het oude Rome of het volk van Israël. De teksten wijzen erop dat de cultuur in de zeventiende en achttiende eeuw veel meer omvatte dan Vondel, Rembrandt en Van Campen; er waren ook vuurwerkshows, tableaux vivants, toneelvoorstellingen, toespraken, optochten en praalwagens, allemaal dingen waarmee ideeën werden uitgedragen en propaganda werd bedreven.

Het is duidelijk dat het discours over een nationale identiteit in de zeventiende en achttiende eeuw niet alleen maar academisch vermaak biedt: het heeft sterke weerklank in het hedendaagse discours. Waar de jonge Canadese premier moedig durft te stellen dat zijn land geen kern-identiteit heeft en geen ‘mainstream’, en dus wellicht de eerste ‘postnational state’ is, daar zoeken halfwas politieke agitatoren hier graag naar de diepere wortels, die Jensen hier blootlegt. Het is dus aardig te lezen dat een idee over ‘Nederlandse identiteit’ weliswaar al vroeg – eigenlijk al sinds de Pacificatie van Gent, denk ik – te traceren is, maar dat het tegelijkertijd eeuwenlang zeer onbestendig was. Er ontstond een traditie, maar veel daarvan was ‘invented tradition’, bijvoorbeeld de ophemeling van de ‘historische’ rol van de Oranjes. Staatsgezinden dachten wezenlijk anders over de ‘natie’ dan Orangisten, Brabanders anders dan Groningers, katholieken anders dan protestanten, om van minderheden als de joden maar te zwijgen. Men noemde zich Bataafs, of Nederlands, maar even makkelijk ‘Germaans’; bij de Vrede van Aken (1748) schreef een onbekende dichteres hoe geweldig blij ze was in Nederland geboren te zijn, waar gelukkig ‘in zuivre duitsche taal’ gesproken wordt.


Lotte Jensen - Vieren van Vrede: Het ontstaan van de Nederlandse identiteit, 1648-1815. VanTilt, 232 blz., € 19,95