Steven Barends, vertaler van Mein Kampf

«Wij hebben vuurgezwarte harten»

Steven Barends was avonturier, non-conformist, ruziemaker, dichter, novellist, fascist, nationaal-socialist en SS’er. Maar bovenal de vertaler van ‹Mein Kampf›. Hij is verdwenen sinds 1945. Maar de 88-jarige Barends leeft nog.

Eens in de zoveel jaar laait in Nederland de discussie op over de vraag of het verbod op de verkoop van Mein Kampf terecht is. Tussen 1973 en 1975 naar aanleiding van een poging het boek opnieuw uit te brengen. Tussen 1982 en 1984 wegens inbeslagname van tweedehands exemplaren. In de jaren 1997, 1998 en 1999 ging het om de vraag of er een wetenschappelijke editie moest komen, de verkrijgbaarheid op internet, en weer om de verkoop van tweedehands exemplaren. Op 3 oktober 2003 heropende recensent Arjan Peters van de Volkskrant het debat en kreeg daarbij steun van senator Erik Jurgens (PvdA). Ook dat was een herhaling van zetten. Minister Sorgdrager van Justitie had in 1997 al gezegd dat zij geen bezwaar had tegen zo’n wetenschappelijke heruitgave van Mein Kampf, waarin de uitgever zich in het voorwoord distantieert van de inhoud.

Tijdens de vorige ronde in het debat vroeg ik me af of het moeilijk was om een exemplaar van het boek op de kop te tikken. Bij de eerste handelaar in de Amsterdamse Oudemanhuispoort had ik beet. Na een week belde hij me op dat ik de koopwaar kon ophalen. Voor 120 gulden was ik in het bezit gekomen van een eerste druk van Mijn Kamp. In 1939 uitgegeven door De Amsterdamsche Keurkamer, de nationaal-socialistische uitgeverij van de dichter/uitgever en latere SS’er George Kettmann jr. Vertaald door Steven Barends. Om een indruk te geven van ’s mans noeste arbeid, een willekeurig fragment uit het 850 pagina’s dikke boek: «Indien de Joden alleen waren op deze wereld, dan zouden ze eenerzijds volkomen in hun eigen vuil en viezigheid, en anderzijds vol haat tegenover elkaar staan en wederzijds trachten elkaar te bezwendelen en uit te roeien, voor zover niet hun volkomen gebrek aan offervaardigheid, dat zijn uitdrukking vindt in hun lafheid, ook hier den strijd uitschakelde, en door schijn verving.» Wie was Steven Barends?

Barends wordt geboren op 9 september 1915 in Delfzijl. Het geboorteregister van Delfzijl kent geen Steven Barends, wel een Samuel Barends. Om voor de hand liggende redenen zou hij later zijn oudtestamentische voornaam veranderen. Tot ergernis van Barends noemen kameraden hem, in de jaren dertig, nog wel eens plagerig «Sam». Samuels vader is directeur van een scheepvaartbedrijf. Zowel zijn moeder als een broer overlijdt aan tuberculose. Hijzelf overwint als kind tbc.

Op negentienjarige leeftijd debuteert Barends in Zwart Front!, het weekblad van de gelijknamige partij van Arnold Meijer:

Wij zijn de jonge troep der Zwarten

Wij zijn de wacht, die nimmer wijkt

Wij hebben vuurge zwarte harten

En elk blijft trouw tot hij bezwijkt.

Meijer is enthousiast over het werk («een bron van kracht») van de jonge partijganger. Thuis en op de hbs leidt het politiek activisme van Barends echter tot conflicten. Zijn eerste gedichtenbundel verschijnt onder het pseudoniem Dum-Dum. In Jeugd in opstand (1935) richt Barends zijn dichterlijke dumdumkogels op de «rooden», maar ook op «de fatsoenlijke leeuwen» van de NSB. Vanuit het perspectief van het volkse Zwart Front, met zijn revolutionaire retoriek, is de NSB een braaf clubje.

In 1937 verhuist Barends naar Amsterdam. In datzelfde jaar belandt hij — na omzwervingen door Italië en Frankrijk — aan de Spaanse grens met de bedoeling zich bij de troepen van Franco te voegen. Tijdens zijn reis ontstaat het eerste conflict met Meijer. Barends heeft Meijer gezegd dat hij als journalist de burgeroorlog wil verslaan, terwijl hij eigenlijk van plan is zich als strijder aan te melden. Meijer op zijn beurt weigert een aanbevelingsbrief te sturen, waardoor het Barends niet zou lukken de Frans-Spaanse grens te passeren. Het wederzijdse wantrouwen is gezaaid en Meijer laat partijgenoot Bertus Boezeman een vertrouwelijk rapport opstellen. De partijspion stelt dat Barends geen vertrouwen meer zou hebben in de Zwart Front-leider en, heel merkwaardig, dat hij plannen zou hebben om aan Republikeinse zijde tegen Franco te vechten. Bovendien verneemt Meijer van de informant dat Barends homoseksueel zou zijn — in extreem-rechtse kringen een beproefde methode om ongewenste elementen uit te schakelen. Op 5 april 1938 royeert de Zwart Front-leider Barends wegens «ondisciplinair gedrag». Een paar maanden later strijkt Meijer de hand over zijn hart en laat hij Barends «met een proeftijd van zes maanden» weer toe tot de partij.

Inmiddels is de jonge dichter ook in contact gekomen met de NSB’er George Kettmann jr. Begin 1936 levert hij een bijdrage aan een bloemlezing van fascistische en nationaal-socialistische literatuur, uitgegeven door De Amsterdamsche Keurkamer. Het is via dit contact dat Barends zijn niet onbelangrijke rol zal gaan spelen in de nationaal-socialistische letteren. Een jonge hond tussen dichters en romanschrijvers met een zekere naam en faam, als Martien Beversluis, Wies Moens, Johan Theunisz, Robert van Genechten en Henri Bruning.

In 1938 verschijnt Viva La Muerte!, Barends’ tweede dichtbundel. De titel verwijst naar de Spaans-fascistische strijdkreet in de burgeroorlog. Thema’s: trouw, heldendood, offervaardigheid en «volk». In Verlangen naar Thule geeft Barends zich over aan Germaanse mystiek («Er ligt een land in het Noorden waar ál mijn heimwee huist»). Buitenbeentjes zijn het gedicht Stad, dat doet denken aan het expressionistische werk van Paul van Ostaijen, en De ballade van Annalouis, waarin Barends een prostituee bezingt. Menno ter Braak, behalve schrijver ook lid van het «Comité van Waakzaamheid tegen het nationaal-socialisme» bespreekt het boek in Het Vaderland van 9 april 1939. Erg enthousiast is hij niet. Hij wijst er bovendien op dat Barends voor één van zijn gedichten leentjebuur heeft gespeeld bij de jood Heinrich Heine en dat het expressionisme van de gedichten Stad en Ballade van Annalouis in zijn oorspronkelijke vorm geldt als «ontaard». Ook in 1938 verschijnt Bruine rebellen in Oostenrijk, een novelle die zich afspeelt tegen de achtergrond van de opkomende nationaal-socialistische beweging.

In zijn eerste gedichtenbundel schreef Barends nog: «Wij worstelen voor den Fascistenstaat./ Zonder bonzen, honger, werkloosheid,/ Zonder rassen- en klassenhaat.» In Bruine rebellen in Oostenrijk laat Barends zich, bij monde van zijn hoofdpersoon, voor het eerst van zijn antisemitische kant zien: «Aangeklede joden was nog iets veel verschrikkelijkers, nog veel zachter en buig zamers, vooral buigzaam. Niets dan buigen, tot ze helemaal boven waren.» Het is een teken van Barends’ radicalisering, die zal doorzetten tot het einde van de oorlog.

In oktober 1938 vraagt Kettmann hem om Mein Kampf te vertalen. Binnen vijf maanden heeft hij de 850 pagina’s vertaald. Op 6 december 1939 ligt de eerste druk in een oplage van drieduizend bij de boekhandel. Het boek is onmiddellijk uitverkocht. Barends trouwt met Truus Pfann, dochter van de eigenaar van een tweedehands-boekhandel aan de Grimburgwal, waar Barends ook in de winkel staat.

Gedurende de oorlog is Mijn Kamp een ware bestseller. Met de zesde druk van 1943 is de totale oplage gestegen tot 110.000. Na de Duitse inval is Barends lid geworden van de door hem eerder nog bespotte NSB. Tijdens de oorlog vertaalt hij voor De Amsterdamsche Keurkamer en voor uitgeverij Westland een groot aantal boeken. Werk van de nazi-ideoloog Alfred Rosenberg en van Joseph Goebbels, maar ook een kinderboek als Moeder, vertel eens wat van Adolf Hitler. Zelf schrijft hij onder meer voor het radicaal antisemitische weekblad De Misthoorn. In 1942 raakt hij in een polemiek met De Daad, het districtblad van de NSB in Noord-Holland. Met een pleidooi voor een «radicaal, onverzoenlijk nationaal-socialisme» in De Misthoorn haalt Barends zich de woede op de hals van zijn tegenstanders binnen de NSB.

Die weerstand betreft overigens niet het uitgesproken antisemitische karakter van zijn stuk («Onze grootste vijand in het land en buiten eigen rijen is het jodendom, is de joodsche geest»). De NSB en de Duitse autoriteiten vinden dat De Misthoorn een te radicale toon aanslaat. Het blad wordt verboden. Op 9 september 1942, op zijn 27ste verjaardag, wordt Barends op last van Mussert als NSB-lid geroyeerd vanwege «anti-nationaal-socialistische agitatie». Illustratief voor Barends’ grillige karakter is dat hij gelijktijdig met zijn felle aanvallen op «de joodsche geest» eind 1942 een jonge joodse vrouw bij zich in huis neemt als oppas voor zijn dochtertjes. In huize Barends-Pfann is zij «veiliger dan waar dan ook», zegt hij tegen haar.

Zijn huwelijk met Truus Pfann strandt in 1943. Ruzie met zijn vader, ruzie op school, ruzie met Arnold Meijer, ruzie met de NSB… Een makkelijke man zal Barends niet geweest zijn. In één van zijn brieven aan Barends geeft Kettmann een rake typering van het temperament van zijn protégé: «Uit je zwijgen op mijn laatste brief meen ik te mogen opmaken, dat je teenen nog steeds even abnormaal lang en gevoelig zijn…» Kettmann en Barends hebben een langdurig conflict over Barends’ honorarium voor de vertaling van Mein Kampf.

Nadat Barends én Kettmann uit de NSB zijn gezet, treden zij toe tot de Germaansche SS. In april 1944 belandt Barends bij de SS-Standarte Kurt Eggers. Deze eenheid bestaat volledig uit Kriegsberichter, oorlogsverslaggevers. In het SS-blad Storm schrijft Barends optimistische verslagen over de strijd in Italië. Intussen verschijnen er ook twee nieuwe dichtbundels. In Nieuw lied voor de SS lijkt hij de naderende ondergang te voorzien:

Ik wil mij niet bezinnen,

ik wil niet nieuw beginnen nu

onze wereld laait,

gaat haav’ en goed verloren

ik heb een eed gezworen

hoe of de wind ook waait!

Na afloop van de oorlog wordt Barends gezocht wegens zijn lidmaatschap van onder meer Zwart Front, de NSB, de Nederlandsche Kultuurkamer en de SS. Maar hij is onvindbaar. Men vermoedt dat hij ergens in de strijd is omgekomen. In 1953 en 1954 verschijnen er echter Duitstalige bijdragen van Barends in het Vlaamse literaire maandblad De Tafelronde. Apolitieke bijdragen. In Sonnet der Unvollkomenheit dicht hij:

UND IMMER WIEDER TANZ’ ICH AUS DER REIHE,

und immer wieder brech’ ich los und sprenge

die neugewonnene Zusammenhänge

und ess’ das Brot der vielen im Gedränge.

In 1956 is voor het laatst iets van Barends vernomen. Uit zijn dossier bij het ministerie van Justitie blijkt dat hij toen vanuit Duitsland schriftelijk contact opnam met het ministerie. In die brief vraagt Barends of hij nog steeds wordt gezocht. Justitie antwoordt dat dat het geval is en dat hij bovendien zijn Nederlanderschap heeft verloren. Tot een strafrechtelijke veroordeling zal het niet komen. Wel wordt hij door de Eereraad voor de Letterkunde voor de duur van tien jaar uitgesloten van publicatie van eigen werk. En van vertaalwerk levenslang.

Barends is na de oorlog niet meer actief in de extreem-rechtse politiek. In ieder geval niet openlijk. Wel verschijnt er in 1969 nog een gedicht van zijn hand in het Vlaamse blad Dietsland-Europa. Maar dat stond eerder in zijn bundel Bitter brood.

In 1988 verschijnt het boekje Steven Barends: Querulant in fascistisch letterland van Gerard Groeneveld. Via de Deutsche Dienststelle für die Benachrichtigung der nächtsten Angehörigen von Gefallenen der ehemaligen deutschen Wehrmacht in Berlijn komt Groeneveld te weten dat Barends nog leeft. Barends laat hem via de Dienststelle weten dat hij geen prijs stelt op contact. In 1997 meldt het Vlaamse «nieuw-rechtse» blad Tekos in een levensschets van Barends: «Bij het ter perse gaan vernemen wij dat Steven Barends wellicht in 1993 of 1994 overleden is.»

In 1999 probeer ik het eens bij de Duitse instantie met de lange naam. Op 8 februari krijg ik een fax met het bericht dat de dan 83-jarige Barends nog wél leeft. Hij laat via de instantie zowel schriftelijk als telefonisch weten dat hij niets voelt voor contact. Anderhalf jaar na dit bericht uit Berlijn achterhaal ik de verblijfplaats van een zekere Stefan Barends. Ik ben benieuwd wat Barends kan vertellen over de kritiek die hij kreeg op zijn vertaling van Mein Kampf. Recensent Jop Pollmann van De Tijd schreef op 13 december 1939 dat Barends in de Nederlandse versie Hitlers ideeën over annexatie van Nederland heeft weggelaten of verdraaid. Heeft Barends voor zijn vertaling instructies gekregen uit Duitsland of van de NSB? Maar vooral zou ik meer willen begrijpen van zijn idealistische drijfveren. Hoe vreemd dat ook moge klinken voor iemand die werd verblind door rassenwaan.

Als ik op 2 november 2000 naar Duitsland bel, weet ik nog niet zeker of de Stefan Barends die ik heb gevonden dezelfde is als Steven Barends. Maar de Nederlandstalige schrikreactie aan de andere kant van de lijn — «ik ken u niet, ik heb geen idee wie u bent en wat u wil» — maakt duidelijk dat hij het is. Samuel — Steven — Stefan. Het leven van de man laat zich het kortst samenvatten aan de hand van die drie voornamen.

Barends spreekt Nederlands met een Duits accent en doorspekt met germanismen. «Och, bestaat dat nog», zegt hij als ik vertel dat ik van plan ben voor De Groene Amsterdammer iets over hem te schrijven. Niet alleen wegens zijn emigratie, maar ook doordat zijn leven is verknoopt met een tijdperk dat in 1945 zo abrupt aan zijn einde kwam, lijkt Barends een schim uit een voorbije tijd. Maar met de helderheid van zijn geest is niets mis. Tijdens een later telefoongesprek, als het even grimmig dreigt te worden, zegt Barends: «Wat mij alleen verbaast, is dat De Groene Amsterdammer, jawel toch ten tijde van Josephus Jitta (hoofdredacteur in de jaren dertig — fv) en Leen Jordaan als karikaturist een middelbare krant, zo’n aanvalletje op mij zou opnemen.»

Over een periode van bijna drie jaar zou ik hem vier keer over de telefoon spreken en twee brieven schrijven. Op geen enkele manier is Barends tot een interview te bewegen. Maar de hoorn op de haak gooien doet hij niet. «Ik geloof dat iedereen dat doet: terugblikken op wat men voordien beleefd heeft. Natuurlijk. Maar in de krant, het zou mij niet aantrekken.» Hij benadrukt het «vruchteloze» van een gesprek tussen mensen met zulke verschillende achtergronden. Hij vertelt hoe hij in gesprek raakte met een vrouw uit Frankfurt die in de oorlog naar Amerika was gevlucht: «Wij hadden een zeker begrip gevonden. Maar aan het einde van het gesprek was het allemaal weer tenietgedaan. Omdat er te veel verschil bestaat tussen de ervaring van de een en de ervaring van de ander. Neemt u me niet kwalijk. Het gaat niet.» Bovendien schrikt hij terug voor de reacties. Ook weigert hij medewerking te verlenen aan een verzoek tot inzage van zijn dossier Bijzondere Rechtspleging in het Rijksarchief.

In september lijkt hij bereid een concepttekst van mijn hand van commentaar te voorzien. Maar uiteindelijk ziet hij ook daarvan af. Op 2 oktober zegt Barends, die net 88 is geworden: «Het is in de grond van de zaak hetzelfde wat u een paar jaar geleden wou. Toen mijn vrouw stierf. Ik zei, nee, ik wil geen interview geven. Ik weet… Moment, ik moet de tv even afsluiten.» Zijn stem klinkt onvast. Als Barends terugkomt aan de telefoon maakt hij resoluut een einde aan het gesprek.