De tweede intifada

«Wij Israeli’s zullen verl iezen»

Het is oorlog tussen Israel en de Palestijnen. De tweede intifada lijkt geen spontane opstand, maar een bewuste strategie van de Palestijnse leiding. Bericht uit Tel Aviv en Ramalla.

Westbank — «We zijn woedend», zegt de linkse Palestijnse leider Aboe-Ali Moestafa op z'n kantoor in Ramalla, «en dat is allemaal de schuld van de Israelische bezetting. Israel heeft een woedend volk van ons gemaakt. Wij zijn thuis woedend, we maken ruzie met onze vrouwen. Wij zijn woedend op straat, als we demonstreren. En als wij worden doodgeschoten zullen we zelfs in het paradijs nog woedend zijn!»

Het klinkt haast grappig zoals Moestafa dit zegt, maar het paradijs is minder ver weg dan je zou willen. Het is vrijdag en als om twaalf uur de moskee uitgaat, zal ook hier de «dag van de escalatie» beginnen, vertelt hij me. Er zal een demonstratie op weg gaan en jonge jongens zullen de Israelische militairen provoceren tot ze op hen schieten. Misschien met rubberkogels, misschien met levensgevaarlijke ammunitie. Moestafa en de andere Palestijnse leiders lopen niet zoveel gevaar, ze blijven achteraan en geven interviews, maar de jongens van vijftien, zestien, hoogstens twintig jaar zullen gewond raken en kunnen het met hun leven bekopen. Iedereen in Ramalla is vriendelijk tegen me en wil graag z'n verhaal vertellen. Maar het is een grimmig verhaal want het is oorlog tussen Israel en de Palestijnen.

In Tel Aviv is de stemming anders dan vroeger. Het valt me op als ik ’s middags op een terrasje zit in het centrum van de stad, waar alle grote warenhuizen zijn. Het is prachtig weer, maar er zijn nauwelijks mensen. Is het toeval of is het de angst voor een bomaanslag? Een krant schrijft dat de omzet van de warenhuizen en de restaurants met dertig procent is gedaald en dat het een patriottische plicht is voor Israeli’s juist nu uit te gaan en in de grote winkelcentra inkopen te doen: «Anders behalen Hamas en Jihad een heel goedkoop succes. Zonder terroristische aanslagen te hoeven plegen zorgt de angst voor het terrorisme ervoor dat het openbare leven wordt lamgelegd.»

Arafat heeft een groot aantal gevangenen vrijgelaten die zelfmoordaanslagen zouden kunnen plegen. De foto van zo'n gemaskerde jongen met explosieven om zijn middel is zeer angstaanjagend. Tot nu toe heeft slechts één jongen het geprobeerd. Hij reed op z'n fiets naar een militaire post in Gaza en blies zichzelf op. Hij verwondde slechts één Israelische soldaat en richtte verder geen schade aan. Er wordt gezegd dat Arafat de meeste Hamas-mensen weer gevangen heeft gezet, maar niemand weet het precies.

De angst voor aanslagen is niet nieuw. Er worden hier geen groepsuitstapjes gemaakt zonder dat iemand een wapen bij zich heeft. Toch is er een groot verschil met andere keren dat ik hier was. In februari 1988, toen de eerste intifada nog maar twee maanden oud was, kon ik nauwelijks een Israeli vinden die geïnteresseerd was in wat er in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever gebeurde. Nu staan de kranten vol foto’s en verslagen over de Al Aksa-intifada en speculeert iedereen over het mislukken van het vredesproces. In augustus 1990 heerste er een lichte, onderdrukte spanning in afwachting van de Golfoorlog. In de zomer van 1991 leek er iets van hoop te groeien toen de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken James Baker Israel bezocht en — voorlopig tevergeefs — probeerde de partijen bij elkaar te brengen.

In 1995, na Oslo, was het vredesproces in volle gang, maar tot mijn schrik bleek «Oslo» de Palestijnen voornamelijk nieuwe ellende te brengen: versplintering van de stedelijke gebieden die onder Palestijnse controle stonden en de voortdurende heerschappij van Israel over grote stukken land. Bovendien ging de uitbreiding van joodse nederzettingen in Palestijns gebied — ook onder premier Rabin — gewoon door.

Misschien komt het door mijn teleurstelling over het mislukken van het vredesproces dat ik nu zo'n oorlogsstemming voel. Er lijkt momenteel van alle kanten vastberadenheid te bestaan: als er dan geen vredesproces is en er moet gevochten worden, dan moet dat maar. Dat hoor ik niet alleen van de Palestijnen, niet alleen van Israelische vrienden en kennissen, maar ook, tot mijn verrassing, van mensen van de Israelische vredesbeweging. Die is verdeeld geraakt in mensen die teleurgesteld zijn in de Palestijnen omdat Arafat het vredesakkoord in Camp David heeft afgewezen en anderen die het normaal vinden dat hij de strategie van het geweld gekozen heeft.

Uri Avneri is de nestor van de linkse Israelische vredesbeweging Gush Shalom. Hij reageert nogal laconiek op de nieuwe situatie: «Inderdaad, het is oorlog, de bevrijdingsoorlog van de Palestijnen zoals Israel in 1948 z'n onafhankelijkheidsoorlog heeft moeten voeren. Onze leuze was toen: er is geen alternatief. Dat geldt nu voor de Palestijnen. Er is niemand die voor ze opkomt, ze moeten het zelf doen. Daarom zullen wij deze oorlog verliezen. De Palestijnen hebben geen alternatief, wij Israeli’s wel. Wij vechten voor luxe zaken, de joodse nederzettingen in de bezette gebieden, de Tempelberg in Jeruzalem, allemaal dingen waar de meeste Israeli’s geen lijden voor over hebben. Maar de Palestijnen vechten voor hun onafhankelijkheid, voor hun bevrijding, hun bestaan. Zij hebben geen alternatief dan door te gaan met vechten.

Het is de fout van premier Barak. Hij probeerde de Palestijnen een vrede te dicteren. Er is een einde gekomen aan hun geduld. Voor mij kwam deze opstand niet als een verrassing. Het gaat erom of wij bereid zijn een prijs te betalen voor een permanente vrede. Die prijs staat vast, dat weet iedereen. Het gaat om een onafhankelijke Palestijnse staat, met de grenzen van voor de junioorlog van 1967. We moeten de nederzettingen in Palestijns gebied opgeven en Jeruzalem moet de hoofdstad van twee staten worden. Maar Barak is niet bereid deze prijs te betalen. Dat hij Jeruzalem leek te willen delen is optisch bedrog. Hij wilde de Palestijnen niet alle Arabische delen van Jeruzalem geven en hij was tegen hun soevereiniteit over de heilige plaatsen van de islam. Maar Jeruzalem is slechts een voorwendsel voor deze crisis. Barak wil ook de nederzettingen niet ontmantelen. Hij wil de meeste nederzettingen bij Israel voegen waardoor de Westelijke Jordaanoever in stukken wordt gesneden. De nederzettingen zouden dan als vingers diep in het Palestijnse gebied steken en een Palestijnse staat onmogelijk maken. Barak zegt dat hij maar tien procent van de bezette gebieden wil houden, maar als je de nederzettingen om Jeruzalem meetelt — dat gebied is dus feitelijk door Israel geannexeerd — hebben we het al over dertig procent van de Westbank. Er is een onoverbrugbare kloof tussen de vrede die Barak voorstelt en het minimum dat de Palestijnen kunnen accepteren.»

Maar was Avneri vorig jaar bij de verkiezingen niet een voorstander van Barak, de kandidaat van de Arbeidspartij? Avneri: «Wij zijn volstrekt teleurgesteld in Barak! Wij dachten dat hij op Yitzhak Rabin leek, dat hij ook een militair was die vrede zou kunnen sluiten, als een soort De Gaulle in Algerije. Maar hij gaf veel meer geld uit aan de nederzettingen dan Netanyahu van Likoed ooit heeft gedaan. En nu wil hij de rechtse leider Sharon ook nog in de regering halen. Barak was belast met de militaire planning toen Sharon als minister van Defensie besloot Libanon binnen te vallen. Het zijn twee generaals die elkaar al twintig jaar heel goed kennen. En nu zijn ze aan elkaar overgeleverd. Barak heeft geen meerderheid meer in de Knesset, het Israelische parlement, en Sharon is bang dat Netanyahu terugkomt als leider van Likoed. Daarom willen ze samen een brede noodregering vormen en komt de huidige noodsituatie hun heel goed uit. Politici denken dat hun persoonlijk belang ook het belang van hun land is.»

Het is alsof Avneri niet meer de leider is van een vredesbeweging, maar van een oorlogsbeweging. Avneri: «Zonder onafhankelijkheidsoorlog was Israel er niet geweest. Ik was in mijn jeugd zelf een terrorist en daar heb ik niet eens spijt van. In Israel hoor je nu dat de Palestijnen hun kinderen inzetten bij de strijd. Dat is een fascistische manier van redeneren, alsof de Palestijnen niet van hun kinderen zouden houden en een soort wilde dieren zijn. Zulke dingen gebeuren in elke vrijheidsoorlog. Ik was zelf veertien jaar toen ik bij de strijd voor een onafhankelijk Israel werd ingeschakeld. In zo'n situatie wil geen enkele jongen thuis blijven zitten, ook een Palestijns kind niet. Die wil bewijzen dat hij een held is, net als zijn vriendjes. Dacht je dat ik in 1942 m'n vader heb gevraagd of ik me bij de ondergrondse mocht aansluiten? Ik zou willen dat het zonder geweld en oorlog ging, maar de menselijke natuur is nu eenmaal zo, het schijnt niet anders te kunnen.»

Vanuit de Palestijnse stad Beit Jala wordt geschoten op Gilo, een wijk aan de uiterste zuidgrens van Jeruzalem. Volgens Avneri is dat helemaal geen wijk van Jeruzalem, maar een nederzetting op het grondgebied van Beit Jala.

Vanuit de bus naar Gilo zie ik een indrukwekkend aantal van deze gloednieuwe wijken. Lelijk zijn ze niet; in Jeruzalem mag alleen worden gebouwd met de zand- en goudkleurige Jeruzalem-steen. De nederzettingen vormen een grote kring om heel Jeruzalem met als sluitstuk Har Homa dat ondanks felle protesten van Palestijnen, vredesbewegers en milieuactivisten toch wordt gebouwd op de helling van wat eens een fraai beboste berg was.

Gilo is in het zuiden de meest vooruitgeschoven wijk. Het leger heeft er snel hoge betonnen muren neergezet waar kinderen plagerig omheen spelen, in het zicht van het Palestijnse Beit Jala. Houden de joodse moeders dan niet van hun kinderen, dat ze hier zo gevaarlijk mogen spelen? Of voelen ze zich beschermd door de soldaten, de tanks en de helikopters die als vergelding raketten op Beit Jala hebben afgeschoten?

Later op de dag ga ik met een taxi naar Beit Jala. Het is een lastige tocht, want Israel heeft de stad met wegversperringen van de buitenwereld afgesloten. In Beit Jala krijg ik te horen dat het collaborateurs met Israel waren die op Gilo hebben geschoten. Ik krijg niemand te spreken die deze beschietingen wil verdedigen.

De volgende morgen ga ik op weg naar de Palestijnse stad Ramalla, tien kilometer ten noorden van Jeruzalem en voorlopig de officieuze hoofdstad van de Westbank. Bijna alle Israeli’s (en de meeste Nederlandse journalisten) beschouwen het als een heldendaad of liever als een roekeloos avontuur om naar Palestijns gebied te gaan zonder begeleiding van militairen of gewapende kolonisten. Mij lijkt die begeleiding juist griezelig. Ik ga liever met een betrouwbare Palestijnse gids als Ali Jiddah, een opvallende, zwarte Palestijn van Afrikaanse afkomst die alternatieve, politiek gekleurde rondleidingen geeft door de oude stad van Jeruzalem. Hij kent iedereen in Jeruzalem en Ramalla, dat is gemakkelijk. Hij zal ervoor zorgen dat ik niet voor een als Palestijn verklede Israelische spion word aangezien en gelyncht word in of bij een politiebureau. Maar eerlijk gezegd maakt niemand hier aanstalten toe. Men is er te veel op gebrand z'n verhaal te doen aan de internationale pers.

Dat begint al in de gemeenschappelijke taxi naar Ramalla die een route moet volgen via een vuilnisbelt en allerlei achterafstraatjes om de Israelische wegversperring te vermijden. Een nette Palestijnse mevrouw vertelt me dat haar dochtertje angstdromen heeft van die Israelische soldaten. Zij is het helemaal met de opstand eens, al hebben zij er veel last van. Een oude meneer vertelt dat hij morgen naar Spanje gaat. Z'n familie daar vindt het hier te gevaarlijk voor hem. Hij zucht: «Als er vrede zou zijn tussen Israel en de Palestijnen, zou het hier een paradijs kunnen zijn. Maar Israel wil jammer genoeg geen echte vrede.»

Ali Jiddah heeft ook het een en ander te vertellen. Ik had al gehoord dat er een neef van hem was doodgeschoten. Die neef was geen jongetje. Hij was de leider van de jeugdafdeling van het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina, een extreem linkse factie binnen de PLO. Hij was 22 jaar, had net in het ziekenhuis bloed gegeven voor de slachtoffers van de opstand en stopte even bij een stelletje stenengooiers bij de Olijfberg. Een scherpschutter schoot hem van grote afstand dood, waarmee hij een van de vele martelaren werd van deze nieuwe intifada.

Er is in Ramalla veel gebouwd, zij het lang niet zoveel als in de nederzettingen. In een nieuwbouwwijk spreken we met Aboe-Ali Moestafa, de voorzitter van het Volksfront en sinds anderhalf jaar de opvolger van dr. Habash. Moestafa is de man die de woede van zijn volk zo goed kan verwoorden. De reden van deze nieuwe intifada is volgens hem het mislukken van het Oslo-vredesproces: «De Palestijnse massa’s dachten dat ze recht op zelfbeschikking zouden krijgen, maar zeven jaar na de besprekingen in Oslo is het duidelijk dat het vredesproces een totale mislukking is. Dat wil niet zeggen dat deze intifada tegen Arafat is gericht. Hij is gericht tegen de bezetting van de Palestijnse gebieden. Arafat kan manoeuvres maken, dat hoeven de massa’s niet te aanvaarden. Als Arafat in Sharm al Sjeik afspraken maakt die de massa ziet als pogingen de intifada ongedaan te maken, wordt dat niet geaccepteerd. In Camp David werd grote druk op Arafat uitgeoefend om de door Israel en Amerika gestelde voorwaarden voor een vredesakkoord te aanvaarden. Hij moest Jeruzalem opgeven en het recht op terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen laten vallen. Toen het Palestijnse volk hoorde hoe wreed deze voorwaarden waren, barstte de opstand los. Baraks antwoord was: als jullie onze voorwaarden niet willen aanvaarden, dan staat onze militaire macht klaar. Wat kun je met stenen en katapulten tegen een atoombom? Maar we zijn niet bang, ook niet voor het sterkste leger van het Midden-Oosten, en we gaan door tot onze doelstelling, het einde van de bezetting, is bereikt. We hebben resolutie 242 van de Verenigde Naties aanvaard, zij het met pijn. We hebben al 48 procent van ons grondgebied opgegeven en zijn bereid de grenzen van 1967 te aanvaarden. Alle Palestijnen zijn nu één, er is geen tegenstelling tussen moslims en marxisten. We hebben een gezamenlijk doel: een onafhankelijke Palestijnse staat.»

Deze dag is uitgeroepen tot dag van de escalatie. Na een paar dagen van betrekkelijke rust — zodat er geholpen kon worden bij de olijvenpluk — zullen er vandaag weer acties plaatsvinden op de Westbank. Als de grote moskee in het centrum van Ramalla uitgaat, vormt zich een stoet. Een tekst op een groot zwart doek geeft aan dat de demonstratie plaatsvindt ter ere van een Hamas-leider die vijf jaar geleden in Malta is vermoord. Maar er zijn naast de groene vlaggen van Hamas vlaggen te zien van alle facties in de PLO: het Volksfront, de Democratische Partij, Al Fatah (de partij van Arafat) en andere groepen. De stemming is eigenlijk niet zo opstandig en wanhopig als ik had verwacht en ook niet erg haatdragend. Als we langs het door de Israelische luchtmacht vernietigde politiebureau komen waar de twee Israelische reservisten zijn gelyncht, schenkt niemand speciale aandacht aan die lugubere plek.

Er komen jongens langs rennen, hun hoofden omwikkeld met Palestijnse shawls. Ze gaan naar de wegversperring van de Israelische militairen om stenen en molotovcocktails te gooien. Het is een spel met kans op de dood, want de Israeli’s schieten terug. Voor zover ik weet dit keer alleen met rubberkogels — ik krijg er een tegen m'n been. Er staan ambulances klaar om de gewonden af te voeren. Er heerst een vreemde sfeer. In de verte zie ik de Israelische militairen. Daarvoor een rookkolom afkomstig van brandende autobanden. Er worden autowrakken aangesleept die de jongens moeten beschermen.

Tussen de ambulances die af en aan rijden staan woordvoerders van Hamas en andere Palestijnse groeperingen. Het kost geen moeite Marvan Bargoeti te interviewen, een van de bekendste leiders van deze opstand. Bargoeti is hoofd van de Tanzim, de militie van Al Fatah, en wordt als mogelijke opvolger van Arafat genoemd. Hij praat rustig door onder het lawaai van schoten en sirenes.

Wat gebeurt hier nu eigenlijk? Gaat het erom de Israelische soldaten te pesten? Bargoeti: «Nee, helemaal niet. U ziet het toch! Dit is een vreedzame demonstratie op Palestijns grondgebied en de Israeli’s beginnen plotseling te schieten! Soms met rubberkogels, soms met dodelijke ammunitie. Daardoor zijn er in vier weken al 130 Palestijnen gedood en achtduizend gewond. Het is een slachting onder de Palestijnen. De vraag is niet waarom wij hier demonstreren, maar waarom de Israeli’s hier zijn.»

Helpen al deze martelaren de Palestijnen bij het bereiken van hun doel? Bargoeti: «Wij weten dat er een prijs moet worden betaald voor onze vrijheid en het Palestijnse volk is bereid die prijs te betalen. We demonstreren om de internationale gemeenschap te vertellen dat we de Israelische bezetting niet langer kunnen verdragen. Het is genoeg geweest. Daarom zijn er vandaag demonstraties op de hele Westoever, in Gaza en in Jeruzalem. We zijn niet tegen onderhandelingen. We zijn niet tegen de vrede. Dit is een intifada vóór de vrede! Maar wel een vrede op basis van de VN-resoluties. Het zijn de Israeli’s die hun afspraken niet nakomen.»

Is deze intifada bedoeld als steun voor Arafat of als kritiek op hem? Bargoeti: «Het is duidelijk dat we Arafat steunen. Hij is onze president, onze historische leider, ons symbool. Soms hebben we een verschil van mening, dat is normaal. We hebben een democratische maatschappij, iedereen kan kritiek uitoefenen op Arafat. Maar hij is onze gekozen president en de grondlegger van de Palestijnse revolutie.»

Houdt hij contact met Arafat? «Natuurlijk, absoluut, altijd.» Is Arafat het eens met deze demonstraties? «Dat denk ik wel. Maar als de mensen ’s ochtends opstaan vragen ze niet aan Arafat om hun op te dragen wat ze moeten doen. Hij heeft geen afstandsbediening waarmee hij ze naar demonstraties stuurt. Er is een comité waarin alle politieke krachten vertegenwoordigd zijn, dat elke week een programma opstelt en pamfletten uitdeelt. We zijn verenigd.»

Ambulances rijden af en aan. Er zijn veel gewonden, geen doden. Elders sneuvelen vandaag vier personen. Er staat intussen een aantal televisiecamera’s om ons heen. Bargoeti is het gewend en praat rustig door. Maar op een vraag over zelfmoordaanslagen wil hij geen antwoord geven.

Het is een surrealistische situatie. Vreselijk en gemoedelijk tegelijk. Jonge jongens trotseren de dood. Moslimvrouwen roepen van een afstand opjuttende leuzen. Oude mannen staan er vrolijk bij. Ik doe gewoon m'n werk. Televisiegeniek is het zeker.