Nederland wapenhandelaar

‘Wij moeten een bedrijf draaiende houden’

Sinds de jaren zestig is Nederland een van de tien grootste wapenexporteurs ter wereld. Leveringen aan dubieuze regimes zijn aan regels gebonden, maar die zijn niet bindend. Het gaat wel eens mis.

Het industrieterrein aan de rand van Hengelo doet denken aan de set van een sciencefictionfilm uit de jaren vijftig. Overal staan surrealistische constructies van staal waarop radars in allerlei soorten en maten de bezoekers in de gaten lijken te houden. ‘Deze stellages zijn nodig om de radars te testen’, zegt Lars Wormgoor van Thales Nederland. ‘Op de fregatten zullen ze op dezelfde hoogte dienst doen.’ De montere woordvoerder doet niet geheimzinnig over de handelswaar die zijn werkgever produceert. Maar Wormgoor staat erop dat ik Thales Nederland geen wapenproducent noem. ‘Wat wij maken is voor zelfverdediging. Van de luchtafweersystemen maken wij alleen de vuurleiding. De kanonnen zelf worden in Zweden, Italië en de VS gemaakt’, zegt hij. ‘We maken radars, geen wapens.’

Reden voor mijn bezoek is dat Thales Nederland volgens het Stockholm International Peace Research Institute, beter bekend als het Sipri, in de top-honderd staat van grootste wapen­producenten ter wereld. Deze Zweedse instelling doet onderzoek naar de productie, verkoop en het gebruik van wapens. Alle verkoop van goederen en diensten die bedoeld zijn voor militair gebruik beschouwt het instituut als wapenhandel. Met de verkoop van hoogwaardige radar- en infraroodapparatuur, vooral aan het Midden-Oosten en Azië, zet Thales Nederland jaarlijks meer dan een half miljard euro om. Mede door dit bedrijf speelt ons land een niet geringe rol in de internationale wapenhandel.

Al sinds de jaren zestig, toen het Sipri werd opgericht, staat Nederland onafgebroken in de top-tien van grootste wapenexporteurs ter wereld die de organisatie jaarlijks publiceert. De ranglijst beslaat alleen de legale wapenhandel, dat wil zeggen export van strategische goederen waarvoor de regering een vergunning heeft verleend. Het afgelopen decennium stond Nederland gemiddeld op zeven, maar een paar jaar stond het op plaats vijf, vlak onder erkende wapengiganten als de VS, Rusland, Frankrijk en Engeland. Als je de cijfers van het Sipri deelt door het aantal inwoners waren we de laatste tien jaar de derde grootste wapenhandelaar ter wereld, achter Rusland en Israël.

Die positie heeft zowel te maken met het soort wapens dat Nederland verkoopt als met de rekenmethode van het Sipri. De cijfers op de ranglijst staan niet voor de bedragen die met de transacties zijn gemoeid, maar geven aan wat de goederen in strategische en financiële zin waard zijn. Een tweedehands straaljager komt hoog op de lijst, ook al wordt hij gratis weggegeven. Fregatten, met de modernste radarapparatuur, scoren ook goed omdat ze enorm duur zijn. Precies op die gebieden is Nederland zeer actief: de productie van gevechts­schepen, militaire hightech­apparatuur en de handel in afgedankt materieel van het leger.

Volgens een rapport van het ministerie van Economische Zaken uit 2012 houden zo’n 450 bedrijven zich deels bezig met defensie-gerelateerde producten. Dat zijn vaak deel­systemen die de meeste mensen niet zo snel als wapens zullen beschouwen, zoals kunststof vezels voor kogelwerende vesten, motoronderdelen, computerprogramma’s, bekabeling of legerlaarzen. Ooit had Nederland ook kruit- en munitie­fabrieken, maar die zijn na de Koude Oorlog allemaal op de fles gegaan.

De markt wordt gedomineerd door een handvol grote fabrikanten die de hoge Sipri-notering op hun conto kunnen schrijven. Naast Thales Nederland is Damen Shipyards er daar een van. Dit bedrijf maakt fregatten in allerlei soorten en maten, die honderden miljoenen per stuk kosten, onder meer voor de marine van Indonesië en Marokko. In 2009 was de jaaromzet van het bedrijf 1,4 miljard euro, voor de civiele en militaire vaartuigen bij elkaar. Ook Fokker Aerostructures, dat romp-, staart- en vleugeldelen voor gevechtsvliegtuigen en militaire helikopters maakt, is een belangrijke producent. Moederbedrijf Fokker Technologies draaide in 2011 een omzet van 685 miljoen euro. Verder houdt de afdeling integrale veiligheid van de Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuur-wetenschappelijk Onderzoek (tno) zich bezig met allerlei vormen van defensie-gerelateerd onderzoek, van gedragssimulaties tot fragmentatieanalyse van raketten. Net als Fokker heeft het vooral westerse landen als klant. Volgens onderzoeksbureau Triarii was in 2010 de totale omzet van de defensie- en veiligheidssector 3,1 miljard euro. Het overgrote deel daarvan ging naar het buitenland.

Een andere belangrijke bijdrage aan de plek in de Sipri-top-tien komt van het ministerie van Defensie zelf. Het doet al jarenlang goede zaken met de handel in tweedehands wapens. ‘Na het einde van de Koude Oorlog slonken wereldwijd de defensiebudgetten en kwamen er grote hoeveelheden afgedankt materieel op de markt. Ons land heeft daarvan veel geprofiteerd’, zegt Frank Slijper. Hij is een van de drijvende krachten achter Campagne tegen Wapenhandel, een bureau dat al vijftien jaar pleit voor meer openheid en transparantie in de Nederlandse wapenexport. De archiefkasten op het kleine kantoor in Amsterdam-West staan vol knipselmappen, militaire tijdschriften en ander bronmateriaal waarmee Slijper en zijn collega’s zich al die tijd hebben geïnformeerd. ‘Gelukkig is tegenwoordig bijna alles digitaal’, zegt hij lachend. ‘Anders waren we hier al lang uitgegroeid.’

Volgens Slijper is een tweede reden voor de grote hoeveelheid overtollige spullen van het Nederlandse leger de omloopsnelheid van zijn strijdmiddelen. In vergelijking met andere landen ligt die relatief hoog. Uit een onderzoek van de Europese Unie uit 2000 blijkt dat de Nederlandse uitgaven voor nieuwe wapens, als percentage van het defensiebudget, binnen de Navo na het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten het grootst waren. Frank Slijper: ‘In sommige gevallen gingen pas gekochte spullen al weer in de verkoop voordat ze überhaupt geleverd waren.’ Op die manier gingen de afgelopen jaren talloze tweedehands tanks, gevechtsvliegtuigen en fregatten de grens over.

Als het om wapenleveranties gaat is de overheid niet gebaat bij openheid. Behalve bij export van tweedehands materiaal van Defensie wordt informatie over transacties pas achteraf aan de Tweede Kamer bekendgemaakt, als de vergunning al verleend is. ‘Tot zo’n tien jaar terug waren er maar een paar ambtenaren die van de hoed en de rand wisten’, zegt Slijper. ‘Verder bleef alles verborgen.’ De afgelopen jaren is het ministerie wat transparanter geworden en zet het de exportvergunningen online. Wie voor die tijd relevante informatie boven water wilde krijgen moest diep graven en over een bijzonder lange adem beschikken.

Dat er desondanks een goed overzicht is van de Nederlandse handel in strijdmiddelen sinds de jaren zestig is te danken aan een aantal volhardende wetenschappers, activisten en journalisten. Twee pioniers waren de politicoloog Ko Colijn en de jurist Paul Rusman, die samen promoveerden op het boek Het Nederlandse wapenexportbeleid 1963-1988, en daarnaast talloze artikelen publiceerden. Colijn is tegenwoordig directeur van het Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen Clingendael en nog altijd actief als publicist voor Vrij Nederland.

Colijn spreekt met de kalme autoriteit van een man met jaren ervaring, maar hij heeft in het begin zelf het wiel moeten uitvinden. ‘Toen ik halverwege de jaren zeventig met Paul Rusman begon, waren we eenoog in het land der blinden. Na de Lockheed-affaire was er plotseling grote behoefte aan informatie over wapenhandel.’ Het duo kreeg in de loop der jaren veel verborgen feiten op tafel dankzij een netwerk van informanten dat ze hadden opgebouwd. Documenten waren destijds minder makkelijk beschikbaar dan nu en medewerkers uit de wapenindustrie hadden een geheimhoudingsplicht. ‘Zodra er commerciële belangen in het geding kwamen, gingen de kaken op elkaar’, zegt Colijn.

Een andere belangrijke bron is Campagne tegen Wapenhandel. In 2004 publiceerde Frank Slijper met zijn toenmalige medewerker Martin Broek het boek Explosieve materie. In samenwerking met het vpro-radioprogramma Argos wisten zij zestienduizend documenten op tafel te krijgen via de Wet openbaar bestuur. Het verzamelen van het materiaal ging niet zonder slag of stoot. ‘We wilden het naadje van de kous weten. Niet alleen lijsten met exportvergunningen, maar ook alle bijbehorende correspondentie’, zegt Slijper. ‘Het ministerie zat eindeloos te traineren. Ze kwamen hun beloftes niet na of gaven ons alleen wat we al wisten.’ Uiteindelijk kregen ze het ministerie op de knieën met een serie slepende rechtszaken die liep tot aan de Raad van State.

Wie wapens wil verkopen aan een buitenlandse partij heeft daarvoor een exportvergunning nodig. De verlening daarvan gebeurde jarenlang door het ministerie van Economische Zaken, maar sinds het kabinet-Rutte II is ze verplaatst naar Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Bij de vraag wat wel of niet de grens over mag moeten de ambtenaren zich houden aan een aantal richtlijnen die de landen van de EU samen hebben opgesteld. Daarin is onder meer te lezen dat er in het land van eindbestemming geen mensenrechten geschonden mogen worden. Ook mag het land niet in een conflict met de buren verwikkeld zijn, dat door de wapenleverantie verergerd kan worden.

Dat klinkt moreel verantwoord, maar de regels zijn volgens Slijper in de praktijk weinig bindend. ‘Elk land is verplicht zich via de eigen wet aan de Europese richtlijnen te houden, maar Brussel heeft geen machtsmiddelen om lidstaten te bestraffen die dat niet doen.’ Daarnaast kunnen de voorschriften gemakkelijk met tegenargumenten terzijde worden geschoven, meent Slijper. ‘Amnesty International en Human Rights Watch kunnen nog zoveel rapporten hebben geschreven over mensenrechtenschendingen in een land, de kwalijke reputatie van een machthebber heeft amper invloed op het al dan niet doorgaan van een transactie.’

Uit de publicaties van Colijn en Slijper blijkt dat economische en strategische motieven vaak een belangrijker rol spelen dan morele, ook in Nederland. De legale handel in strijdmiddelen is een wereld van trage besluitvorming en lange levertijden. De gevolgen van een wapenleverantie aan een dubieus regime komen meestal niet meteen aan het licht. Maar dat betekent niet dat Nederland geen vuile handen maakt. Al zijn we een stuk strikter dan andere lidstaten, volgens Campagne tegen Wapenhandel houdt de Nederlandse wapenexport zich niet aan de EU-richtlijnen. Zolang er geen slachtoffers in het nieuws komen die direct in verband gebracht kunnen worden met Nederlands militaire handel blijft deze praktijk netjes onder tafel. Toch loopt de regering af en toe tegen de lamp.

In mei nog meldden NRC Handelsblad en RTL Nieuws dat Nederland al jaren verdachte chemicaliën leverde aan de Syrische regering, ondanks herhaalde verzoeken van de antiwapenlobby en de Amerikaanse regering om hiermee te stoppen. De stof waar het om ging, glycol, was niet vergunningsplichtig en viel daarom buiten de Europese richtlijnen. Officieel deed de regering dus niets verkeerd. Maar het was geen geheim dat de vloeistof kan worden omgezet in zwavelmosterdgas en Syrië werd al lange tijd verdacht van het maken van chemische wapens. Volgens NRC Handelsblad schreef staatssecretaris Bleker in 2011 dat hij de stof niet vergunningsplichtig wilde maken omdat dat de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven zou verslechteren. Pas toen de leveranties uitgebreid in het nieuws kwamen, werd de export van glycol door minister Ploumen van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking verboden.

Ook bij de verkoop van pantservoertuigen aan Bahrein kwam de overheid aan de verkeerde kant van de geschiedenis te staan, al duurde het zo’n vijftien jaar voordat de Nederlandse burger daarachter kwam. Tussen 1994 en 1997 verscheepte defensie tientallen tweedehandse ypr-pantservoertuigen naar Bahrein. Vanwege de twijfelachtige reputatie van het land stelde de Tweede Kamer verschillende malen vragen over de leverantie. Ook Amnesty International plaatste vraagtekens. Uit Kamerstukken op de site van Campagne tegen Wapenhandel blijkt dat de Nederlandse regering steeds oordeelde dat de kans dat de voertuigen zouden worden ingezet tegen de eigen bevolking niet reëel was.

Tijdens de Arabische lente kwamen de landen rond de Perzische Golf maandenlang onder het vergrootglas van de internationale media te liggen. In het voorjaar van 2011 was op tv te zien hoe de opstand van de Bahreinse bevolking door de autoriteiten werd neergeslagen met pantserwagens van hetzelfde type dat Nederland had verkocht. De beelden zorgden voor opschudding in de media en ook in Den Haag zeiden de betrokken ministers ‘geschrokken’ te zijn.

Sinds het einde van de Koude Oorlog is ook Azië een belangrijke bestemming geworden voor de Nederlandse wapenindustrie, met name Zuid-Korea. Het land tekende in 1953 een wapenstilstand met Noord-Korea, maar officieel zijn ze nog steeds in oorlog en ze bedreigen elkaar regelmatig. Op papier mogen lidstaten volgens de Europese richtlijnen geen strategische goederen leveren aan spanningsgebieden en moeten ze wapenwedlopen vermijden. Onderzoek van het Noorse Journal of Peace Research heeft uitgewezen dat dit de kans op het uitbreken van een oorlog vergroot. Toch weerhoudt dat de overheid er al jarenlang niet van om de verscheping van grote hoeveelheden strijdmiddelen naar Zuid-Korea goed te keuren, met name maritieme wapens. De afgelopen tien jaar werd voor meer dan een kwart miljard aan wapens verkocht.

Hoe rechtvaardigt de overheid dit beleid als de EU-richtlijnen iets anders voorschrijven? George Bontenbal werkt sinds 1996 bij de afdeling exportcontrole en strategische goederen, die vorig jaar werd overgeheveld van Economische Zaken naar Buitenlandse Zaken. Als ambtelijk adviseur voor militaire uitvoervergunningen heeft hij alle grote wapenleveranties van de afgelopen achttien jaar door zijn handen zien gaan. Volgens Frank Slijper is hij een van de weinige ambtenaren die precies weten wat er speelt.

In een schriftelijke reactie meldt Bontenbal dat zijn afdeling zich altijd netjes aan de regels houdt, waaruit hij een aantal citaten mee­stuurt. Daarin staat dat er een ‘duidelijk risico’ moet zijn dat de geleverde wapens bij geval van conflict zullen worden ingezet tegen een ander land. Met andere woorden: in de ogen van Bontenbal zijn de spanningen tussen Noord- en Zuid-Korea niet ernstig genoeg om een exportvergunning te weigeren. Om een leverantie op grond van mensenrechtenschendingen te blokkeren stellen de EU-regels dat vóóraf moet worden vastgesteld of de geleverde wapens gebruikt kunnen worden voor onderdrukking – iets wat in de praktijk vrijwel onmogelijk is. Verder hoeven de ambtenaren van Buitenlandse Zaken in dat geval niet meer te doen dan ‘extra oplettend’ zijn. Zonder duidelijke criteria kan dus vrijwel elke wapenleverantie doorgang vinden, ongeacht de bestemming.

Hoe hypocriet dat ook klinkt, Ko Colijn vindt niet dat de overheid hiervoor in de beklaagdenbank gezet moet worden: ‘De gedragslijnen zijn bewust opengelaten om de lidstaten speelruimte te geven. De EU verplicht ons in feite tot niets, tenzij het een officieel wapenembargo betreft.’

Vooral in de jaren tachtig ging Nederland over de schreef, met name tijdens de oorlog tussen Irak en Iran (1980-1988). Behalve nachtzichtapparatuur en springstof aan Iran leverden Nederlandse bedrijven in de eerste jaren van het conflict op grote schaal chemicaliën aan Saddam Hoessein. Een van die stoffen was thio­diglycol, een stof die wordt gebruikt in de textielindustrie en voor pesticiden, maar ook voor de productie van mosterdgas. David Meinard Schorer, de toenmalige ambassadeur in Bagdad, meldde naar eigen zeggen al in 1982 in Den Haag dat Saddam Hoessein Nederlandse chemicaliën gebruikte om gifgassen te maken. In de oorlog met Iran werden ze op grote schaal ingezet, slachtoffers ervan werden in Europa behandeld en ook bij de persbureaus was de informatie volgens Schorer bekend. Den Haag deed er echter niets mee en bleef onder staatssecretaris Bolkestein van Economische Zaken de stoffen verschepen. Bolkestein ontkende altijd een oogje te hebben toegeknepen, maar documenten die Campagne tegen Wapenhandel uit die periode wist op te vissen, wijzen op het tegendeel. In 1984 schreef hij zelf op een nota: ‘In geval van gerechtvaardigde twijfel moet niet worden opgetreden.’ Oftewel: zolang we de schijn kunnen ophouden dat de chemicaliën niet voor gifgas worden gebruikt, blijven we gewoon doorleveren. Datzelfde jaar werd Nederland uiteindelijk onder buitenlandse druk van onder meer de VN gedwongen de stoffen vergunningsplichtig te maken.

Wat voor gevolgen de Nederlandse leveranties van chemicaliën konden hebben, werd een paar jaar later wereldnieuws: in 1988 voerde de Iraakse leider een gifgasaanval uit op het Koerdische stadje Halabja in Noord-Irak, uit wraak voor steun aan Iran. Vijfduizend mensen kwamen om en ongeveer tienduizend inwoners hielden er chronische brandwonden, ademhalingsproblemen en blindheid aan over.

Ook bij export naar andere landen met een bedenkelijke reputatie keek de overheid weg. Rond dezelfde tijd werd bekend dat het ministerie van Defensie ruim honderd afgedankte Starfighters en Northrop-jachtvliegtuigen aan Turkije ging leveren. Nog meer dan nu had het land een twijfelachtige reputatie op het gebied van mensenrechten, maar omdat het medelid was van de Navo werden exportvergunningen makkelijk afgegeven. Uit artikelen in Onze luchtmacht en Jane’s Defence Weekly bleek dat het Turkse leger in de jaren tachtig en negentig bij gevechten tegen de Koerden helikopters, tanks én bommenwerpers inzette, waaronder gevechtsvliegtuigen van het type dat Nederland leverde. Daarbij kwamen meer dan dertigduizend mensen om het leven en werden drieduizend Koerdische dorpjes verwoest.

Gezien het imago dat Nederland op internationaal niveau uitdraagt, is zijn wapenbeleid opmerkelijk. Het loopt wereldwijd voorop in de bestrijding van handvuurwapens en is een gulle gever aan campagnes tegen landmijnen. Den Haag is de zetel van het Internationaal Gerechtshof en de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens. Binnen de EU was Nederland een van de belangrijkste pleitbezorgers van richtlijnen voor de wapenexport. Desondanks lijkt de tijd van grootschalige burgerprotesten tegen controversiële wapenleveranties iets uit het verleden.

Tijdens de Koude Oorlog was dat wel anders. Volgens Ko Colijn is dat niet het gevolg van een veranderde mentaliteit. ‘Je kunt niet zeggen dat men nu minder om mensenrechten geeft dan toen’, zegt hij. ‘Er werden destijds meer zichtbare oorlogen gevoerd tussen twee landen, zoals Irak en Iran. Militaire goederen mochten alleen verkocht worden aan soevereine staten. Dat waren vaak de boosdoeners, die de wapens inzetten tegen hun eigen burgers. Tegenwoordig is het niet meer zo eenduidig. Nu is er bijvoorbeeld brede steun voor wapenleveranties aan de rebellen in Syrië. We maakten toen ook traditionelere wapens, zoals munitie en onderzeeërs. Nu produceren we software en elektronica. Dat spreekt toch een stuk minder tot de verbeelding.’

Al in 1921, vlak na de Eerste Wereldoorlog, had de Volkenbond zich uitgesproken over de kwalijke rol die wapenfabrikanten hadden gespeeld in het uitbreken van het conflict. Toch kwamen de eerste serieuze pogingen tot regelgeving pas tijdens de Koude Oorlog, al waren de redenen daarvoor hoofdzakelijk strategisch van aard, zo beschrijven Colijn en Rusland in hun proefschrift. Niet alleen leidde de onderverdeling van de wereld in twee vijandige kampen tot een enorme toename van de wapenproductie, via invloedssferen en bondgenootschappen raakten landen wereldwijd steeds meer met elkaar vervlochten. Het kon gebeuren dat twee ontwikkelingslanden die met elkaar in oorlog waren hun wapens hadden gekocht bij twee verschillende Europese landen die binnen de Navo bondgenoten waren. Dat veel arme landen na de Tweede Wereldoorlog in een vrijheidsstrijd verwikkeld waren tegen hun voormalige westerse kolonisators was een extra complicerende factor. Ongebreidelde wapenverkoop kon tot frictie leiden binnen allianties en het wankele machtsevenwicht verstoren.

Het morele aspect van de handel in strijdmiddelen kreeg een impuls door de opkomst van de televisie in de jaren zestig. Een keerpunt voor Nederland was de Biafra-oorlog (1967-1970) waarin de Nigeriaanse regering opstandelingen uit de regio Biafra bloedig onderdrukte. Naar schatting kwamen er tussen de half en twee miljoen Biafranen om het leven door ontberingen en door de moordpartijen van hun machthebbers. Beelden van uitgehongerde Afrikanen gingen voor het eerst de hele wereld over en zorgden voor grote verontwaardiging. Tijdens de oorlog bestelde Nigeria in Nederland grote partijen granaten en geweerpatronen voor zijn strijd tegen de opstandelingen. Hoewel Nederland doorgaans zakelijke belangen voor liet gaan, weigerde de regering ditmaal een exportvergunning af te geven.

Enkele jaren later, in 1975, zag de Nota ontwapening en veiligheid het licht, die staatslieden voortaan houvast moest geven bij besluitvorming over wapenexporten. Dat die regels zouden gelden voor alle toekomstige verkopen, ook voor transacties waarbij het morele aspect minder duidelijk was dan bij Biafra, werd een dilemma waarmee politici tot op de dag van vandaag worstelen.

De behoefte om richtlijnen voor de wapenhandel ook naar Europees niveau te tillen kreeg vorm met Saddam Hoesseins inval in Koeweit in 1990. In Just the Facts: The Arms Trade zet de Britse wetenschapper Richard Bingley uiteen hoe het Westen een paar jaar de tijd kreeg om de Iraakse leider voor honderden miljoenen te herbewapenen nadat hij in 1988 een wapenstilstand had getekend met Iran. Toen de westerse landen drie jaar later Koeweit te hulp wilden schieten om hun olieaanvoer te beschermen, bleken ze tegen hun eigen wapens te moeten vechten. De Iraakse luchtmacht viel Franse soldaten aan met Mirage-gevechtsvliegtuigen van Franse makelij. Dat moest voortaan anders.

Toch weerhield de gedragscode voor wapenexport, die de EU uiteindelijk in 1998 opstelde, haar lidstaten er niet van zich nogmaals aan dezelfde steen te stoten. In 2004 besloot Europa het wapenembargo tegen Libië op te zeggen dat al sinds de jaren tachtig van kracht was. Binnen vijf jaar na de opheffing verscheepte Europa voor ruim achthonderd miljoen euro aan gevechtsvliegtuigen, raketten, tanks en andere wapens aan het regime-Kadhafi. De voornaamste exporteurs waren Engeland, Frankrijk en Italië, maar ook Nederland deed zijn voordeel met de levering van helikopteronderdelen.

In Libië moest Europa het wederom tegen zijn eigen wapens opnemen. Hoewel de Libische leider al na een paar maanden verslagen was, bleek er nog een ander neveneffect van de wapenleveranties te zijn. Kadhafi’s enorme arsenaal, dat nu voor het oprapen lag, bleek een grote aantrekkingskracht uit te oefenen op extremistische groeperingen uit heel Noord-Afrika. In de chaos na de val van het bewind veranderde de Sahel in de grootste openluchtsupermarkt van tweedehands Europese wapens in de regio. Twee jaar na de val van Kadhafi vecht Frankrijk weer tegen eigen strijdmiddelen in Mali.

De morele en strategische dilemma’s die gepaard gaan met de wapenhandel maken het een ingewikkelde bedrijfstak waaraan overheden hun handen makkelijk kunnen branden. Desondanks hecht ook de Nederlandse regering veel waarde aan een gezonde militaire industrie. ‘Een vaak gebruikt argument om de eigen wapennijverheid te steunen is dat het werkgelegenheid en spin-offs zou genereren’, zegt Colijn. ‘Verschillende technische innovaties die toegepast zijn in de civiele sector komen uit de wapenindustrie, zoals de radar en het internet.’ Volgens Lars Wormgoor van Thales Nederland vindt de overheid het daarnaast ook belangrijk om onafhankelijk te zijn: ‘Voor alles wat je zelf maakt hoef je je niet te schikken naar het aanbod van andere landen. En het is vaak goedkoper om zelf te produceren.’ Frank Slijper meent dat wapens een effectief smeermiddel zijn voor handel en diplomatie. ‘In 2001 schonk het ministerie van Buitenlandse Zaken vijfhonderd legertrucks ter waarde van 1,25 miljoen aan het olierijke Nigeria tijdens een handelsmissie naar dit land’, zegt Slijper.

De Nederlandse wapenindustrie heeft de overheid ook hard nodig. Met het inkrimpen van de defensiebudgetten na de val van het Oostblok kregen veel bedrijven in de militaire sector het moeilijk. Verschillende kleine ondernemingen gingen op de fles, maar de regering wilde een aantal bedrijven koste wat het kost behouden en gaf flinke kapitaalinjecties. Zo werd de Koninklijke Schelde Groep, een scheepswerf die fregatten bouwde en al jarenlang slecht draaide, voor tientallen miljoenen uit het slop gehaald.

Daarnaast geeft de regering diverse soorten subsidies aan de wapenindustrie. Hightech­bedrijven vallen of staan met een goede research development-afdeling en daar gaat veel geld in zitten. Alleen al de communicatieafdeling van tno meldt dat het instituut vorig jaar 33 ­miljoen aan overheidsfinanciering voor defensie-­gerelateerd onderzoek kreeg. Ook Thales Nederland ontvangt jaarlijks steun van het rijk.

Tijdens de rondleiding door het bedrijf toont Lars Wormgoor hoe technici in een enorme hal de geavanceerde apparaten in elkaar zetten. ‘Radarsystemen zijn ontzettend duur om te maken’, zegt hij, ‘zowel de ontwikkeling als de assemblage.’ Hoewel Thales Nederland een van de grootste fabrikanten van strategische goederen ter wereld is, zou het bedrijf volgens hem niet kunnen overleven zonder onderzoekssubsidies. ‘Dan kunnen we niet meer leidend zijn op het gebied van innovatie en lopen onze klanten over naar de concurrentie.’

Behalve bij de financiering van de ontwikkeling van wapens is de overheid ook actief betrokken bij de verkoop ervan. Ministers van Economische Zaken, staatssecretarissen van Defensie en zelfs voormalig kroonprins Willem-Alexander reisden incidenteel mee naar wapenbeurzen om de producten van de Nederlandse defensie-industrie aan de man te brengen. Daarnaast sponsort het ministerie driemaal per jaar voor zo’n anderhalve ton een Hollands paviljoen op buitenlandse beurzen, waar wapenfabrikanten zich gezamenlijk kunnen aanbieden. Soms leent de Koninklijke Marine zelfs schepen uit waarop bedrijven tijdens wapenbeurzen presentaties mogen houden.

Ten slotte stelt de regering zich ook nog garant voor de financiële risico’s die met wapenleveranties gemoeid zijn. Als een Nederlandse fabrikant een opdracht krijgt om voor miljoenen aan wapens te produceren voor een land dat na de oplevering niet met het geld over de brug kan komen, dan zou het bedrijf in kwestie in één klap failliet gaan. Om dat te voorkomen kan de leverancier zich verzekeren bij de overheid. Als de afnemer niet betaalt, krijgt de fabrikant het volledige bedrag dat met de transactie is gemoeid uitbetaald uit de schatkist.

Aangezien het Nederlandse leger te klein is om de militaire sector van werk te voorzien, is die aangewezen op verkoop aan buitenlandse strijdmachten. Hulp van de overheid is daarbij onontbeerlijk. Wapentransacties vinden immers niet plaats op de vrije markt, maar zijn een zaak tussen overheden. Om defensie-gerelateerde bedrijven de ruimte te geven is het nodig om af en toe de andere kant op te kijken als er mensenrechten in het geding zijn. De belangrijkste klanten zijn vaak machthebbers die het daarmee niet zo nauw nemen. Voormalig minister van Buitenlandse Zaken Hans van Mierlo wist dit dilemma tijdens een algemeen debat in de Tweede Kamer in 1996 goed te verwoorden: ‘Het in absolute zin toepassen van de criteria voor wapenexport zou betekenen dat de Nederlandse defensie-industrie geen exportmogelijkheden meer heeft. Dan zou de Tweede Kamer moeten besluiten de defensie-industrie in Nederland te verbieden.’

Antiwapenactivisten zouden dat geen gek idee vinden. Zij menen dat de Nederlandse regering veel te veel geld stopt in een onrendabele bedrijfstak. Volgens branchevereniging nidv zijn er 14.242 mensen in werkzaam. ‘De sector is te klein om een factor van betekenis te zijn voor de Nederlandse economie’, zegt ook Ko Colijn. Het argument dat de militaire industrie voorop loopt bij technische innovatie is volgens hem eveneens achterhaald. ‘Tegenwoordig is het andersom. De civiele industrie is leidend en de wapenindustrie hobbelt erachteraan. De gevechtssimulators die het leger nu gebruikt zijn ontwikkeld door de game-industrie.’

De bewering dat geld pompen in het militaire bedrijf banen zou opleveren houdt evenmin stand. Onderzoek van de Zuid-Afrikaanse econoom Paul Dunne heeft aangetoond dat vergelijkbare investeringen in de civiele industrie meer en bovendien duurzamere banen opleveren. Het fiasco van de Joint Strike Fighter lijkt het onderzoek van Paul Dunne te onderschrijven. Onlangs berekende de regering dat het project tot nu toe slechts 420 banen heeft opgeleverd, op basis van een investering van 1,4 miljard. Dat is ruim drie miljoen euro subsidie per baan.

Omdat wapens worden geassocieerd met dood en verderf is de Nederlandse defensie-industrie niet erg ingenomen met haar prominente plek op de lijst van het Sipri. Liever benadrukken fabrikanten hun positieve bijdrage aan de mondiale veiligheid. Op de vraag of zij zich schuldig voelt voor eventuele slachtoffers die gemaakt worden met de spullen van haar werkgever, antwoordt Marianne Mulder van Fokker het volgende: ‘Wij zijn een essentieel onderdeel in de bescherming van militairen op missie die in gevaarlijke situaties verkeren. Daar wil ik het bij laten.’

Is het ondanks dit negatieve imago toch mogelijk om een nette wapenhandelaar te zijn? Colijn: ‘Vroeger dacht ik dat wapenfabrikanten per definitie fout waren, nu ben ik daar wat milder in. Mensen hebben het recht zichzelf te verdedigen en dan zijn er kooplieden nodig die strijdmiddelen leveren.’

Ook woordvoerder Lars Wormgoor voelt zich niet verantwoordelijk voor wat er met de producten van Thales Nederland gebeurt, ook al heeft het bedrijf in de loop der jaren aan veel dubieuze regimes geleverd. ‘Het is niet aan ons om daarover te oordelen’, zegt Wormgoor. ‘Wat voor de één een vrijheidsstrijder is, is voor de ander een terrorist. Wij moeten een bedrijf draaiende houden. Het is prettig dat de ­overheid die keuzes voor ons uit handen neemt.’

Rest nog de vraag of Nederland in de toekomst zijn plaats in de top-tien van het Sipri zal behouden, nu de markt vanwege bezuinigingen wordt overspoeld door tweedehands wapens. Colijn vermoedt van wel. ‘De tussensector voor militaire onderdelen doet het heel goed. Het verbaast me hoe flexibel we daarin blijken te zijn. Ik denk al sinds het einde van de Koude Oorlog dat Nederland zal zakken op de ranglijst. Maar dat is nu, bijna 25 jaar later, nog steeds niet gebeurd.’