DE MASSAGE VAN DE MASSA

Wij, ‘Joran’

De zaak-‘Joran’ illustreert dat de massa tegenwoordig niet meer in de politiek maar alleen nog via de massamedia kan worden opgeroepen. Wie zijn wij en wat bindt ons? We kijken tv en zijn samen verontwaardigd!

‘Heb jij gekeken?’ Het was de meest gestelde vraag in de afgelopen weken. Ze duidt op iets wat interessanter is dan Joran en Natalee zelf, dan ‘Peter R.’ of het juridische spel: namelijk het massale publiek dat zich verzamelt rond ‘Joran’. Dat sluit aan bij een stelling die Peter Sloterdijk enkele jaren terug formuleerde. Sloterdijk stelt in Der starke Grund, zusammen zu sein over Fichte’s Reden an die deutsche Nation dat Fichte de Duitse natie tegelijk toespreekt en creëert. De Duitse natie, die als zodanig nog niet bestond, werd opgeroepen in Fichte’s lezingen, en vormde zich als reactie op de aan zichzelf geadresseerde lezingen.

De natie ontstaat door zichzelf op te winden. Een hysterisch wezen dus, die natie, die bestaat als zichzelf ingebeeld bestaan. Maar daarvoor heeft de natie een medium nodig. In de tijd van Fichte was dat de openbare lezing of het schrift. Toen was de natie nog bij zichzelf aanwezig, als toehoorder die directe toegang had tot zijn eigen reactie. In het tweede geval ontstaat al afstand en wordt de natie gevormd in het medium – letterlijk: het midden – tussen voortaan afwezigen. De natie leest nu over zichzelf en constateert dat ze bestaat, ook wanneer ze voor ieder lid van de natie afwezig blijft omdat ze niet langer samenkomt en zichzelf in het bijzijn van haar leden opwindt.

Tegenwoordig doen we niet meer aan ‘natie’. Potsierlijke reactionairen roepen soms herinneringen op aan ‘volkstrots’, maar ‘het volk’ is al lang uiteengevallen in kijkcijfergroepen, consumentenclassificaties en opiniepeilingstaafjes. De enige manier waarop nog een maximum aan massa gecreëerd kan worden, is gelegen in de massamediale consumptie van massale verontwaardiging. De gemeenschap die zichzelf opwindt, ziet zichzelf tegenwoordig op televisie. En wat ziet die gemeenschap dan? Haar eigen opwinding, gemeten door opinieonderzoekers en kijkcijfertellers. Kijkend naar kijkcijfers constateren we wat we gemeen hebben: ‘we’ hebben gemeen dat ‘we’ naar ‘onze’ kijkcijfers kijken. Wij kijken tv, dus we bestaan. En dat we tv kijken, dat zien we… op tv.

De massa verzamelt zich tegenwoordig kortom in deelname aan massamedia. Dat betekent dat men ‘massa’ is op zijn eentje. Het betekent ook dat de massa zich niet door ervaringen aan den lijve, maar door massamediale symbolen ervaart. En typisch zo’n symbool is ‘Joran’. Want alleen aan verontwaardiging wekkende catastrofes, aan moord, doodslag en terrorisme, aan ‘multiculturele drama’s’ kan dit sociaal-hypochondrische ‘wij’ zich nog oriënteren.

‘Joran’ is een spiegel waarin we onszelf zien op een manier en met een massaliteit waar politici en integratiemoralisten jaloers van worden. De mogelijke moord op Natalee Holloway is voor de gemiddelde Nederlander niet van belang, maar is relevant geworden door massamediale herhaling. Wie niet meekijkt, hoort niet bij het ‘wij’, dat zichzelf ziet kijken. Dat de virtuele show verstrekkende reële effecten heeft, zoals de miljoenenschade die aan de Arubaanse economie is toegebracht, horen we wederom alleen via de massamedia. Hetzelfde geldt voor iets saais als de rechtsgang, dat in beeld komt wanneer ‘Joran’, ‘Lucia de B.’ of ‘een tbs’er’ belicht wordt.

‘Joran’, zoals ‘wij’ hem kennen, is natuurlijk helemaal geen persoon. Joran is een symbool waarin de massa zich verzamelt. Hij is, zo zou je kunnen zeggen, de masseur van de massa: een media-symbool dat, getuige de kijkcijfers, de massa om zich heen verzamelt. Kennelijk is ‘Joran’ een symbool dat sterk genoeg is om beelden van ‘ons’ te doen verschijnen op tv. Ah, dáár zijn we! In onze gemediatiseerde massale verontwaardiging zien we wie ‘wij’ zijn; ‘wij’, die massaal keken en oordeelden – en die ons dat op tv zagen doen.

De representatie van de persoon ‘Joran’ moet niet verward worden met de persoon zelf. Deze ‘Joran’ kan de gevangenis niet in. ‘Joran’ vind je niet op straat. Je kunt een surrogaat vinden in een ‘Johan van der Sloot’ uit Drachten en voor diens huis gaan rondhangen, maar dat is niet the real thing. ‘Joran’ zoals ‘wij’ hem kennen, als mediaverschijning, is een representatie waarvan ‘Peter R.’ – nog zo’n symbool – claimt dat het een waarheidsgetrouwe representatie is.

‘Joran’ doet ons ‘ons’ ervaren, sterker dan die andere volksmenners als ‘de traan van Máxima’ of het Nederlands elftal – en ook dat feit (‘ruim zeven miljoen kijkers’; 75 procent vindt: ‘schuldig’) consumeren we middels de gelijktijdige productie ervan. De onzichtbare hand van de media brengt ‘Joran’ de huiskamer in, die verandert in een _CSI-_lab waar we onder onze dekentjes en achter onze pilsjes gruwelend genieten en onze waardigheid in verontwaardiging uitdrukken.

In ‘Joran’ zien we: zo ben je burger (want: zo ben je het niet). Ook informant ‘P. van der E.’ zag zijn betrokkenheid, afgezien van zijn vergoeding van 25.000 euro, als zijn ‘burgerplicht’. Maar hoe ben je dan ‘burger’? Ja, je verontwaardigt je! Of je je nu verontwaardigt over ‘Jorans’ indifferente arrogantie, zijn winstbejag, zijn acties, of over ‘die hele mediahype’, je bent verontwaardigd. We zijn verontwaardigd samen en in de verontwaardiging vinden we ons ‘samen’. ‘Samenleving’, dat is georganiseerde verontwaardiging. En de massamedia, dat is de collectieve agitatie- en verontwaardigingsmachine van die samenleving.

Iedereen wacht dus tot ‘Joran’ zijn moord gaat plegen. Tot het moment waarop de goedkoop opgeroepen vermoedens bewaarheid worden en hij ook aan het recht – en niet alleen aan een poserende crimineel – bekent dat hij het was. Maar daarin wachten we op een orgiastisch collectief hoogtepunt, dat gevolgd wordt door een kater van de collectieve leegte – het moment waarop ‘individualisering’ en ‘normen en waarden’ hernieuwd kunnen worden. Want bij gebrek aan collectieve bezigheidstherapie is de moralisering de standaardfiguur van hedendaagse sociale hypochondrie.

Voor ieder afzonderlijk is de verontwaardiging bovendien altijd óók een narcistische zelfverering, omdat de legitimiteit van de positie van verontwaardiging verondersteld wordt. Dat doet niets af aan de kracht van de verontwaardiging. Want verontwaardiging, dat fake je niet. Wie verontwaardigd is, is oprecht. Op grond van die dynamiek kon ‘Joran’ een intercontinentaal vat van collectieve verontwaardiging worden.

Grootste grap van dit alles is misschien nog wel dat de verontwaardiging berust op het idee dat de verborgen camera de waarheid toont. Dat is van dezelfde orde als geloven dat verborgen eieren echt door de Paashaas zijn neergelegd. Natuurlijk, de kijker weet al lang dat de televisiewerkelijkheid schijn is. Maar als de camera verborgen is, wordt haar blijkbaar toch meer werkelijkheid toegedicht, dan gelooft iedereen wat hij ziet.

Wat de verborgen camera echter filmde, was een film. Zo stelde ook ‘Joran’ over het onwel wordende meisje op het strand: ‘Het leek wel een film.’ Natuurlijk is het al lang niet meer zo dat film op de werkelijkheid lijkt, maar omgekeerd, de werkelijkheid op de film. Maar die waarheid wordt pas écht waarheid wanneer deze film-realiteit met een verborgen camera gefilmd en op tv vertoond wordt. De verborgen camera is zo de onderkenning van de leugenachtigheid van de televisie-werkelijkheid – hij prikt door de fictie van de camera heen. Hoe anders kan sprake zijn van vervolging van ‘Peter R.’ wegens privacyschending als de verborgen camera niet het meest private werkelijk filmde?

De massamedia hebben een extreem depolitiserend effect. Nostalgisch uitgedrukt: ‘echt belangrijke’ politieke zaken waren er even niet. Maar de politiek is al lang niet meer de plaats waar het collectief zich vormt. Het was ‘Peter R.’ die aantoonde dat de politiek – waar hij geen publiek wist te creëren – tegenwoordig een achterhaald medium van ‘massa’ is. Die ziet zichzelf alleen nog terug op tv, het milieu waar ‘Peter R.’ wel degelijk publiek verzamelt. Dat ‘Peter R.’ als politicus geen publiek wist te binden maar als misdaadjournalist wél ligt niet aan zijn roboteske charisma. Het geeft aan hoezeer de politiek niet langer de ‘publieke ruimte’ is, de ruimte waar het publiek zichzelf ontmoet.

De publieke ruimte, dat is de virtuele ruimte van de media. Dáár vindt het publiek zichzelf. Dat betekent ook dat, om zichzelf te mogen zien, het publiek niet in de eerste plaats stemt (in de politiek), maar betaalt (in de media-economie). Het ‘wij’, die collectieve vorm van ‘de Nederlander’, als stripper die een dansje voor zichzelf opvoert en zichzelf zowel uitkleedt als daarvoor betaalt.

Depolitisering is daarmee endemisch geworden. Media creëren zowel het feit als de reactie erop. De dubbele productie van feit en ready-made reactie past bij een consumptiemaatschappij die tegelijk veroordeeld kan worden (‘die klootzak deed het voor het geld’). Ze past ook bij een tijd waarin politiek bestaat uit het gedepolitiseerd terugvoeren van de mening van de mensen aan henzelf. De passiviteit in dit alles kan alleen verzacht worden door de vurige hoop dat er actie aan ten grondslag ligt, dat hij het écht gedaan heeft.

Ooit was het de modernistische kunst die shockeerde; tegenwoordig is het een gewaagd, ‘grensverleggend’ tv-programma – of het nu over orgaandonoren of verdwenen meisjes gaat. Daarmee is de subversieve functie van cultuuruitingen verlegd naar een economisch domein dat leeft van de kritiek op zichzelf en zo nooit meer fundamenteel bevraagd wordt en de subversiviteit sublimeert. En daarmee is publieke mobilisatie beperkt tot de verontwaardiging – een apolitieke slappe hap, hoewel dat al te verontwaardigd klinkt.

En omdat ‘wij’ onszelf alleen nog massamediaal kunnen ervaren, is het negeren van de massamedia helemaal onmogelijk. De uiteindelijke functie van de massamedia is de massage van de massa. Verontwaardiging blijft de beste vorm daarvoor. Van symbolen van het type ‘Joran’ zijn we voorlopig dus niet verlost; we kunnen moeilijk zonder. Maar nieuws blijft geen nieuws. Na ‘Joran’ zal een nieuw symbool verschijnen waar we ‘ons’ via onze collectieve verontwaardiging in kunnen vinden. ‘Joran’ en ‘de traan van Máxima’ zijn hetzelfde. Dat is het massamediale huis waar ‘wij’ wonen, het mediasymbool waar wij ‘ons’ in aantreffen. Het is dus afwachten waar ‘we’ nu weer heen zullen verhuizen.

Willem Schinkel is socioloog. Onlangs verscheen van hem Denken in een tijd van sociale hypochondrie: Aanzet tot een theorie voorbij de maatschappij