Verkiezingen Manifest voor een nieuwe politiek (5)

‘Wij leven heel ons leven fout’

Naarmate de verkiezingsdag nadert lijkt het boek Ill Fares the Land van Tony Judt alleen maar actueler te worden. Drie doorgewinterde sociaal-democraten en een links-liberale vrijdenkster laten hun licht schijnen over zijn stellingen. Verkeert de verzorgingsstaat in een fatale crisis? Zo nee, hoe vinden we dan een nieuwe vorm voor het oude ideaal?

Medium discussieer mee klein

‘De directeur van het Centraal Planbureau was zojuist op tv’, zegt een geërgerde René Cuperus bij binnenkomst: ‘Coen Teulings velt het laatste oordeel over de verkiezingsprogramma’s, live en direct, alsof hij de Allesbepalende Opperrekenmeester van het land is. In geen enkel ander land laten politiek en democratie zich zo muilkorven door de schijnwereld van economische rekenmodellen. Nergens wordt live op tv getoond hoe de politiek zich laat disciplineren door de technocratie, door economen die ondanks de kredietcrisis schaamteloos arrogant zijn gebleven.’

Als cultuurhistoricus is Cuperus onderzoeker bij de Wiardi Beckman Stichting. Hij schreef onder meer De wereldburger bestaat niet: Waarom de opstand der elites de samenleving ondermijnt (2009), waarin hij schetst hoe maatschappij en politiek op drift raken als gevolg van de globalisering. Het wekt geen verbazing dat hij Judts alarmisme onderschrijft. Is het geen teken des tijds dat een rekenmeester het laatste woord lijkt te hebben over de verkiezingsprogramma’s?

René Cuperus: ‘Er is een grootscheepse morele en intellectuele ondermijning van de verzorgingsstaat gaande. De verkiezingscampagne en de discussie over de kredietcrisis gaan enkel over kaalslag en bezuinigingen. De verzorgingsstaat komt van alle kanten onder druk te staan: door de vergrijzing, door de neoliberale politiek van de Europese Unie, door de massamigratie. Het hele verhaal van Wilders berust op het feit dat we de massamigratie niet goed hebben kunnen inpassen in de verzorgingsstaat. Alles bij elkaar stemt dat mij zeer ongerust. Wie stopt de sluipende amerikanisering van Europa?’

‘Toch is de verzorgingsstaat niet gedoemd’, werpt cultuurpsycholoog en ex-senator (GroenLinks) Jos van der Lans tegen: ‘We moeten wel vaststellen dat hij in crisis verkeert. Dat komt doordat de bestuurlijke elite zich er niet meer mee vereenzelvigt.’ De auteur van eigenzinnige monografieën als Koning Burger (2005) en Ontregelen: De herovering van de werkvloer (2008) kwam onlangs met een nieuw boek: Eropaf! De nieuwe start van het sociaal werk, een kritiek op het welzijnswerk en een schets van een antibureaucratische sociale sector. Van der Lans: ‘Het elan om de publieke zaak te dienen is beslist aanwezig op allerlei niveaus, maar de bestuurlijke ondersteuning ontbreekt. In ons land was de verzorgingsstaat een project van verzuilde elites. Die vonden elkaar omdat ze door het creëren van overheidsvoorzieningen wilden werken aan de emancipatie van hun eigen achterban. Ook het bedrijfsleven en andere particuliere organisaties waren er nauw bij betrokken. Maar nu het land ontzuild is, is dat achterliggende gedachtegoed verdwenen; technocratische redeneringen en beheersingssystemen zijn dominant geworden en hebben de ziel uit de verzorgingsstaat gesaneerd.’

Terwijl filosofe en schrijfster Marjolijn Februari nog muurvast in de file op weg naar Amsterdam staat, is historicus Geert Mak al wel aangeschoven. ‘Ik geloof niet dat de verzorgingsstaat gaat verdwijnen’, zegt de schrijver van De eeuw van mijn vader (1999) en In Europa (2004). ‘Hij is een voortzetting van zorgsystemen die al eeuwen bestonden. In deze stad bijvoorbeeld had je in de zeventiende eeuw al ziekenkassen. Dat is in de twintigste eeuw allemaal verstatelijkt. Ik zie wel dat er zwaar weer op til is. Over heel Europa, van Thessaloniki tot Berlijn, gaat het op dit moment maar om één discussie: kunnen we, nu Europa in snel tempo vergrijst, onze verzorgingssystemen nog enigszins overeind houden? En zo ja: hoe ver reikt daarbij dan de solidariteit, zowel tussen generaties als tussen naties? Zijn de grenzen daarvan bereikt, of niet? Wel denk ik dat het principe dat de staat bij ziekte, ouderdom en andere sociale rampspoed als vangnet fungeert in Europa overeind blijft. We praten eindeloos over percentages, maar het principe staat hier, in tegenstelling tot de VS, vrijwel nergens ter discussie. Het is immers een effectief systeem gebleken voor pacificatie en inkomensdistributie – zeg maar: voor de distributie van geluk –, het bevordert de sociale mobiliteit en in tijden van crisis werkt het ook nog eens als een economische stabilisator. De verzorgingsstaat is en blijft een gigantisch maatschappelijk vliegwiel.’

‘Ik bespeur weinig van die eensgezindheid’, werpt René Cuperus tegen. ‘De verzorgingsstaat was in ons land altijd een rooms-rood project waarbij de liberalen en tot op zekere hoogte ook de protestanten langs de zijlijn stonden. Onze elite voelt meer voor het Angelsaksische, neoliberale maatschappijmodel dan het Scandinavische. De elite spreekt en denkt tegenwoordig zelfs in het Engels terwijl de bevolking zekerheid van Scandinavische snit wil. Dat is een van de redenen waarom wij in Nederland zo weinig verzorgingsstaat-trots hebben. Wij zullen niet zoals de Zweden zeggen: wat er ook gebeurt, we houden onze verzorgingsstaat overeind. Dat zegt zelfs Job Cohen veel te weinig.’

Over de vraag waarom het zelfvertrouwen van links verdween lopen de meningen in De Waag uiteen, maar over het tijdstip lijkt men het eens. ‘De verzorgingsstaat was rond 1980 in zichzelf vastgelopen’, zegt René Cuperus: ‘De massawerkloosheid bracht aan het licht dat de verzorgingsstaat niet activerend was, dat hij mensen in een uitkering hield in plaats van hen aan werk te helpen. Judt laat ook goed zien dat het gaat om een morele crisis: het wegvallen van het algemeen belang als hoger doel. Zijn boek wil een rehabilitatie zijn van vervlogen idealisme. Tot op grote hoogte was de hoogmis van links in de jaren zestig en zeventig een substituut-religie. Sindsdien zijn we getuige geweest van wat ik een dubbele secularisering noem. Veel mensen vielen in de jaren zestig en zeventig van hun godsdienstig geloof en werden links. Vervolgens raakten ze in de jaren tachtig en negentig ook hun linkse levensgevoel kwijt. De leegte die dat naliet, wordt nu gevuld door neoliberale praatjesmakers en zakkenvullers.’

Geert Mak: ‘Die tweede secularisatie, ik weet bijna precies wanneer die plaatsvond. Dat was in de zomer van 1983. Ik werkte op de redactie van De Groene en ik herinner me dat we allemaal spijkerbroeken droegen en van die truien, we zagen er niet uit. Maar in september had iedereen opeens veel betere kleren aan. Alsof er een geheime afspraak was. En het hele najaar spraken we erover dat een mens ook wel eens iets anders wilde doen, dat je toch een beetje aan jezelf moest denken. Vergis je niet, veel mensen die ik ken van toen zijn trouw gebleven aan de publieke zaak op de uiteenlopende plekken waar ze terechtkwamen. Anderen zijn gaan doen wat ze binnen de linkse beweging eigenlijk ook al deden: op de baantjes jagen en een beetje lekker leven.’

Jos van der Lans vult aan: ‘Je kon het aan de interieurs zien. Voorheen hingen de kamers vol met affiches, lagen er rieten matten op de vloer. Opeens verstrakte alles: de vloeren zwart, de muren wit, alles moest sober. Je had het gevoel dat je een pak moest aantrekken om niet te worden uitgestoten. Op dat moment sneuvelde ook de idee van de politieke maakbaarheid van de samenleving. Het was een soort onttovering. De managementboeken gingen als warme broodjes over de toonbank.’

René Cuperus: ‘Een andere reden is gelegen in een tragiek die de hele moderne samenleving treft, te weten de groeiende kloof tussen hoger en lager opgeleiden. Links was ooit primair gericht op sociale rechtvaardigheid, inkomensverdeling, de wereld van de arbeid. In de jaren zestig ontstond onder hoger opgeleiden wat Judt met de Engelse term New Left aanduidt_:_ aandacht voor de Derde Wereld, de rechten van minderheden, identiteitspolitiek, de nadelen van kernenergie. Dat leverde een moeizaam verbond op. Dat verbond is definitief verbroken toen de verzorgingsstaat gesaneerd ging worden. Toen is het vertrouwen van de arbeidende klasse in links kapotgemaakt. Terwijl de voorhoede de globalisering omhelsde, liepen de arbeiders weg naar de partijen van het onbehagen.’

Geert Mak: ‘We waren vastgelopen in ons eigen gelul terwijl er grote problemen waren voor wie ze wilde zien. Het grootste en terechte kritiekpunt van rechts was dat de verzorgingsstaat mensen hun verantwoordelijkheidsgevoel afnam. Een ander exces was, althans in Nederland, de kraakbeweging van de jaren tachtig, waarbinnen velen de staat beschouwden als een reusachtige moedertiet: “De regering moet maar zorgen dat wij huizen krijgen.” En sociaal-democraten hebben misschien meer dan anderen de neiging tot controle van bovenaf. Dat heeft mede geleid tot een kaste van semi-publieke managers die niet weten wat er in hun organisaties omgaat, die zelf geen vakkennis hebben en dus iedereen om hen heen wantrouwen. Dat wantrouwen wordt gebotvierd in regels, controle en bureaucratie waardoor het werk blijft liggen. Om die reden hebben beroepsgroepen die tot de natuurlijke achterban behoorden zoals onderwijzers, verpleegkundigen of politieagenten zo’n gruwelijke hekel aan de sociaal-democratie gekregen. Omdat links met de mond vol tanden stond, konden de rechtse predikanten – ook het neoliberalisme is een areligieus geloof – zo tekeergaan. Het gevolg zie je bijvoorbeeld in de Amsterdamse taxisector. Daar heersen Albanese toestanden. Net zo verging het de spoorwegen. We konden allemaal zien dat in Engeland het experiment om British Rail te privatiseren totaal was mislukt. En Nederland maakte tien jaar later exact dezelfde fout. Puur het gevolg van ideologie.’

Jos van der Lans: ‘Ik heb die taxiwet destijds “gedaan” in de Eerste Kamer, ten tijde van mevrouw Netelenbos. Alle voorbeelden uit andere Europese landen waar de liberalisering van de taximarkt uit de hand was gelopen werden haar voor de voeten geworpen. Niettemin kozen zij en de pvda doodleuk voor volledige liberalisering. Er werd wel een toezichthouder op gezet, maar die was daar helemaal niet op berekend. In feite is hetzelfde met grote delen van de publieke sector gebeurd. Men had geen idee welke krachten en begeerten men losmaakte. Zo kon het gebeuren dat directeuren van woningcorporaties, van oorsprong ideologisch bevlogen organisaties, zichzelf systematisch enorme salarissen gingen toekennen. Zonder gêne. Woningcorporaties zijn bedoeld om betaalbare woningen te verschaffen aan mensen die het niet breed hebben. Dat veronderstelt dat je sober omgaat met de middelen. Ik denk dat je inderdaad, zoals Judt, moet spreken van een morele crisis. Elites varen hun eigen koers, ze nemen het managementjargon over en tuigen zichzelf daarbij ook nog op met de illusie dat ze het algemeen belang dienen. En de politiek heeft ze laten begaan.’

De aanwezigen zijn het erover eens dat de malaise van de sociaal-democratie kadert in een algehele malaise van de politiek. Terwijl de vertegenwoordigende organen zich vullen met bestuurlijke ‘pygmeeën’, zoals Judt ze noemt, neemt de onvrede onder het publiek alleen maar toe. Ook in dat opzicht, stelt Geert Mak, heeft de sociaal-democratie de aansluiting gemist: ‘De klassieke sociaal-democratische beweging was een culturele beweging. Daar hoorde je bij in de volle breedte van je leven, niet alleen voor je portemonnee. Als ze die brede cultuur had gekoesterd, had de sociaal-democratie wellicht tijdig de signalen van onderop gekregen dat er een onvrede heerste die het materiële te boven ging. Want daar hebben we het over. De anti-immigratiegevoelens bijvoorbeeld mogen in bepaalde wijken concreet gekoppeld zijn aan migratie, maar heel vaak doen ze zich voor in gebieden waar nauwelijks migranten zijn. Dan heeft het ermee te maken dat mensen hun omgeving niet meer herkennen, dat het leven onvoorspelbaar is geworden, ook het gedrag van de buurman. De sociaal-democratie was blind voor dat gevoel van sociale wanorde, iets waarvoor de christen-democraten meer oog hebben en waarvoor iemand als Wilders grove, niet-functionele oplossingen biedt.’

Men mist in Judts boek een antwoord op de vraag wat de sociaal-democratie moet doen om haar oude project opnieuw op de kaart te zetten. Jos van der Lans: ‘Moet je prijsgegeven terrein willen heroveren of niet? Moeten we terug naar die “oude” overheid? Dat lijkt mij niet, maar op dat punt biedt het boek geen perspectief.’ Cuperus oppert dat er wellicht een nog grotere mondiale crisis nodig is om het neoliberale denken te doorbreken. De verlate aankomst van Marjolijn Februari op dit punt in het gesprek blijkt geen probleem. Februari, in 2000 gepromoveerd op een studie over de beperkingen van economische rationaliteit, houdt zich nog steeds bezig met de vraag hoe de bloei van de economie te combineren met morele keuzes. Tot algemene hilariteit stelt zij vast dat zij in haar eentje in de auto kennelijk ongeveer even ver is gekomen als de discussie in De Waag. ‘Ik moet zeggen’, begint ze, ‘toen ik de voorpublicatie van Tony Judt in De Groene Amsterdammer las, bedacht ik dat hij een belangrijke vraag niet stelt. Dat is de vraag aan wie je de beslissing laat over economische activiteit. De deskundigheid op tal van terreinen is in de moderne samenleving zo versnipperd en gespecialiseerd dat je je moet afvragen hoe bestuurders aan de vereiste kennis komen om regels te stellen. De IJslandse aswolk is een goed voorbeeld. Bestuurders moeten ingrijpende beslissingen nemen terwijl ze geen verstand van zaken hebben en niet weten hoe ze de benodigde deskundigheid kunnen inroepen. Dat is een oorzaak voor de verlammende regeldruk op de markt en in de publieke sector.’

René Cuperus: ‘Voor moderne managers is dat geen probleem, hoor. Die hebben voor alles dezelfde blauwdruk, ze passen gewoon het businessmodel van McKinsey toe. Dat doen ze in Griekenland en bij Shell, maar evengoed ook in een Vogelaarwijk. Zelfs China wordt op dit moment als het ware door de McKinseys van deze wereld geformatteerd. Wat stellen we daar tegenover, als links?’

Marjolijn Februari: ‘De wereld lijdt inderdaad ernstig onder modelbouw, die is zelfs de oorzaak van de huidige economische crisis. Maar als je spreekt over “wij als links”, dan hanteer je ook een soort McKinsey-model. Ik deel de zorg van Judt, maar als hij zegt dat “wij” daar iets aan moeten doen, dan vrees ik dat die “wij” al niet meer bestaat. Ik vind ook dat hij doorschiet als hij de verzorgingsstaat voorstelt als een verloren paradijs. Ik bleef hangen bij de eerste zin van zijn tekst: “Er is iets fundamenteel mis met de manier waarop wij vandaag de dag leven.” Meteen schoot mij Awater van Martinus Nijhoff te binnen. Daarin komt een heilsoldate voor die zegt: “Wij leven heel ons leven fout.” Dat is ongetwijfeld waar, maar dan denk ik niet in de eerste plaats aan de afbraak van de verzorgingsstaat. Er zijn grotere zorgen voor de toekomst: de economische groei, de energievoorziening, het klimaat. Welvaart moet niet alleen worden gedeeld, maar ook geproduceerd.’

Het is een beetje haar stokpaardje, bekent Februari, dat maatschappelijke problemen niet zijn ontstaan door politieke veranderingen maar door democratisering van kennis. ‘Bestuurders hebben tegenwoordig een volk tegenover zich dat hoogopgeleid is, kan meedenken en op alles commentaar geeft. De verhouding is zoek tussen degene die de verantwoordelijkheid draagt en het koor van commentatoren in de samenleving dat die verantwoordelijkheid niet heeft en kan prijsschieten. De enige oplossing is die rollen weer helder te krijgen. De kritiek mag niet zo hoog oplopen dat er geen leiding meer mogelijk is. Tegelijk ben ik het eens met Fareed Zakaria dat we weer toe moeten naar betrouwbare instituties. Dat doet een moreel appèl op degenen die verantwoordelijkheid dragen en gezag hebben.’

Geert Mak: ‘Zakaria’s thema is aristocratisering: een functionerende democratie heeft altijd een scheut aristocratie nodig. Een motor loopt op benzine en zuurstof, de juiste mengverhouding zorgt voor dynamiek. Het probleem van de sociaal-democratie is dat zijn aristocratie is verdwenen. Mensen als Joop den Uyl of Maarten van Traa die niet voortdurend naar de peilingen keken en bereid waren over hun schaduw te springen. Zulke leiders hebben we in heel Europa eigenlijk niet meer. We hebben net gezien hoe Angela Merkel de hele eurozone in problemen brengt, puur vanwege verkiezingen in Nordrhein-Westfalen. Wat een verschil met Helmut Kohl, die wel de euro tegen zijn electoraat in durfde introduceren.’

Jos van der Lans: ‘Voor zulk politiek leiderschap ontbreken de materiële voorwaarden. Een politicus die nu over de schaduw van zijn partijprogramma springt, pleegt zelfmoord. Hij krijgt een mediaoffensief over zich heen, wordt door zijn partij afgebrand en is morgen weg.’

‘Maar pas op’, zegt René Cuperus, ‘we hebben inderdaad moedige politieke leiders nodig die de “angst voor het volk” kunnen weerstaan, maar ook politici die de wereldvreemde recepturen van de internationale technocratie der beleidsmakers durven te ontregelen. We hebben een representatieprobleem. Men wil zich niet laten vertegenwoordigen door mensen die men geen gezag toestaat.’

Jos van der Lans: ‘Misschien moeten we accepteren dat de politiek niet meer het concentratiepunt van de macht is.’

Marjolijn Februari: ‘En dat betekent weer dat je verantwoordelijkheid moet leggen bij mensen die deskundig zijn. Dan kunnen de politici zich weer bepalen tot waar het in de politiek om begonnen is: tot morele kwesties.’

René Cuperus: ‘Maar wie zijn precies de deskundigen? De beleidsexperts of de echte uitvoerende professionals? Het studiehuis is doorgedrukt door experts, de politiek volgde. Wil je een democratie van experts?’

Marjolijn Februari: ‘Nee, het gaat me niet om de invloed van onderwijsmanagers op het beleid, ik wil dat onderwijzers en leraren weer zeggenschap willen hebben in hun eigen klas.’

Geert Mak: ‘Op een bepaald moment werd het niveau in sommige gemeenteraden zo slecht dat je er geen goede mensen meer voor kon krijgen. Geen verstandig mens wou nog vier jaar aan zulk gekakel verprutsen. Dat risico zouden we ook kunnen gaan lopen met de Tweede Kamer. Er kan een vreemde selectie gaan ontstaan waardoor de werkelijk capabele mensen niet meer willen terwijl pathologische ijdeltuiten en idioten er dol op zijn.’

Om die impasse te doorbreken, meent Mak, zou er eigenlijk een samenzwering van goedwillenden moeten worden gesmeed, een stilzwijgend complot van mensen die willen staan voor fatsoen, voor een goede omgang met elkaar en voor wederzijdse steun. ‘Net zoals je een samenzwering hebt op een school waar een rare richtlijn binnenkomt en waar de directeur met algemene instemming zegt: laten we dit een half jaar in een la douwen.’

Onverstandig, vindt Marjolijn Februari: ‘Als ik schoolhoofd was, zou ik ook onzinnige circulaires in de prullenbak gooien, maar een oplossing is het niet. Je moet dat in het openbaar doen. Je moet het aankondigen, de consequenties aanvaarden, desnoods ervoor in de gevangenis gaan zitten. Burgerlijke ongehoorzaamheid is er om een doorbraak te forceren.’

Jos van der Lans: ‘Maar wat Geert aangeeft is precies wat er steeds vaker gebeurt. Er worden dagelijks miljoenen gegevens ingevuld en het digitale universum in geslingerd. Maar dat is in hoge mate administratief correct gedrag dat eigenlijk steeds minder laat zien over wat er in de praktijk gebeurt. Zo draaien de professionele bureaucratieën in een almaar toelopende complexiteit vast. Ze zijn in feite onbeheersbaar geworden. En krankzinnig duur.’ René Cuperus: ‘Ik wijs wel op een gevaar. Als progressieven zich ook al gigantisch gaan uitleven in bureaucratie-bashing, trek je een enorm vacuüm voor neoliberalen. In de afgelopen decennia is er steeds opnieuw gesneden in de bureaucratie ten gunste van de managers en ten nadele van de professionals. Voor zinvolle ingrepen heb je toch eerst een minder technocratische politieke cultuur nodig.’

Marjolijn Februari: ‘Er is naast de sociaal-democratie en het liberalisme een derde model, namelijk het christen-democratische. Zakaria stelt dat een democratie behoefte heeft aan een tegenmacht tegenover de staatsmacht, een functie die lange tijd door de kerken vervuld werd. Hij wil zulke instituties weer terugbrengen. De ellende is dat je daarvoor sinds de ontkerkelijking alleen kunt terugvallen op iets ongrijpbaars als moraal.’

Jos van der Lans: ‘Maar als het niet de kerk is, wie draagt die moraal dan?’

Marjolijn Februari: ‘De godsdienstige associatie zit de moraal in de weg. Je zag dat gebeuren toen Balkenende het normen-en-waardendebat begon. Niemand voelde zich aangesproken omdat men dacht: het komt van het cda. Maar we kunnen ook heel goed toe met Immanuel Kant. Politici zouden moeten proberen een antwoord te geven op de vraag van de burgers: wat kan ik doen voor mijn land? Daar is een grote maatschappelijke behoefte aan. Politiek en ethiek vallen al sinds Aristoteles min of meer samen; de politiek behoort een moreel gesprek met mensen aan te gaan. Problemen hebben normatieve aspecten en die kun je niet wegwerken door ze te juridiseren of bureaucratiseren. Daarover gaat nu juist de politiek.’

De laatste vraag aan de deelnemers luidt of ze iets van de besproken thema’s terugzien in de verkiezingsprogramma’s. Helaas heeft niemand de indruk dat er in politieke kringen ook maar het begin van een soortgelijk debat gevoerd wordt. Jos van der Lans: ‘Ik bespeur bij de politieke elites geen enkele urgentie om echt fundamentele systeemveranderingen te realiseren. Ik merk zelfs dat ik, hoewel ik toch een politiek dier ben, afhaak omdat de huidige politiek neerkomt op vliegen afvangen. Je moet dus eigenlijk hopen dat de crisis nog dieper door de samenleving gaat razen zodat het debat onontkoombaar wordt. Dat is eigenlijk erg triest.’

Geert Mak: ‘Ik ken de programma’s te slecht. Er zullen vast mooie alinea’s in staan, maar in debatten zie je voornamelijk gekissebis. Dat wordt in de hand gewerkt door het statistisch-publicitaire complex van de polls en de media. Er wordt slecht doorgevraagd door interviewers, slecht doorgedacht, het is ronduit gênant.’

René Cuperus: ‘Verkiezingsprogramma’s horen een brief aan de kiezer te zijn waarin je aangeeft wat je bereikt hebt, wat er mis is gegaan en waarom en wat nu je plannen zijn. Maar de huidige programma’s zijn geschreven in een soort ondoordringbaar technoproza. En dat wordt in de samenstelling van de fracties weerspiegeld. Onze partijen zijn zwak omdat goede mensen niet meer in de politiek gaan. Daar komt dan nog de permanente mediadruk overheen. Ik ben bang dat het op termijn opnieuw mensen als Wilders in de kaart speelt, zeker als er straks massief bezuinigd wordt zonder maatschappelijk draagvlak. Ik hou, met Judt, mijn hart vast.’

Marjolijn Februari: ‘De Wilders-opleving gaat eigenlijk niet over angst of de islam, maar over een probleem van burgers met de democratie. Als je kijkt welke uitleg mensen op internet of in straatinterviews geven voor hun keuze voor de pvv, dan zeggen ze vrijwel allemaal dat ze Wilders een halve gare vinden en hooguit één keer op hem gaan stemmen. Waarom? Omdat ze een winkel hebben en twee jaar op een vergunning moesten wachten. Ze hebben allemaal problemen met de uitvoerende overheid, problemen van het soort waar wij het over hebben gehad. Ook dat is een reden voor de politiek om dieper te duiken in het thema dat hier ter tafel kwam. Je zou er die gevaarlijke popularisering mee kunnen tegengaan. Het is naïef van politici om dit gesprek uit de weg te gaan.’

Medium discussieer mee klein