Het gewone leven van Khalil, Samira, Farida en Deniz

‘Wij hebben óók een hekel aan de belastingen’

Het debat over de islam in Nederland wordt gedomineerd door de extremen. De grote gematigde meerderheid blijft ‘angstwekkend stil’. Ook onder moslims. Margalith Kleijwegt sprak een aantal van hen.

Mijn moeder zei altijd dat ze door de oorlog joods was geworden. Ook al kwam ze uit een traditioneel joods gezin, ze trok zich daar voor de oorlog weinig of niets van aan. Ze was seculier en had niet-joodse vriendjes en vriendinnetjes. De oorlog maakte haar tot jood omdat de vijand haar zo bestempelde en ze haar leven om die reden niet langer veilig wist. Uit angst voor en boosheid over antisemitisme en de ramp waartoe dat had geleid, kon ze het joodse deel van haar identiteit na de oorlog niet meer van zich afschudden, joods-zijn was onontkoombaar, anderen zouden haar daar altijd op blijven wijzen.

Medium illu1 1

Onthand en machteloos moeten veel moslims zich hebben gevoeld na het decreet van president Donald Trump waarin hij reizigers uit zeven moslimlanden de toegang tot de Verenigde Staten wilde ontzeggen.

Als de buitenwereld je uitsluit en vernedert, keer je bijna vanzelf terug naar je roots, naar de moederschoot. Daar is het tenminste veilig. Terwijl zo’n beweging de integratie helemaal niet verder helpt, integendeel. Je zou willen dat er een klimaat was waarbinnen iedereen zich vrij zou voelen om een eigen, individuele keuze te maken.

Het debat over de islam en moslims wordt al jaren op felle toon gevoerd. Er lijkt geen middenweg te bestaan, nauwelijks nuance, terwijl we het daar natuurlijk van moeten hebben. Juist degenen die wikken en wegen, zijn interessant om te horen en te begrijpen. Bovendien zijn de gematigden representatiever dan degenen die met luide stem voor of tegen iets zijn.

En de kans is groot dat zij wél individuele keuzes maken. Daarom wilde ik met ze praten, hun verhaal horen. Want eigenlijk blijft het, zei Ruud Koopmans, hoogleraar sociologie in Berlijn, vorig jaar in De Groene Amsterdammer, juist bij deze groep ‘gematigden’ waarvan je de oplossing zou moeten verwachten ‘angstwekkend stil’. Hij zei met grote stelligheid dat de oplossing van het islamitisch radicalisme juist binnen de moslimgemeenschap zelf ligt. Daar moet het gesprek over heikele thema’s opener en eerlijker worden gevoerd. Bovendien, betoogde hij, zouden moslims binnen hun gemeenschap meer vrijheid moeten krijgen, zelf moeten kunnen bepalen op welke manier ze geloven en of ze zich al dan niet aan alle regels houden. Als de gematigde moslim zich vaker en luider zou uitspreken, zich in het publieke debat zou mengen, zou dat enorm helpen.

Ik volg dit gevoelige en complexe debat al heel lang en vroeg een aantal moslims tussen de dertig en veertig jaar hoe ze in het leven stonden en of ze behoefte hadden om naar buiten te treden. Sommigen ken ik al vele jaren, anderen leerde ik door dit verhaal kennen. Ze hebben gemeen dat ze hoogopgeleid zijn en dat ze op eigen kracht hun positie in de maatschappij hebben verworven. Wat er in de wereld gebeurt trekken ze zich wel aan, maar niet op een manier die ze verlamt. Sommigen worden er zelfs strijdbaarder van. Hun geloof is belangrijk voor ze, maar ieder van hen interpreteert de beleving ervan op zijn of haar eigen manier.

Een van hen is Khalil Aitblal, ondernemer. Naar aanleiding van de terroristische aanslag op een moskee in Quebec waarbij zes doden vielen, trad hij als woordvoerder van vier grote moskeeën op in het Achtuurjournaal. Hij wilde waarschuwen voor groeiende moslimhaat. Uit veiligheidsoverwegingen blijven de deuren van zijn moskee voorlopig gesloten. Aitblal vond ‘dat we dit met z’n allen moeten aanpakken’.

Een ander die ik uitvoerig sprak, is Samira Bouddount. Ze is in het dagelijks leven een gewaardeerd advocate en moeder van drie kinderen. Ik leerde haar in 2014 kennen en was onder de indruk van haar wijsheid. Ze is eind dertig, heeft een Marokkaanse achtergrond en ze draagt een hoofddoek. Beroepshalve staat ze jaarlijks tientallen vrouwen bij die in ingewikkelde echtscheidingszaken verwikkeld zijn geraakt. Onvermoeibaar en vol mededogen zet ze zich voor hen in. Maar ze heeft ook compassie met de mannen, ze laat zich nooit laatdunkend over hen uit.

Voor de zaak van Aïscha, de vrouw die vanaf 1993 jarenlang met haar kinderen gevangen werd gehouden in Marokko, maakte ze een uitzondering, wat deze Mohamed deed vond ze misdadig. Hij was vijftien jaar ouder dan Aïscha en wilde de totale controle over zijn vrouw houden en bouwde daarom een soort gevangenisje waar zij en haar jongste dochter, die in gevangenschap was verwekt en geboren, moesten wonen, terwijl Mohamed tussen Marokko en Nederland pendelde. Uiteindelijk wist een van haar zoons te ontsnappen en naar Nederland te komen.

Hij schakelde Bouddount in en dankzij haar vasthoudendheid en pragmatische instelling kwamen moeder en dochter in 2014 vrij en wonen ze nu weer in hun oude huis in Amsterdam-West, dat inmiddels op haar naam staat. Van haar man is Aïscha gescheiden. Samira Bouddount was een enorme steun voor deze vrouw, maar ze hield ook afstand. Ze schakelde de buurtregisseur in en vroeg hem een oogje in het zeil te houden, op te letten of Mohamed haar niet opnieuw zou gaan belagen en ze spoorde de dochter aan naar school te gaan en iets van haar leven te maken.

Bouddount is een scherpzinnige vrouw die het opneemt tegen bezitterige echtgenoten, maar die ook oog heeft voor hun onmacht. De Nederlandse samenleving is een andere dan die waar de mannen in opgroeiden en dat is voor sommige mannen nog altijd wennen.

Ze is actief in haar eigen kring in de hoop dat ze op die manier de emancipatie, zowel bij mannen als vrouwen, een zetje kan geven. Ze verschijnt niet in de mainstream media, maar achter de schermen is ze bekend om haar toewijding en vakkennis. Iedereen kan een beroep op haar doen.

De advocate leidt een druk bestaan, met haar familie, haar werk en de school van haar drie kinderen. Ze heeft een uitgebreid en gevarieerd netwerk en is actief op Facebook, waar ze onlangs een bericht op plaatste dat tot nadenken stemt.

‘Er waren mensen bij die zichtbaar dachten: misschien zitten er wel explosieven in haar koffertje. Ik kreeg medelijden met ze’

Ze had de trein naar Den Haag genomen omdat ze daar die ochtend een zitting had. Eenmaal in een van de coupés merkte ze dat medepassagiers angstig op haar reageerden. ‘Ik had een koffer met wieltjes bij me. Ik kreeg een ongemakkelijk gevoel. Er waren mensen bij die zichtbaar dachten: misschien zitten er wel explosieven in dat koffertje. Ik kreeg medelijden met die bange mensen. Toen ik eenmaal een zitplek had bemachtigd, opende ik demonstratief mijn koffer. Ik deed alsof ik iets zocht, terwijl dat niet zo was. Het ging mij erom dat mijn medepassagiers zouden zien dat de koffer vol dossiers zat. Als dat geruststelling geeft, waarom niet?’

Bouddount had met de passagiers te doen, want ook al was hun angst niet gegrond, hun ongerustheid was oprecht, merkte ze gelaten op. De reacties op haar Facebook-bericht varieerden. Sommigen vonden haar manoeuvre onzin, anderen begrepen dat ze de treinreizigers gerust wilde stellen. Er waren meer Facebook-vrienden die soms het gevoel hadden bekeken en gewantrouwd te worden. ‘Daarom ontwijk ik andere mensen soms’, schreef een vriend. Bouddount besloot de gedachtewisseling met de conclusie voorlopig niet meer met de trein te reizen. Kennelijk wilde ze niet nog eens in zo’n kwetsbare en gênante positie geraken.

Samira Bouddount wil een zo gewoon en prettig mogelijk leven leiden. Ze wil geen uitzondering zijn. En ze wil niet voortdurend worden aangesproken op haar achtergrond, of op het islamitisch radicalisme. Als dat gebeurt, krijgt ze het gevoel er niet bij te horen, terwijl ze dat wel wil.

De mensen die ik sprak willen niet voortdurend worden benaderd over gebeurtenissen die te maken hebben met hun achtergrond, zoals de coup in Turkije of aanslagen. Niet alleen Samira Bouddount, maar ook Deniz is actief in eigen kring. Hij organiseert bijvoorbeeld cursussen voor Turkse en Marokkaanse ouderen. Khalil Aitblal houdt zich bezig met de modernisering van moskeeën. Het is alsof ze eerst orde willen scheppen in eigen huis, en daar is voorlopig nog genoeg te doen. Daarnaast vragen ze zich af wat je jezelf aandoet als je je wél in het debat mengt. Al die negativiteit is niet aantrekkelijk. Niemand wil een prooi zijn van sociale media, en de vrees dat dat gebeurt was voor mijn gesprekspartners een belangrijke reden om op de achtergrond te willen blijven.

‘Waarom zou ik me uitspreken?’ vroeg Farida retorisch, ‘als je vervolgens een enorme emmer bagger over je heen krijgt?’ Ze is midden veertig, gescheiden, heeft twee kinderen en ze maakte carrière. Van jongs af aan was ze ambitieus. Ze zat op een christelijke basisschool. ‘Dat was prettig, zo leerde ik veel over Nederland.’ De invloed van de moskee op het dagelijks leven thuis was niet groot. Haar vader werkte hard in de fabriek en hij hoopte dat zijn kinderen ook bereid waren zich in te zetten, alles aan te pakken.

Farida werkt inmiddels bij een grote financiële instelling. In de tijd van 9/11 beheerde zij de contracten met de Amerikanen, de chaos die toen ontstond is in haar geheugen gegrift. ‘De lijnen vielen plotseling weg, er was grote paniek want je moet weten: handelen is minutenwerk. Ik heb die week als in een roes beleefd, veel mensen waren bang, ze dachten dat de Derde Wereldoorlog was uitgebroken.’ Nog bezorgder was ze na de aanslag op Theo van Gogh. ‘Die moord heb ik als een aanslag op onze vrijheid ervaren. Er waren twee kampen. Marokkanen die met walging op deze daad reageerden en er was een groep die zei “net goed”. Dat waren vaak mensen die zich miskend voelden en die dachten: zo, nu wordt er eindelijk iets rechtgezet.’

Deniz ken ik al sinds 2003, hij was in die tijd begeleider van pubers in een Turks internaat in Amsterdam-West. Het internaat was religieus geïnspireerd op het gedachtegoed van Suleyman Hilmi Tunahan, de bezieler van de conservatieve Suleymanci-beweging. Deniz, die in het oosten van het land opgroeide, waar zijn vader actief betrokken was bij de Dyanet-moskee, maakte veertien jaar geleden al de indruk het ver te willen schoppen. Hij volgde de Nederlandse actualiteit op de voet, las het weekblad Elsevier en bezocht partijbijeenkomsten van de pvda. Korte tijd was hij ook actief in die partij, maar dat beviel niet, hij hield niet van partijpolitieke spelletjes.

Medium illu2 1

Hij koos voor een maatschappelijke carrière, leerde kwetsbare jongeren tussen acht en achttien bijvoorbeeld hoe ze het best met geld kunnen omgaan. Want juist die groep, vaak kinderen van migranten, komen snel in financiële problemen, ze geven makkelijk te veel uit. Hij helpt ook allochtone ouderen die aan het dementeren zijn; afleiding en ondersteuning leidt ze af van hun soms eenzame bestaan.

Veel migranten leven nog te veel in hun eigen groep, die sociaal gezien ver afstaat van de Nederlandse samenleving, is zijn observatie. En niet alleen die van hem, maar ook van de anderen die ik sprak. Kinderen van migranten moeten lef hebben om los te breken van thuis. Deniz ging zijn eigen weg, maar hield ook rekening met zijn ouders en dat werkte. ‘Ik koos die weg bewust, ik wist dat ik de Nederlandse samenleving beter moest leren kennen. In Amsterdam gaan wonen, hier studeren en sociaal ondernemen, naar andere landen reizen, dat soort initiatieven zijn voor mij bepalend geweest. Ik zocht een middenweg en die heb ik gevonden.’

Hij stelt zich in zijn werk zo neutraal mogelijk op en wil zich niet politiek uitspreken. ‘Ik heb er geen enkele behoefte aan om met vreemden over de situatie in Turkije te praten. Wat ik ervan vind, hou ik liever voor mezelf. Gesprekken over de islam of over IS ga ik liever ook uit de weg. Ik ben er eerlijk gezegd ook nauwelijks mee bezig. Ik heb mijn werk en mijn gezin, dat neemt al mijn tijd in beslag.’

Deniz is getrouwd, zijn vrouw heeft net als hij een Turkse achtergrond. Voor de geboorte van hun zoontje werkte ze als tandartsassistente, nu verkoopt ze schoonheidsproducten vanuit huis. Hun zoontje speelt met kinderen van verschillende achtergronden, al vinden ze het ook belangrijk dat hij zijn Turkse wortels leert kennen. Daarom denken ze er af en toe over om hun zoontje een paar jaar naar een internaat te sturen. Daar wordt goed op je gelet, er is structuur en discipline, en je krijgt genoeg mee over de islam en Turkije. Maar ontneem je je kind als je dat doet niet de mogelijkheid soepel in de Nederlandse maatschappij te integreren? De zo belangrijke sociale codes te leren kennen? Jazeker, beseft Deniz. Daarom is hij er nog niet uit.

Farida trouwde toen ze negentien was, ze dacht op die manier een onafhankelijk leven te kunnen leiden. Om diezelfde reden haalde ze snel haar rijbewijs. Bij haar in de buurt woonde een Marokkaanse vrouw die zelf auto reed, toen gebeurde dat nog niet zo veel. Dát wilde Farida ook. ‘Zij was een rolmodel.’ Haar vriendinnen waren ook ambitieus: ‘Ze moesten wel dezelfde drive hebben, anders nam ik snel afscheid. Voor mij was er geen holding back.’ Ze vocht voor haar vrijheid, maar bleef loyaal aan haar familie. ‘Ik voel me net zo Nederlands als Marokkaans, ik wil geen keuze maken.’

‘Ik heb geen behoefte om met vreemden over de situatie in Turkije te praten. Gesprekken over de islam of IS ga ik uit de weg’

Farida is een aantrekkelijke, geëmancipeerde vrouw die geslaagd is in het leven. Ze is gelovig, vooral de spirituele kant ervan spreekt haar aan. Geen ge- en verboden. Ze was dan ook heel verrast toen haar dochter op haar zeventiende besloot om een hoofddoek te gaan dragen. ‘Even voelde dat als een nederlaag, maar toen ik besefte dat mijn dochter dit helemaal op eigen kracht had besloten, zag ik het juist als een teken van kracht.’

Samira Bouddount, Farida en Deniz zijn actieve burgers met genuanceerde standpunten. Ze zijn ieder op hun eigen manier maatschappelijk betrokken, maar ze aarzelen om in de openbaarheid te treden. Daar word je platgewalst, je bent er in feite vogelvrij, zeggen ze. ‘Ja, ik behoor tot de zwijgende meerderheid’, zegt Farida, ‘over onderwerpen als radicalisme wil ik niet praten. Natuurlijk heb ik een mening, maar ik wil me veilig voelen en mijn ouders beschermen dus kan ik niet alles zeggen, zo is het gewoon. Trouwens, wat kan ik nu in m’n eentje veranderen? Er wordt te veel nadruk op de verschillen gelegd, niet op de overeenkomsten. We hebben zoveel dat ons bindt. We hebben allemaal een hekel aan de belastingen, we zeuren allemaal over de premie voor de ziektekosten. Laten we het daarover hebben, het schoolsysteem, dat soort dingen. Hou het klein.’

Vanuit hun eigen omgeving weten ze ook hoe fel er soms wordt gedacht. Hoe geliefd de partij DENK bij velen is en hoe snel jongeren kunnen radicaliseren. Zoals de jongen die een van hen goed kende en die onder invloed van leeftijdgenoten op weg naar Syrië ging, maar in Duitsland strandde. Jongeren die het Westen vaak als vijand zien terwijl daar tegelijkertijd hun toekomst ligt.

Samira Bouddount raapte al haar moed bijeen toen ze in 2014 besloot wél haar stem te laten horen. Het ‘minder, minder, minder’-gescandeer van Geert Wilders tijdens de verkiezingscampagne van 2012 trof haar diep. ‘Dat heb ik als heel erg ervaren, zo pijnlijk en vernederend.’ Ze kon het niet over haar kant laten gaan. ‘Normaal gesproken hou ik me gedeisd’, zei ze in 2014 tegen de plaatselijke krant WeesperNieuws. ‘Omdat alles wat je aandacht geeft groeit.’ Maar toen ze eenmaal de drempel van het politiebureau over stapte, was er geen weg meer terug. ‘Ik hou er serieus rekening mee dat ik op een dag weg moet’, zei ze destijds tegen de krant. ‘Die gedachte beheerst op ’t moment mijn leven.’

Als we elkaar op haar kantoor spreken zijn we al weer tweeënhalf jaar verder, haar woede is gezakt, de plannen om te vertrekken zijn van de baan. Sterker nog, haar aangifte tegen Wilders bracht haar alleen maar goeds. ‘Ik kreeg veel steunbetuigingen, ook of eigenlijk juist van Nederlanders. Op de school van mijn kinderen zeiden leraren dat ik groot gelijk had en sommigen deden zelfs in navolging van mij aangifte. Die blijk van solidariteit was zo belangrijk voor me, een hart onder de riem.’

Bouddount heeft ook andere ervaringen. Vrouwen die een hoofddoek dragen, worden toch vaak anders bekeken. ‘Na de opkomst van IS voelde ik me een tijdje onveilig. Ik trok het me aan als mij onterecht voorrang werd geweigerd in het verkeer. Ik zag en voelde dat dat door mijn hoofddoek kwam, echt, ik zag geen spoken.’ Iets anders wat knaagt: ‘Hollanders verkeren vaak in de veronderstelling dat hoofddoekdraagsters niet goed Nederlands spreken.’ Soms is die aanname het resultaat van eerdere ervaringen, maar het kan tot pijnlijke situaties leiden, zoals die keer, ik was erbij, dat de rechter in de rechtbank extra langzaam sprak en veel te overdreven articuleerde. Alsof hij dacht dat Samira, die een groot gevoel voor taal heeft en accentloos Nederlands spreekt, hem niet goed kon volgen. Ze ging er niet op in en antwoordde hem vriendelijk en in heel precies Nederlands.

Haar kinderen probeert ze tot bewuste moslims op te voeden, dat is nu eenmaal de groep waar ze vanuit de traditie bij horen, zegt ze, en als je wilt dat dat zo blijft moet je daar ook in investeren. Er met ze over praten, ze uitleg geven. Bouddount is er net als Farida van overtuigd dat er meer aandacht moet zijn voor wat ons bindt. ‘Ik vind dat de Nederlandse manier van leven meer overeenkomsten heeft met de islam dan met de Marokkaanse manier van leven. Je moet je verantwoordelijk voelen voor alles wat je doet en zegt, daar komt geen hogere macht tussen. Je moet tamelijk nuchter blijven en in je eigen kring zo veel mogelijk voor anderen betekenen. De Schepper wil namelijk dat je het goede doet.’

Als het haar lukt om haar kinderen samen met haar man op die manier groot te brengen, ze bewust te maken van hun achtergrond, hun geloof, volwassenen van ze te maken die kritisch zijn maar die ook openstaan voor andere meningen en geluiden, is ze tevreden. Haar eigen band met God is sterk, geloven geeft haar een gevoel van zingeving. Het goede doen, er zijn voor een ander. Ze lacht: ‘Mijn manier van geloven wordt niet altijd begrepen, geloof ik. Toen ons konijn overleed heb ik daar met mijn kinderen in de tuin om gebeden. Mijn man begreep dat niet, hij vond bidden voor een konijn belachelijk.’

Khalil Aitblal was in 2006 de oprichter van IslaamAangenaam, een groep jongens uit Nieuw-West die samenkwamen om te praten en te bidden, maar ze organiseerden ook levendige debatten die leuk en nuttig waren om bij te wonen. Ze wilden het geloof op een prettige manier aan de man brengen en jongeren begeleiden in hun zoektocht naar Allah. Born again muslims noemt de Franse politicoloog en islamkenner Olivier Roy deze moderne puriteinen die in het Westen opgroeien en hun geloof nieuw leven inblazen. Orthodox maar zeker niet extremistisch, ze staan zelfbewust in deze maatschappij.

IslaamAangenaam bestaat niet meer, maar Aitblal is nog steeds actief, jarenlang was hij woordvoerder van de ummao, de Unie van Marokkaanse moskeeën. Nu is hij actief binnen de Blauwe Moskee en sinds kort adviseert hij de stichting Islamitisch Sociaal-Cultureel Centrum, oftewel de Al Ummah-moskee in Amsterdam-West. Aitblal treedt wel naar buiten, hij spreekt zich uit waar en wanneer dat nodig is. En hij is meer dan bereid ook in eigen kring de discussie aan te gaan.

Binnen de Al Ummah-moskee aan de Postjesweg speelde bijvoorbeeld een conflict tussen de gematigden en de salafisten. Salafistische moslims pleegden een coup, die later door het huidige bestuur ongedaan werd gemaakt. Maar de oerconservatieve imam Mohamed Ezzekri bleef zitten, sterker nog, op de valreep kreeg hij van het oude bestuur een nieuw contract. Via Ezzekri hoopten ze hun invloed te blijven uitoefenen.

De imam werd door het nieuwe bestuur aan de kant gezet, maar dat pikte hij niet en hij stapte naar de rechter. Tijdens een kort geding op 20 januari betoogde de advocaat van de stichting dat de imam niet in de Al Ummah-moskee hoort, ‘want hij omringt zich met radicalen, hij keurt islamitische huwelijken goed en de gelovigen zijn bang voor hem’. Omdat het huidige bestuur onvoldoende Nederlands spreekt, trad Khalil Aitblal op als woordvoerder. Hij zat naast de advocate tegenover de rechter. Achter hem zat het nieuwe bestuur dat van de imam af wilde. Aan de andere kant van de zittingszaal zaten de vertrouwelingen van de imam, die allemaal een royale baard droegen.

Een imam die wordt ontslagen ligt heel gevoelig binnen de gemeenschap. Maar wat moet, dat moet; alleen door in te grijpen als er iets fout gaat komt de Marokkaanse gemeenschap een stapje verder, denkt Aitblal.

‘Door dat minder, minder, minder van Wilders was ik van slag, maar ik heb me herpakt. Boosheid leidt af van wat ik wil doen’

Om het debat binnenskamers zo scherp mogelijk te voeren, organiseerde Aitblal een jaar geleden een avond in de Badr-moskee in Amsterdam-West over extremisme en radicalisme. Zo’n beladen discussie in een moskee voeren móest, vond hij, in deze tijd van polarisatie. Er waren die avond meerdere stromingen binnen de islam vertegenwoordigd, ook de salafistische jongeren, die achteraf vooral mopperden omdat ze vonden dat ze onvoldoende aan bod waren gekomen. Het gesprek werd geleid door buitenstaander Felix Rottenberg, ‘dat leek ons verstandiger’. De moskee was stampvol en de avond werd ingeleid door een vader die zijn zoon in Syrië had verloren. Er werd opnieuw benadrukt dat meer imams Nederlands zouden moeten spreken omdat er op theologisch gebied voor jongeren nog zo veel te leren valt. Het ontbreekt hen vaak aan de juiste kennis.

Aitblal zou graag meer van dit soort avonden organiseren, het liefst samen met de lokale overheid. In zijn herinnering was het Amsterdamse stadsbestuur zo’n tien jaar geleden actiever, betrokkener. In de tijd van burgemeester Cohen en de wethouders Aboutaleb en Asscher was er continu overleg en werden er om de haverklap debatten georganiseerd. De lijnen waren kort, de politiek zat in de nasleep van de moord op Theo van Gogh ‘in de haarvaten’ van de samenleving. Het lijkt alsof er destijds meer gezamenlijk werd gezocht naar oplossingen.

Aitblal vraagt zich af waarom er minder debatten, gesprekken, overleggen zijn. Is het geen prioriteit meer? ‘Weten politici op dit moment wel voldoende wat zich allemaal afspeelt in de islamitische gemeenschap? Ik zit er middenin en toch heb ik moeite alle ontwikkelingen bij te houden. Onverdraagzame types proberen op meerdere plekken voet aan de grond te krijgen. Dat moeten we proberen te voorkomen. Daar komt alleen maar rotzooi van.’

in de al ummah-moskee rommelt het al een tijdje. In november 2016 sloeg de broer van de imam een oude gebedsvoorganger neer, het filmpje van de bewakingscamera was onder andere via AT5 te zien en verspreidde zich snel via sociale media. Deze broer had al eerder voor onrust gezorgd en mocht om die reden niet zomaar de moskee in.

Tijdens het kort geding in de Amsterdamse rechtbank afgelopen januari werden er vragen over dit incident gesteld. Hoe kwam de broer daar, als hij daar eigenlijk niet mocht zijn, vroeg de rechter? Waarom had de imam zich nooit in het openbaar gedistantieerd van het gewelddadige optreden van zijn broer?

Mohamed Ezzekri zei aan het eind van de zitting dat hij de klap die zijn broer had uitgedeeld afkeurde. Hij ontkende verder alle aantijgingen van de tegenpartij, hij had met niemand ruzie, hij was niet radicaal, en hij wilde weer aan de slag als imam in de Al Ummah-moskee. De rechter oordeelde twee weken later dat het ontslag rechtsgeldig was. De moskee moest Ezzekri wel twee maanden salaris meegeven en de proceskosten betalen. Het bestuur was opgelucht dat er een eind was gekomen aan de onaangename affaire.

Aitblal heeft groot respect voor de oudere generatie. ‘Onze vaders hebben de moskeeën die er nu zijn gebouwd’, zegt hij. Daar hebben ze destijds hun ziel en zaligheid in gelegd, dat mag nooit worden vergeten. Maar Aitblal wil ook dat de stap naar de moderne tijd wordt gezet. Hij ziet het liefst een poule van imams die Nederlands spreken en die vervolgens gaan rouleren, zodat iedere moskee elke week een ander geluid kan horen en alle moskeegangers het gevoel hebben dat ze vertegenwoordigd zijn. Hij hoopt vurig dat de moskee – ‘het is geen fitnessruimte’ – een instituut wordt dat maatschappelijk iets kan bijdragen. Dat ze een ‘speler’ worden. Nu wordt hij alleen gebeld als er een incident is. ‘Ik wil niet alleen iets uit te leggen hebben, nee, ik wil iets te bieden hebben.’

Khalil, Samira, Farida en Deniz merken in hun omgeving ook hoe groot de aantrekkingskracht van de partij DENK is. ‘Ze zijn hard en niet politiek correct’, merkt Samira Bouddount op. ‘Als ze een opmerking maken die tegen het zere been is, lijkt Nederland te klein. Ik vind ze wel vermakelijk, de luis in de pels. Of ik zelf boos ben?’ Stilte. ‘Door dat minder, minder, minder van Wilders was ik een paar maanden van slag, maar wie heeft daar wat aan? Ik heb me herpakt. Boosheid leidt af van wat ik wil doen en bereiken.’

Farida begrijpt dat DENK er is als een tegengeluid voor Geert Wilders, voor wie ze zich uit eigen behoud zo veel mogelijk afsluit. ‘Ze zijn een beetje een karikatuur, ik verwacht er niet veel van.’ Deniz is iets positiever: ‘DENK kan voor migranten een manier zijn om weer vertrouwen in de politiek te krijgen. Veel migranten hebben dat niet meer en door DENK voelen ze zich vertegenwoordigd. Die staan voor ze op de bres.’

Khalid Aitblal kent ook menige moskeeganger die in het stemhokje het vakje van DENK zal roodkleuren. Niet alleen ouderen maar juist jongeren voelen zich tot de partij van Kuzu en Öztürk aangetrokken. Vaak uit boosheid tegen de bestaande orde, tegen het Westen, tegen de plek waar ze wonen en waar ze onderdeel van zijn.

Al mijn gesprekspartners hopen dat migranten en hun kinderen weerbaarder worden. Zich individualistischer gaan opstellen, zich vrij voelen om meer dan nu hun eigen keuzes te gaan maken. ‘Marokkanen en Turken richten zich nog veel te veel op het land waar ze oorspronkelijk vandaan kwamen’, zei een bezorgde Marokkaanse Nederlander tegen me. ‘Er moet een mind shift komen. Ze wonen hier, ze maken deel uit van het Westen, dat is de realiteit en die moet nog meer tot ze doordringen. Door je continu tegen het Westen af te zetten, hou je de ontwikkeling van je kinderen tegen.’

Die eigen keuzes zullen steeds vaker gemaakt worden. Zo ken ik een jonge vrouw die zelf naar een islamitische basisschool ging en die haar dochtertje naar een christelijke school even buiten Utrecht bracht omdat ze niet wilde dat ze alleen bij migrantenkinderen zou zitten. Ze was er de enige moslim, maar haar moeder vond het een goede school en ze dacht dat haar kind zich op die manier sneller zou ontwikkelen.

En kijk naar Deniz, Farida, Samira en Khalil: zij hebben hun weg hier gevonden, en ze doen wat binnen hun vermogen ligt. Soms spreken ze zich uit, zoals Samira die de beledigingen van Wilders niet langer verdroeg, of Khalil die de salafisten een halt wilde toeroepen. Is het genoeg? Nee, maar het is meer dan een begin.


Om redenen van privacy zijn de namen van Farida en Deniz gefingeerd