Dubbelinterview met historici Hans Blom en Piet de Rooy

Wij hebben eenmaal de zee beheerst

Twee eminente Nederlandse historici praten over het belang van Nederlandse geschiedschrijving, en hoe het Nederlandse zelfbeeld is veranderd. De Rooy: ‘Het idee van Nederland als voorbeeldig land kreeg de doodsteek bij de val van Srebrenica’.

Medium br

De grote geschiedenis tekent zich af in kleine verhalen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was Nederland neutraal, maar gemobiliseerd. En dus kon de grootmoeder van Piet de Rooy geen beroep doen op haar vaste huisarts toen ze in verwachting raakte, aangezien deze zijn dienstplicht vervulde. Een onervaren invaller verscheen om de moeilijke tangverlossing te plegen, dronk zich vervolgens net even te veel moed in en beschadigde met de tang het oog van het kind. Het kind raakte blind aan één oog, waardoor het niet geschikt was om in de boerderij van de familie te werken en dus moest het maar veilig gaan leren.

Dit was in het protestantse deel van Noord-Brabant, een kleine enclave in een enorme katholieke meerderheid, waar dankzij zowel de liberale onderwijspolitiek als de emancipatiebeweging van Abraham Kuyper de weg open lag voor Piet de Rooys vader om geen boer te worden, maar onderwijzer, wat het een generatie later mogelijk maakte voor Piet de Rooy zelf om te gaan studeren en uit te groeien tot wat hij nu is, een halve eeuw later: een van de meest eminente historici die we op het gebied van de vaderlandse geschiedenis hebben.

Tegenover hem zit Hans Blom, minstens even eminent. Beiden zijn emeritus hoogleraar Nederlandse geschiedenis, met z’n tweeën hebben ze een cv dat zo’n beetje het hele spectrum van hete hangijzers in onze geschiedschrijving beslaat, als uitgesproken directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (Blom), als voorzitter van de commissie wier aanbevelingen het geschiedenisonderwijs flink opschudden (De Rooy), als hoofdauteur van het veelbesproken rapport over de val van Srebrenica (Blom), en als schrijver van een aantal populaire historische boeken die de grote greep niet schuwen (allebei). Van beiden verscheen onlangs een boek dat zich bezighoudt met de meest contemporaine geschiedenis: van Piet de Rooy het geprezen Ons stipje op de waereldkaart, dat vorige week nog werd bekroond met de Prinsjesboekenprijs voor het beste boek over de landelijke politiek. Van Blom verscheen deze zomer het grondig herziene Geschiedenis van de Nederlanden, het bij alle geschiedenisstudenten bekende standaardwerk dat voor het eerst verscheen in 1993. Voor deze heruitgave schreef Blom een nieuw slothoofdstuk, waarin hij de geschiedschrijving doortrekt tot na de moord op Van Gogh, waarna Nederland in een ‘nationale reflex’ is geschoten, die zich uit in een nieuwe focus op zichzelf, waar termen als ‘Europese samenwerking’ en ‘multiculturele samenleving’ een heel nieuwe lading hebben gekregen.

En dus praten we over het belang van Nederlandse geschiedschrijving, en hoe het beeld dat Nederland van zichzelf heeft gecreëerd, is veranderd. De locatie is een van de werkkamers van De Rooy, in zijn huis aan een gracht in Haarlem. De herfst hangt al in de bomen, er is niemand op straat. Op de hoek zit een esoterische boekhandel, met De Chymische Bruiloft van Christian Rosencreutz prominent in de etalage.

Ongeveer een uur nadat de eerste vraag is gesteld, begint Blom zich een beetje zorgen te maken. Over het interview welteverstaan. ‘Is dit wel interessant genoeg?’ vraagt hij. ‘Ik bedoel, is het niet te veel human interest?’

De Rooy en Blom schelen precies een jaar, in het voordeel van de eerste, maar Blom (1943) komt in zijn doen aanzienlijk jonger over: hij barst van de energie, praat met een aanstekelijke urgentie, gebaart erbij. De Rooy laat een vraag over zich heen komen, neemt de tijd om erover na te denken, vaak met een kleine glimlach om zijn lippen. Ze zijn aardig op elkaar ingespeeld, maken elkaars zinnen een aantal keren af, gek genoeg ook wanneer de ander net een heel persoonlijk verhaal vertelt.

Tot dan toe ging het gesprek vooral over de vraag waarom ze ooit geschiedenis zijn gaan studeren. De historici keken elkaar bij die vraag aan, glimlachten, en Blom nam het woord: ‘Bij mij is het antwoord evident: uit puur nationalistische overwegingen. Ik was een kindje van de ouderwetse nationale school, onderwijzers die prachtig over de Tachtigjarige Oorlog vertelden, de prenten van Isings hingen aan de muur, ik las thuis negentiende-eeuwse kinderboeken over de vaderlandse geschiedenis. Al op de middelbare school kwam ik dankzij uitstekende docenten erachter dat die geschiedenis vaak anders in elkaar zat dan in die nationalistische boeken werd verteld, en dat “vaderlandse geschiedschrijving” altijd een concept is, waar veel persoonlijke emotie bij komt kijken. Het is iets dat buitengewone risico’s met zich meebrengt.’

De Rooy: ‘Een kwestie van afstrepen. Op de middelbare school vond ik weinig vakken erg interessant, maar ik had die ene leraar zoals iedereen er wel eentje heeft. Hij wist aanstekelijk en beeldend te vertellen over totaal vergeten oorlogen als de Negenjarige- en de Zevenjarige Oorlog, in de zeventiende en achttiende eeuw, en hoe de allianties tussen de rijken verschoven. “De vrienden van mijn vijanden zijn mijn vrienden”, dat werk. Prachtig.’

Daarna ging het gesprek over het ‘geleend geheugen’, het idee dat een mens niet alleen zijn eigen geheugen bezit, maar in zekere zin ook gebruik kan maken van de verhalen van ouders en grootouders, en zich zo een beeld kan vormen van het leven voor zijn tijd. De Rooy rekent terug tot de Eerste Wereldoorlog, toen zijn vader niet alleen zijn oog verloor. Blom komt terug tot in de jaren twintig, toen zijn grootvader een limonadefabriek begon, ‘Blom’s limonade’. ‘Hij had dezelfde voorletters als ik’, zegt Blom, ‘ik heb nog een sifon met etiket: J.C.H. Blom Limonades, Den Haag. In de jaren twintig liep dat wel goed, maar in de crisis van de jaren dertig liep dat natuurlijk volkomen op de vod. En omdat ze niet kerkelijk waren, en omdat ze als middenstanders niets met het socialisme te maken hadden, voel je dan toch ergens die grote zuigkracht van een sterk gezag, en dat heeft ertoe geleid dat zijn hele gezin in de nsb terecht is gekomen. Mijn grootvader werd zelfs penningmeester van de nsb-afdeling Den Haag.’

Zijn vader was een knap, atypisch jongetje, dat op zijn zestiende al eindexamen deed, vertelt Blom. Hij kon door een beurs van de gemeente in Leiden gaan studeren. ‘Daar liet de appeal van de nsb hem vrij snel los. Waarschijnlijk vanwege het ambtenarenverbod – hij was assistent in het lab – en omdat hij reserveofficier in het leger was: in beide functies mocht je vanaf 1934 geen lid meer zijn van de nsb. Maar waarschijnlijk ook omdat hij in het Leidse milieu andere mensen leerde kennen. Hij was erg onder de indruk van de beroemde joodse natuurkundige Ehrenfest. Ik heb er veel minder over kunnen praten met hem dan ik had gewild, tegen de tijd dat ik me professioneel met de oorlog ging bezighouden, was hij al overleden. Maar ik heb ooit de brief gezien waarmee mijn vader brak met zijn familie – tot mijn woede hebben ze die ooit verscheurd om af te rekenen met het verleden – met daarin de zin: “Nu de vijand met wie jullie je verbonden hebben mij in krijgsgevangenschap naar Duitsland wil sturen, denk ik dat het moment daar is dat wij uit onze veiligheid de verbinding moeten verbreken.” Zo’n soort zin. “Nu de vijand met wie jullie je verbonden hebben…” Uiteindelijk dook mijn vader onder in Friesland, en moest hij mijn moeder met drie kinderen achterlaten. Ik heb de foto’s nog die ze van elkaar lieten maken toen hij vertrok, zodat ze een herinnering hadden. Het was oorlog, niet waar, gevaarlijke tijden.’

Je kunt je afvragen of dat soort anekdotes slechts anekdotes zijn, human interest, of dat het juist het soort bouwstenen zijn die blikken kleuren, persoonlijke fascinaties oproepen, kortom, historici op een pad zetten om bepaald onderzoek te verrichten. Nou nee, zegt De Rooy. Hij studeerde aan wat toen nog de Rijksuniversiteit Utrecht heette, een saaie bedoening, zegt hij. Dit waren de jaren zestig, in Amsterdam, met de provo’s aan het Spui – daar gebeurde het, dat vond hij interessant. En dus schreef hij zijn archiefscriptie over het Palingoproer, in 1886, in de overtuiging dat het verleden de beste mogelijkheid is om het heden te ontleden. En nee, zegt Blom. Hij was oorspronkelijk meer geïnteresseerd in andere dingen, zeventiende-eeuwse wetenschapsgeschiedenis, modern imperialisme, Amerikaanse geschiedenis – alleen omdat hij assistent werd bij hoogleraar vaderlandse geschiedenis Ivo Schöffer ging hij zich vooral met Nederlandse geschiedenis bezighouden.

Blom: ‘We kunnen nu natuurlijk wel op de sofa gaan liggen en ons laten analyseren door deskundige psychiaters…’

De Rooy: ‘Kom op Hans, dat doen we zelf ook wel.’

‘“Vaderlandse geschiedschrijving” is altijd een concept, waar veel persoonlijke emotie bij komt kijken’

Blom: ‘Maar ik blijf erbij: ik heb er niet zelf op aangestuurd om me met de oorlog bezig te houden.’

Nou, oké dan.

Zowel in zijn Republiek van rivaliteiten, Nederlands sinds 1813 (2002) als in Een stipje op de waereldkaart lijkt Piet de Rooy met een zeker sardonisch genoegen te schrijven over hoe zelfgenoegzaam Nederland door de jaren heen over zichzelf kon denken. Om die zelftevredenheid vervolgens steeds door te prikken. In Republiek van rivaliteiten begint hij een hoofdstuk met op te merken dat het kabinet-Cals in 1965 al wilde beginnen aan de voorbereidingen op de 21ste eeuw – ‘wat toch rijkelijk vroeg was. Waren er geen zorgen die dichterbij lagen?’ Een stipje op de waereldkaart begint nog een stukje eerder, met een even zelffeliciterend citaat van de toen populaire geschiedschrijver Hofdijk, die in 1864 schrijft: ‘Wy hebben eenmaal de zee beheerscht, en volkeren de wet voorgeschreven; wy hebben Europa en de waereld doen spreken van, doen buigen voor den Leeuw van Nederland, omwapperd met zijn driekleurige banier. Dat behoort tot het verledene; dat keert nimmer weder te rug – en behoeft ook niet te rug te keeren.’ Nee, schrijft Hofdijk, Nederland heeft een nieuw devies: ‘Het is schooner het zedelykste dan het machtigste volk der aarde te zijn.’ Dit motief, schrijft De Rooy, zou zich in de loop van de negentiende eeuw verbreden tot de gedachte dat Nederland in algemene zin een voorbeeldig land was.

Als dat idee zich toen zo hardnekkig postvatte, wanneer is dat idee van een voorbeeldig Nederland dan losgelaten?

De Rooy: ‘Nou ja, er was natuurlijk altijd ook een meer realistische school in de geschiedschrijving, maar ik denk dat dit idee van Nederland als voorbeeldig land pas de doodssteek kreeg bij de val van Srebrenica. Daar werd Nederland, of tenminste het gekortwiekte bataljon dat daar zat, door de wielen der geschiedenis vermalen.’

Waarom juist toen?

De Rooy: ‘Omdat daarvoor het idee leefde dat de manier waarop we in Nederland met conflicten omgingen, of hoe we onze beroemde tolerantie bedreven, een baken in de wereld was. Opvallend was ook dat de regering aanvankelijk nog wat twijfelde en wat tijd nodig had om te beslissen over hoe de missie in Joegoslavië aan te pakken, maar dat de media enorm aandrongen: “Zeg, zullen we daar eens iets gaan doen?” Met Srebrenica ging dat optimisme definitief verloren. Het was de grootste massamoord sinds 1945 – en wij waren daar medeverantwoordelijk voor. Niet alleen ontdekten we toen dat ons voorbeeld niet werkte, maar ook dat we zo’n geringe invloed hadden op de grootmachten om ons heen dat we ons maar eens wat realistischer en bescheidener moesten gaan opstellen.’

Blom: ‘Als je media van die tijd goed bestudeert, zie je dat eigenlijk alle aspecten van de problematiek in voormalig Joegoslavië aan bod komen – het was niet zo dat bepaalde informatie niet bekend was – maar dat de dominante opinievorming aanstuurde op ingrijpen, hoe dan ook. Als je terugkijkt, lijkt dat redelijk absurd. Geen van de andere landen die in de interventiemacht zaten, wilde naar Srebrenica toe, maar Nederland had een blanco toezegging afgegeven. En zelfs dan moet je concluderen dat het pas bij het derde Nederlandse bataljon dat daar zat, misging. Pas toen de officiële missie erop zat, toen een maand overbrugd moest worden totdat Oekraïense militairen de missie zouden overnemen. Het is achteraf altijd makkelijk te bedenken waarom iets fout ging.’

Maar Srebrenica speelde zich af midden jaren negentig, een decennium waarin de economie enorm groeide, het poldermodel wereldberoemd werd, en waarin Wim Kok internationaal het gezicht werd van de Derde Weg. Nederland leek toen zelfverzekerd over wie en wat het was.

De Rooy: ‘Natuurlijk. We haalden bijna als enige de norm voor ontwikkelingshulp, één procent van de begroting, met Jan Pronk die wereldwijd voor ontwikkelingshulp opkwam en optrad tegen de milieuvervuiling. We sloten ons aan bij het verdrag van Kyoto. We vonden onszelf reuze tolerant, er heerste een enorm taboe op racisme en discriminatie. En vanuit het buitenland werd dit heel erg bevestigd: denk ook aan de beroemde G8-bijeenkomst in Denver, in 1997, waar president Clinton tegen Wim Kok zei: “Wim, jij doet wat wij eigenlijk al zouden willen.” Door Srebrenica werd als het ware de stop uit het bad getrokken, om het even ongelukkig te formuleren, en vielen we internationaal enorm door de mand.’

Blom: ‘Wat je er ook verder van denkt, enige morele superioriteit van Nederland in welke fase van dat conflict dan ook, in welke uitvoering dan ook, was nergens te vinden. En als je goed kijkt, zie je dat meer conflicten, zoals de dekolonisatie…’

De Rooy, ironisch: ‘… maar dat zijn we toch massaal vergeten?’

Blom: ‘De dekolonisatie, de jodenvervolging, het leek alsof dat allemaal heel direct ineens met Srebrenica geassocieerd kon worden – volstrekt buiten de orde, vind ik zelf.’

‘In Srebrenica werd Nederland, of tenminste het gekortwiekte bataljon dat daar zat, door de wielen der geschiedenis vermalen’

Srebrenica deed iets wankelen in het zelfbesef van Nederland?

De Rooy: ‘Het kwam op de helling te staan. Dat is het moment dat er verwarring begint te ontstaan, over waar we voor staan, wat voor land we zijn. Dit is de periode dat de minister van Onderwijs de onderwijsraad een brief stuurt met de opdracht “Er is behoefte aan een nieuw verhaal van Nederland”, wat dan leidt tot het verzoek aan Frits van Oostrom om de geschiedeniscanon op te stellen, wat op zijn beurt weer leidt tot het monsterverbond tussen Jan Marijnissen van de SP en Maxime Verhagen van het cda om een Nationaal Museum in te richten – en dat eindigt dan weer in schuim en as. Het tekent iets van de verwarring van het zelfbeeld. En dat wordt dan nog verergerd door de moorden op Fortuyn en Van Gogh. Denk aan de beroemde zin van Charles de Gaulle, die zijn memoires begint met “Toute ma vie, je me suis fait une certaine idée de la France…” Een zeker idee. Dat ontbreekt totaal in Nederland op dit moment.’

Blom: ‘Natuurlijk moet je er altijd mee oppassen om dingen waar je zelf bij betrokken was als het middelpunt van de zaken te beschouwen – Piet bij de onderwijsbrief, ik met het Srebrenicarapport – maar het blijft een duidelijk symbool. Het blijft vlam in de pan. Als er nu wordt bericht dat we honderd man – honderd man! – onder Duits bevel naar politietraining in Afghanistan sturen, dan blijft er in de berichtgeving een rare ondertoon zitten. Er blijft een impliciete verwijzing naar Srebrenica in voelbaar.’

In een interview met collega-historicus H.L. Wesseling in De Groene, eind vorig jaar, merkte deze op dat de Nederlandse kijk op de eigen geschiedenis door twee momenten onherroepelijk werd veranderd, namelijk toen we ons realiseerden dat zowel de dekolonisatie van Indonesië als ons verzet tegen de Duitsers bepaald niet zo heroïsch was verlopen als we graag dachten. Die zaken speelden zich toch af ruim voor Srebrenica?

De Rooy: ‘Belangrijk is dat de beeldvorming over de oorlog en de politionele acties geleidelijk is veranderd. Er gingen decennia overheen. Bij Srebrenica ging het heel snel.’

Blom: ‘In de een-na-laatste alinea van mijn nieuwe slotbeschouwing van Geschiedenis van de Nederlanden schrijf ik dat het opvallend is hoe weinig gewelddadig alles is verlopen wanneer je terugblikt op de vele ingrijpende veranderingen die zich in de twee eeuwen van het Koninkrijk der Nederlanden hebben voltrokken. En daar zijn twee uitzonderingen op, namelijk de Tweede Wereldoorlog, en de (de-)kolonisatie. Die voegen zich niet in die geweldsarme traditie.’

De Rooy: ‘Ondanks die oorlog, en ondanks de politionele acties in Indonesië, blijft het hoofdpunt dat die idealistische stroming, dat sentiment van Hofdijk, in ons zelfbeeld is doorgezet. En zelfs over de dekolonisatie is eerder opgemerkt dat het minder rotzooi heeft opgeleverd dan de dekolonisatie van Frankrijk en Groot-Brittannië. Denk aan wat er in Algerije en India is gebeurd.’

Blom: ‘Maar dat kun je ook zeggen over de bezettingstijd. De gedachte dat het toppunt van de jodenvervolging in Nederland plaatsvond, is een misvatting. Het blijven gruwelijke cijfers, maar in Oost-Europa was het veel bloediger en gewelddadiger.’

De Rooy: ‘En er zijn altijd tegenstromingen geweest, hoor. Neem onze oorsprongsmythe. Het idee dat wij, en ik spreek hier in cursieven, dat wij tachtig jaar strijd hebben geleverd tegen de imperialistische Spanjaarden. Als historici weten we natuurlijk al lang dat de Tachtigjarige Oorlog in feite veel meer een burgeroorlog was en dat hier helemaal niet zo veel Spanjaarden zaten. Dat werd al opgeschreven door mensen als Busken Huet in de negentiende eeuw.’

Blom: ‘De veel bejubelde Gouden Eeuw, met alle kunst, alle prachtige grachten – wij stuurden gewoon interventiemachten naar de Oostzee als daar iets gebeurde wat ons niet beviel. Wij veroverden al die koloniën.’

Waarom heeft dat nooit z’n stempel gedrukt op ons zelfbeeld?

De Rooy: ‘Omdat het niet leuk is om te horen.’

Maar waarom hebben andere landen daar geen problemen mee dan, zoals Frankrijk en Engeland? Daar staan de pleinen vol met standbeelden van hun vroegere helden.

‘De gedachte dat het toppunt van de jodenvervolging in Nederland plaatsvond, is een misvatting’

Blom: ‘Ah, de glorie. Maar je moet je voorstellen dat het alledaagse leven in de negentiende eeuw al zoveel anders was dan in die Gouden Eeuw, zoveel minder rijk, minder machtig. Dan moet je iets anders doen met je verleden. Dat is Hofdijk. Dan ga je verkondigen dat het beter is “een schooner land” te zijn dan een machtiger. Het is een manier om enig zelfrespect te houden. In die negentiende eeuw hebben we in verhouding enorme koloniën, maar militair kunnen we daar weinig mee. Dus richten we ons daar op ethische politiek. Dat klinkt verheven, maar we konden ook niet anders. Dit is een duidelijk voorbeeld van een usable past.’

I_s het moeilijker om over eigentijdse geschiedenis te schrijven dan over geschiedenis van eeuwen geleden? Eigentijdse brengt vaak een persoonlijke lading mee._

De Rooy: ‘Het is lastig omdat je bezig bent over je eigen staart te springen. Je probeert als historicus verder te komen dan de waan van de dag. Het is je vak om met afstand naar de zaken te kijken. En je moet jezelf ook overwegen. Ik ben op het moment niet heel gelukkig met de ontwikkelingen in de samenleving. Wat je je dan vervolgens moet afvragen, is of dat niet gewoon een typische oudemannenkwaal is. Wat natuurlijk een probleem is van eigentijdse geschiedenis is dat we niet weten hoe…’

Blom: ‘… hoe het afloopt. Maar aan de andere kant: weten hoe het afloopt, is vaak juist de handicap van de historicus. Het is fundamenteel dat je daar overheen weet te stappen als je de onzekerheden van de mensen van toen, die zelf ook niet wisten hoe het afliep, wilt begrijpen.’

De Rooy: ‘Die onzekerheid begrijp je als je schrijft over de laatste vijftien jaar zeker wel. Er lijkt weinig structuur in de gebeurtenissen te zitten van de laatste decennia. Sinds de ontzuiling hebben we niet langer een goed, richtinggevend idee van hoe de samenleving zich ontwikkelt. Sinds de Koude Oorlog is de politiek redelijk losgeslagen, en daar komen economische ontwikkelingen bij die zich in het buitenland afspelen en ons hardhandig beïnvloeden.’

U merkt in uw slothoofdstuk van De geschiedenis van de Nederlanden een paar keer op hoe klein Nederland is, meneer Blom, bedoelt u dat Nederland gevoeliger is voor internationale gebeurtenissen?

De Rooy springt ervoor: ‘Dat is omdat Hans in Leiden heeft gestudeerd, en Robert Fruin (hoogleraar vaderlandse geschiedenis in Leiden van 1860-1894 – red.) is de oervader van de historische school van Leiden.’

Blom: ‘Van Nederland!’

De Rooy: ‘De Nederlandse Ranke! En Fruin zei altijd dat het verhaal van Nederland heel anders was gelopen als we een paar miljoen mensen meer hadden gehad. Hans past echt in die school van denken.’

Blom: ‘Ziezo. Ik laat mij graag verklaren.’

Speelt die kleinheid, en de steeds groter wordende dominantie van buitenlandse ontwikkelingen, ook een rol in hoe we naar ons usable past kijken?

De Rooy: ‘Er is geen usable past. Op dit moment. En dat betekent twee dingen: allereerst dat de geschiedenis geen rol speelt in het politieke debat. Het is soms tenenkrommend wanneer er bijvoorbeeld over wordt gesproken om uit de euro te stappen om soevereiniteit terug te winnen, dat niemand zich afvraagt waarom we de euro ingevoerd hebben. Namelijk omdat de dollar te dominant was. Als Washington besloot dat er inflatie kwam, dan kwam dat er bij ons. Juist met de euro wilden we onafhankelijker worden. Ten tweede, doordat er geen usable past is, is er geen duidelijk idee waar we naartoe willen. Dit is het beste uitgedrukt in de woorden van onze huidige minister-president, die zei: “Grote verhalen, daar zit ik niet op te wachten, dat zijn maar olifanten in de kamer”.’

Blom: ‘Er is blijkbaar de behoefte, en die deel ik wel, dat we in een land een zekere sociale en politieke samenhang vinden. De praktijk is dat een samenleving bestaat uit allerlei verschillende brokken, en dat die brokken de behoefte hebben te beschrijven en te bedenken waarom ze bij elkaar horen en wat ze verder willen. Pas als er een idee is waar we naartoe willen, kan er een echt debat gevoerd worden over hoe we dat doen. Dat zou een enorme impuls aan ons publieke debat geven. Wie weet.’


Piet de Rooy, Ons stipje op de waereldkaart,de politieke cultuur in de negentiende en twintigste eeuw_,Wereldbibliotheek, 416 blz., ¤ 29,95._

Geschiedenis van de Nederlanden, red. J.C.H. Blom en E. Lamberts, Prometheus Bert Bakker, 520 blz., ¤ 39,95


Beeld: Hans Blom (links) en Piet de Rooy ‘Een probleem van eigentijdse geschiedenis is dat we niet weten hoe…’ ’…hoe het afloopt’.