Kabul, 19 augustus. Afghanen proberen bij de noordelijke ingang van het vliegveld te komen, maar ze worden telkens teruggeduwd © Juan Carlos / De Beeldunie

Op 14 augustus om 02.46 uur komt er een noodkreet van onze Afghaanse collega H. ‘Ik schrijf jullie deze e-mail met de grootste urgentie. Zoals jullie allemaal weten, staat mijn land op het punt om in handen van de Taliban te vallen, opnieuw. Ze staan al aan de poorten van Kabul en alle voorspellingen geven aan dat ze Kabul over een week of zo onder de voet kunnen lopen. Er is veel chaos en paniek in de stad.

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch Minka Nijhuis over haar ervaringen in Afghanistan en de mensen die ze er heeft leren kennen. Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

Ik vraag jullie met veel nederigheid dat als je ooit dacht dat ik iets voor je deed en je hulp verdien, en als je enige connectie hebt met je ambassade in Kabul, me alsjeblieft een groot plezier wilt doen en mijn broer en zussen helpt om een van die vluchten vanuit Kabul te krijgen. Ik doe dit uit wanhoop. Als ik ze ergens anders heen zou kunnen sturen zou ik jullie nooit lastigvallen.’

H, die buiten Afghanistan woont, werkte vanaf 2007 jarenlang voor verschillende internationale en Nederlandse media. Daarbij was hij veel meer dan een tolk of fixer. Oren en ogen, steun en toeverlaat, een vraagbaak. En bovenal een kameraad. Banden worden nu eenmaal snel en onconventioneel gesmeed wanneer je met elkaar extreme situaties meemaakt. Zijn familie gaf ons een warm onthaal, zijn moeder bleek een keukenprinses. We kwamen om te genieten van haar Kabuli pilau, maar vooral ook om te luisteren naar die persoonlijke verhalen die voor het begrijpen van een complex land zo onontbeerlijk zijn.

De ontwikkelingen gaan nog sneller dan H vreesde. Het scenario dat al maanden in de lucht hangt, voltrekt zich plotseling in razend tempo. Een etmaal na zijn noodkreet komen uit het paleis van het gevluchte staatshoofd Ashraf Ghani onwerkelijke taferelen van mannen met zware geweren en raketwerpers, in shalwar qameez en een enkeling in kostuum rond het presidentieel bureau.

Voor H en zijn familie breken zenuwslopende dagen aan, die al snel als weken voelen.

De geruststellende woorden van de Taliban-leiders dat er geen afrekeningen zullen komen, en speculaties dat de beweging ten goede veranderd zou zijn, kunnen hun paniek niet bezweren. Er circuleren te veel verhalen over geweld en over huiszoekingen bij mediawerkers en andere groepen die door de extreem conservatieve groepering ten diepste worden gewantrouwd. Een familielid van een Duitse journalist wordt doodgeschoten.

De broer en zussen van H besluiten alles op alles te zetten om hun land te verlaten. Hoeveel kans hun pogingen hebben? ‘Zestig procent’, appt H, maar later ook: ‘Ik weet het niet.’

Om geen argwaan te wekken bij de checkpoints van de Taliban verlaten ze het huis met weinig meer dan de kleren die ze dragen. Met hun verloren hoop en dromen voegen ze zich in de exodus van duizenden anderen. De eerste pogingen mislukken. Bij de gate naar de luchthaven worden ze bestookt met gas als Britse militairen de chaos willen bedwingen. Tijdens een nieuwe gang naar de luchthaven wordt een vrouw naast hen in haar gezicht geschoten. In shock geven ze het op en zoeken koortsachtig naar nieuwe opties. De klok tikt.

Den Haag draalt, wie komt wel en wie komt niet voor evacuatie in aanmerking? Op onze berichten aan H dat er nog geen garanties zijn maar dat er door velen hard gewerkt wordt, volgen keer op keer pijnlijk beleefde bedankjes. In een lawine van apps, mails en telefoontjes wisselen journalisten wereldwijd informatie uit over wat ze kunnen doen om de familie en andere mediawerkers weg te krijgen.

Op Twitter post H de foto die de wereld over gaat: hoe de negentienjarige Zaki Anwary, een voetballer uit het nationale jeugdteam, zich in wanhoop vastklampt aan een vertrekkend c17-vliegtuig, en daarna met minstens nog één ander te pletter valt. Een ander vliegtuig maakt een noodlanding omdat het landingsgestel geblokkeerd raakt. Door menselijke resten. De beelden van wanhoop zullen de geschiedenis in gaan, net zoals de beelden van al die andere internationale evacuaties: Phnom Penh, Saigon, Kigali, Srebrenica, Dili. Operaties waar altijd de scheidslijn wordt getrokken tussen hen en ons, waar moedige individuen doen wat ze kunnen, maar waaraan onvermijdelijk altijd ook verraad kleeft.

‘Ik schrijf jullie deze mail met grote urgentie. De Taliban staan al aan de poorten van Kabul’

In alle hectiek mengen de taferelen zich met mijn herinneringen. Zoals een avond in huize H terwijl ik werkte aan een artikel over Afghaanse dichteressen en meer wilde weten over de traditionele dichtvorm van de Pashtun, de landai. Korte haiku-achtige verzen, soms nauwelijks meer dan een gezegde of een spreekwoord waarin vaak met sarcasme de tradities worden bekritiseerd. Niet voor niets betekent het woord ‘landai’ ‘korte giftige slang’. De teksten worden mondeling verspreid. Omdat de maker anoniem blijft, is het ook een geschikte uitlaatklep voor emoties die anders taboe en zelfs gevaarlijk zijn.

In haar gastenkamer met glazen chai en een schaal met rozijnen, moerbeibessen en amandelen tussen de dikke kussens op de grond ging de moeder van H er eens goed voor zitten om mijn kennis over de traditionele dichtvorm bij te spijkeren. Na een paar stichtelijke voorbeelden werd de stemming losser. De omslag van het boekje dat haar dochter ophaalde, toonde een bedrieglijk zoetig pastoraal tafereel. Een vrouw in een kleurige lange rok zat met een verfrommelde brief op schoot naast een beekje. Aan haar voeten prijkte een mandje appels, schapen snuffelden in restanten sneeuw.

Moeder H’s bebrilde neus dook geanimeerd in de pagina’s. Na enig bladeren las ze voor: ‘Leg je hand op mijn borst,/ Dan zul je een granaatappel voelen.’ Net als haar dochter sloeg ze zich smakelijk lachend op haar dij. Daarna vond ze een andere favoriet: ‘Ik zal je lippen kussen,/ Het zal voelen als een babygeitje dat aan bladeren knabbelt.’

De vriendschap met H begon in 2007 in een guesthouse in Kabul. De details staan me niet meer bij, maar hij belandde in het internationale netwerk van journalisten via een familieconnectie met het Oostblok, overgehouden aan de Russische bezetting. Een beer met een hart van goud, die geweld verafschuwde zoals alleen mensen dat doen die een oorlog in al zijn gruwelijkheid hebben meegemaakt. Een Afghaanse feminist. Hij was de enige die een felicitatie stuurde op Internationale Vrouwendag. Hij mocht graag zeggen dat achter elke succesvolle man een sterke vrouw stond. Toen zijn zussen hun diploma’s haalden was hij zo mogelijk nog trotser dan zijzelf waren. Een boekenwurm ook, met honger naar kennis over de wereld. Che Guevara, het boek van New Yorker-journalist Jon Lee Anderson, had hij verslonden.

Kabul, 19 augustus. Een vrouw verbrandt documenten die tot gevaarlijke situaties kunnen leiden als ze in handen komen van de Taliban © Juan Carlos / De Beeldunie

Anders dan in de afgelopen paar jaar was werken in Afghanistan lange tijd goed te doen. Het scheelde zelfs niet veel of het was destijds in dat guesthouse in Kabul aangenamer toeven dan in mijn Amsterdamse thuis. Een overdaad aan kussens van velours, een open haard tegen de kilte van de avond en uitzicht op een tuin met amandelbomen met tere witte bloesems en een prunus die op springen stond. Er graasde een hertje dat bbq gedoopt was. Het personeel, een groepje stoere mannen, had zich ontfermd over het moederloze kalfje dat in de Panjshirvallei aangetroffen werd. Ze gaven haar zelfs de fles.

In culinair opzicht kwamen we niets te kort. Er was een keur van restaurants, van Thais en Indiaas tot Italiaans of Frans. Kaarslicht en smaakvolle tapijten, cocktails en wijn en wie het niet te ongepast vond gezien de conservatieve mores kon zelfs een duik in een zwembad nemen. Van sociaal verpieteren was ook geen sprake. Elk weekend was er wel ergens een houseparty voor alle buitenlandse hulpverleners, contractors en journalisten en alle anderen uit de industrie die in elke crisis neerstrijkt.

Zo veel als er gesproken werd over de gevaren voor buitenlanders, zo weinig ging het over de geneugten. Dat wil zeggen, die voor ons. De meeste Afghanen hadden daar de middelen niet voor.

Tussen die twee werelden bewoog H zich. Het optimisme dat hij gevoeld had toen in het vervolg op de oorlog van 2001 talloze buitenlandse projecten op gang gekomen waren, begon net als bij veel andere Afghanen te verdampen. Alleen degenen met veel kennis en langdurige connecties behielden nog enige geloofwaardigheid te midden van de oorlogsindustrie en de allianties met warlords uit de burgeroorlog van de jaren negentig. Een verzuchting die vaak klonk: ‘Gisteren was beter dan vandaag en vandaag zal beter zijn dan morgen.’

De ‘war on terror’ die na 9/11 losbarstte met als doel Osama bin Laden en al-Qaeda uit te schakelen, werd van meet af aan met excessief geweld gevoerd. b52’s wierpen hun dodelijke lading af. Clusterbommen vielen op woonwijken en nog maanden later werden kinderen getroffen doordat ze de onontplofte fragmenten aanzagen voor speelgoed. Amerika’s bondgenoten waren de warlords die oorlogsmisdrijven op hun geweten hadden en die weinig van vrouwenrechten moesten hebben. De optie van een deal met de vrijwel verslagen Taliban werd door Defensie-minister Donald Rumsfeld genegeerd. Nieuwe militaire doelen schoven als een horizon de verte in.

Vooral in het zuiden en oosten woedde de ‘war on terror’ voort. In de zuidelijke stad Kandahar, H’s geboortegrond, denderden konvooien met Canadese militairen, die het merendeel van de navo-troepen in het gebied vormden. Leger- en politiebases waren gebarricadeerd met zandzakken en explosie werende muren. Het Mirwais-ziekenhuis vormde de barometer van het conflict. Artsen somden op: vuurgevechten, zelfmoordaanslagen, bermbommen, luchtaanvallen, onderlinge afrekeningen.

Terwijl een dramatische geschiedenis zich ontvouwt, wordt zij al herschreven

Terwijl buiten Afghanistan de Taliban vaak als de grootste boosdoener werden gepresenteerd, was de werkelijkheid van het conflict oneindig veel complexer, én lokaler. Door grootschalige corruptie, wanbeleid en het uitblijven van de beloofde vrede en wederopbouw was het vertrouwen in de autoriteiten en de buitenlandse troepen tot een dieptepunt gedaald. Stammentwisten en ruzies over onder meer opiumvelden en toegang tot water eisten hun tol. Buitenlandse militairen boekten succes met kleinschalige hulpprojecten, maar wie het grotere beeld onder de loep nam, zag een bezettingsmacht die maar al te vaak in elke Afghaan een potentiële terrorist vermoedde. Het selectief inzetten van milities om gebieden te stabiliseren, zoals de Amerikaanse special forces deden, gaf rivaliteit tussen clans en stammen. De nightraids, de nachtelijke invallen waarbij regelmatig de verkeerde werd gearresteerd, waren gehaat. Bommen kwamen ook op onschuldigen terecht. ‘Wat kost een bom? Vijfduizend dollar? Van dat geld kunnen Afghanen een flinke tijd leven. Zeg maar tegen je regering dat ze hun wapens kunnen houden’, fulmineerde een arts bij een van mijn bezoeken aan het ziekenhuis. Hij was niet per se een aanhanger van de Taliban, hij wilde gewoon in vrede leven.

Dat verlangen naar vrede klonk ook in het Afghaanse legerkamp van Lashkar Gah in de provincie Helmand. Aan een tafel vol frisse schijven watermeloen en glazen thee deelden de commandanten bij wie ik logeerde hun herinneringen. Dertig jaar vechten had zijn sporen nagelaten. De een was een fiks aantal kiezen en de punt van zijn tong kwijt. De ander dacht er nog vaak aan hoe een Russische mijn net nadat hij zich 28 jaar geleden had verloofd de linkerhelft van zijn lichaam tijdelijk had verlamd. Het waren verhalen die ze verzwegen voor hun familie en ze wilden niet dat hun zonen in het leger zouden gaan. Ver weg van het comfortabele hoofdkwartier in Kabul was oorlog niet iets heroïsch of iets waar ze trots op waren. Het was gewoon iets waarvan ze wilden dat het ophield.

Aan hen moet ik denken nu er steeds meer aanwijzingen komen dat de Amerikaanse leiding in één keer de stekker trok uit alle logistieke ondersteuning die voor het Afghaanse leger onmisbaar was. ‘De Afghanen vechten nooit’, heet het nu in Washington – 66.000 Afghaanse soldaten sneuvelden de afgelopen jaren, versus 3500 Amerikanen. Terwijl een dramatische geschiedenis zich ontvouwt, wordt zij al herschreven.

En op westerse burelen is de blame game over het verloop in volle gang. Of men genoeg informatie had of niet, men had die kúnnen hebben. Het ontluisterende scenario dat zich nu voltrekt, is immers de kroniek van een aangekondigd debacle. De overwinning van de Taliban was geen opmars. Op lokaal niveau werden al maandenlang deals gesloten. In Kabul maakten bewoners zich ongerust over onbekende gezichten in de wijk. Aanhangers van de Taliban, die stilletjes binnentrokken.

De Amerikaanse onderhandelingen met de Taliban hadden alles te maken met de wens om hun troepen terug te trekken en bitter weinig met de wens van vrede voor Afghanen. Washington gokte dat de Taliban in Doha aan de tafel zouden blijven in plaats van dat ze volop zouden inzetten op een militaire overwinning. Voor die gok betalen Afghaanse burgers nu de prijs. Zoals ze die al decennialang betalen voor de oorlog in hun land.

Er komen andere smeekbeden binnen. Zoals van een dichteres uit Herat die nog een zus en een vader ter plekke heeft. ‘Alsjeblieft, doe iets.’

Toen ik haar in 2012 ontmoette was ze een van de vrouwen die profiteerden van de internationale hulp. Ze had een dichtbundel in de maak. ‘Het is een eerbetoon aan alle vrouwen van Herat. Ik wil namens hen het echte leven en echte gevoelens laten zien’, zei ze. ‘Soms ben ik boos. Op een maatschappij die negatief oordeelt over vrouwen zoals ik. Maar als ik schrijf, voel ik me beter. Het biedt troost.’

Ze was druk met andere projecten voor vrouwen. Haar witte iPhone rinkelde voortdurend en op het bureau liet ook een Nokia van zich horen. ‘Werken, werken, werken, als wij het niet doen, wie dan wel?’ Ze was trots op haar vijfduizend jaar oude stad, de bakermat van dichters en schrijvers. In de Middeleeuwen was Herat het centrum van christendom en soefisme, de spirituele, mystieke islam. Het meest tastbare bewijs van de rijke historie vormden de vijf minaretten die als trouwe wachters waakten over de stad, restanten van een complex met scholen en een moskee uit 1417. Aan die periode dankte de stad het gezegde ‘als je in Herat een voet uitsteekt, is de kans groot dat je op een dichter stapt’.

Zelf in het buitenland vreest ze voor het lot van haar vader, haar zus en haar gezin. Ook haar schoonzus laat wanhopig van zich horen. Valt er iets te doen voor een zoon, amper meerderjarig, die niet mee mocht toen het gezin vanwege hun vaders werk voor de navo werd geëvacueerd? Gelaten besluit ze: ‘Wij zijn Afghanen. Na veertig jaar oorlog hebben wij altijd een gevoel van pijn. Waar we ook wonen, lopen of slapen.’

Veel van de best and brightest verlaten het land, maar anderen besluiten te blijven. Het is veel te vroeg om te kunnen zeggen of de Taliban inderdaad ten gunste veranderd zijn. Er wacht een ingewikkelde ongewisse tijd, en er zijn genoeg omineuze voortekenen. Maar de nieuwe heersers krijgen te maken met een maatschappij die weerbaarder en rebelser is dan de samenleving die ze sinds het midden van de jaren negentig koeioneerden.

Op 22 augustus om 02.00 uur stuurt H een bericht: ‘They are inside the airport.’ Zijn broer en zussen hebben de luchthaven op eigen initiatief weten te bereiken. Enkele uren later vliegen ze in een Hercules hun nieuwe leven in ballingschap tegemoet.


Minka Nijhuis verbleef tussen 2002 en 2012 meermalen als journalist in Afghanistan en publiceerde in 2020 bij Nijgh & Van Ditmar Gekkenwerk: De zorgvuldig bewaarde geheimen van een oorlogsjournalist