Wij kijken mee

Ignacio Martinez de Pisón, Melktanden . € 22,95

dat diertje is in de brandnetels gevonden

is het een hoefdier?

nee,

hij pist over z'n schoentjes

zwartgelakte balletschoentjes

bij Harm deed ie een dansje

verloor zijn hoed

doe het hokje maar weer dicht

straks is ie weg

Een kunstwerk is een onderdeel van de werkelijkheid dat door zijn context om aandacht vraagt. Het urinoir van Marcel Duchamp, de vierenhalve minuut stilte van John Cage en de readymades in het tijdschrift Barbarber nodigen ertoe uit je concentratie te richten op een ding, tekst of gebeurtenis die pas betekenis krijgt doordat er een kader omheen is geplaatst. Sterker nog, hun zin schuilt vaak in de verhoogde bewustheid van de beschouwer, die er genoegen in schept zijn zintuigen te scherpen en vrij is om wel of geen betekenis of waarde toe te kennen. Wat betekenen de kleurvlakken van Mark Rothko, de noten van Steve Reich of de choreografieën van Merce Cunningham? Ze zeggen niets dan wat ze zeggen. Dat ze er zijn is al wonderlijk genoeg.

In de debuutbundel van Martijn den Ouden (1983), die vorig jaar afstudeerde aan de Rietveld Academie, worden op vervreemdende wijze woorden en zinnen aan elkaar gemonteerd en omkaderd door het wit van de pagina. Het tweede gedicht van de bundel laat zien hoe poëzie kan werken. De eerste stap is het afbakenen van een domein waarin alles mogelijk is: ‘de vier schuttingpanelen rond de vijver/ vormen het hok zonder poort’. Vervolgens wordt die conceptuele ruimte gevuld met iets onbestendigs, als betreft het een laboratoriumopstelling waarin het gedrag van proefdieren wordt onderzocht: 'er leven twee dieren in dit hok’. Vanaf dat moment gaat het gedicht zijn eigen gang, en de dichter lijkt weinig behoefte te hebben de ontwikkeling te sturen. Hij kijkt slechts met verbazing naar wat er gebeurt, en wij kijken mee:

het ene dier is actief

het andere ligt op zijn zij

met de kop omhoog

dit is een passief dier

Gedurende het experiment begint het hard te vriezen, en tegen de morgen 'liggen beide dieren in een zwevende pose/ gefixeerd in het kraakhelderblauwe/ tot de bodem toe vastgevroren water/ van de vijver in het hok’. Dat is een prachtig beeld, dat geen dooi behoeft, laat staan betekenis.

In de eerste van de vier afdelingen komen veel dieren voor. Opent de bundel met een gevleugeld dier van papier, ongetwijfeld een poëticaal symbool, vervolgens zien we herten in een rivier, worden er 'keilgeiten’ gemolken, vliegen er 'scherven van vogels’ op en is het wildzwijn onderwerp van een rapport. Het is een licht absurde wereld waarin ieder moment iets verschrikkelijks kan gebeuren, al wordt daar niet al te zwaar aan getild. Een zielig kalfje 'dat met zijn glanzende oogjes/ smeekt om brood met honing’ geeft aanleiding tot irritatie, agressie zelfs: 'je grijpt meteen naar de zweep’. Dronken zeelieden 'fluiten naar Mieke in haar rode/ goed gevulde jurk’, maar 'in het donker zie je zwaarden glimmen’. De esthetisering van het geweld is hier en daar hilarisch.

Het lachen vergaat je in de tweede afdeling, waar de werkelijkheid zich maar al te herkenbaar op verontrustende wijze opdringt. Johannes Sebastiaan 'is met zijn mond naar een appel gesprongen’. Het betreft echter geen onschuldig kinderspel, maar de wanhopige poging van een vreemdeling om aan uitzetting te ontkomen. Johannes is 'een zeer flexibel mens’, maar 'toch zal hij het land moeten verlaten’. Ter compensatie 'mag hij een Spaans zwerfhondje aaien’, maar als hij er na enkele nachten nog steeds hangt, ligt het hondje onder zijn voeten 'in drie stukken’. De illustere naam van de man suggereert een potentieel aan ongebruikt talent.

Ook met andere personages loopt het slecht af. In de derde afdeling worden 'bloedgroeten uit Afghanistan’ overgebracht en staat de strafregel 'ik mag geen schoten lossen op een gezond gezin’ 85 keer afgedrukt. Een jaloerse minnaar beschuldigt zijn vriendin van ontrouw: 'er zijn drakenboten in zee geweest/ en Noormannen, en jij, ja jij, jij vlezig wit borstendier/ jij bent met hen in zee geweest’. Wanneer de vrouw ontkent, kondigt hij aan 'die leugentjes zo met natte handen uit de edele bovenbenen’ te zullen slaan.

Wanneer in de slotafdeling jeugdherinneringen worden aangeboord, verliest de bundel zijn spanning. Bovendien kan Den Ouden daar zijn neiging tot loos woordspel, die hij eerder in het boek in de hand heeft, niet meer bedwingen. Hier schieten we niets mee op:

brillekoppie koffie

mies nier nies dier

dore dille laden

spleet kopklaren

De beste gedichten zijn die waarin zonder veel commentaar een paar sterke beelden worden neergezet, die een verhaal suggereren dat de lezer verder zelf mag invullen. Maar er is ook niets tegen het verband tussen de afzonderlijke mededelingen open te laten, zoals wanneer 'zonnegoud geschilderde handen’ in braakliggende grond tanden begraven, waarna de spreker constateert:

het stil gebaar van

het heeft iets te betekenen

melktandendokter

wuift graanrijk over onze lieve aardemoeder

Dat de woorden gericht zijn tot een zekere Laura die zich heeft laten 'facefucken’, doet een drama vermoeden, maar de zinnen, ingekaderd door zwijgend wit, zeggen genoeg. Ze vormen een stil gebaar van 'het heeft iets te betekenen’.

MELKTANDEN

MARTIJN DEN OUDEN

Querido, 80 blz., € 17,95