Wij pokeren en bloggen

Maarten Inghels, Waakzaam, € 19,95

Het kabinet projecteert live statistieken van onze misleidende decibels
maar tot groot ongenoegen weet men onze doelgroep niet te plaatsen,
bij de stresstest duiken wij consequent in het rood. De kranten beweren
dat wij het comaneuken en estafettebeffen bezigen, maar vooralsnog
weten wij van weinig. Wij gissen nu al dat wij ons later wegens plaats-
gebrek moeten beroepen of begraafbossen en verteerbare urnen.
Een van de meest uitgekauwde dogma’s van de symbolistische en modernistische literatuurbeschouwing stelt dat vorm en inhoud een organisch geheel behoren te zijn, in die zin dat elk vormaspect betekenis draagt en elk betekenisaspect tot uitdrukking komt in de vorm. Als we even afzien van het feit dat de definitie van zowel ‘vorm’ als 'inhoud’ problematisch is, moeten we vaststellen dat het dogma aantrekkelijk is. Bij een keurig opgebouwd sonnet verwacht je dat ook de gedachtegang een duidelijke structuur heeft, terwijl een gedicht over de chaos van een oorlog - denk aan Bezette stad van Paul van Ostaijen - om een exploderende bladspiegel vraagt. En mochten vorm en inhoud incompatibel zijn, dan kan dat juist een betekenisvolle spanning opleveren. Hoe dan ook, op willekeurigheid zitten de meeste lezers niet te wachten.
In Waakzaam speelt de Antwerpse dichter Maarten Inghels (1988) inventief met de vorm. Een deel van de gedichten vertoont een hybride typografie, die zich ergens tussen poëzie en proza beweegt, andere gedichten bestaan uit strofen van steeds hetzij vier, hetzij twee regels, terwijl Inghels ook vrijere vormen hanteert waarvan de opmaak direct als poëzie herkenbaar is. Gaan we mee in de eis dat vorm functioneel moet zijn, dan is dat in ruim de helft van Inghels’ bundel gelukt, en het lijkt mij geen toeval dat juist de meest gedreven gedichten de poëtische vorm het best uitbuiten.
Om met de rommel te beginnen: als veel andere dichters die van hun werk proberen te leven, laat ook Inghels zich graag verleiden tot gelegenheidswerk, en ook bij hem levert dat volstrekt overbodige teksten op. Het ergst zijn de gedichten bij Eenzame Uitvaarten, die ongeïnspireerd, eenduidig en moralistisch zijn. De publicatie van zulke niemendalletjes, hoe goed ze misschien ook gewerkt hebben bij de gelegenheid waarvoor ze geschreven werden, is een vergissing, want doet afbreuk aan de kracht van de rest van het boek.
Waakzaam begint en eindigt met breed uitwaaierende, sterk retorisch getoonzette tirades tegen de culturele en politieke uitwassen van ons tijdgewricht.
Doordat Inghels zich tot een authentieke woede weet op te zwepen, zijn deze bladzijden onredelijk, doeltreffend, fout en hilarisch, en dus effectief:

Graag breek ik de kaken open over:
het trekken van gekke bekken, karma, keyboards,
de windhanen met hun draaikonten, valse snaren, praatzieke zweef-
teven, de griepprik die dokters in dementerende bejaarden pleuren,
of: tweeverdieners die over kunst
praten bij het zien
van een manden vlechtend vrouwtje in Frankrijk.

Later in het gedicht, als je het zo mag noemen, identificeert de dichter zich met de samenleving die hij verafschuwt: 'Wij genieten van documentaires maar niet van natuurrampen als een vorm van esthetische ontspannening./ Wij geloven in sociaalnetwerkwebsites als de applausmeter van onze ambities.’ En: 'Wij schrikken dat onze buurman plots verborgen kelders bezit./ Wij hullen ons in de jas van de anekdotiek.’ Een reeks met de titel 'De revolte’ kan gelezen worden als oproep in opstand te komen, maar de 'confettigeneratie’ waartoe de spreker zegt te behoren verzet zich niet door middel van gerichte acties, maar door zich ongrijpbaar te maken: 'Wij pokeren en bloggen, niet omdat wij even nutteloos zijn als een wagenwieldop, neen, in deze era van schaamhaarschaamte en Hitlerthrillers zijn wij liever uw schuddebuikende mijnkanarie dan de narcose waaruit u huilend wakker schiet.’
Waar de maatschappelijke agitatie tot haar recht komt door de min of meer open vorm, die is opgetuigd met ronkende alliteraties, pakkende beelden en een hamerend visueel ritme, heeft Inghels in een reeks over een rampzalig verlopende liefde voor een strak keurslijf gekozen. De tien gedichten bestaan allemaal uit zeven strofen van twee regels, hetgeen een associatie met de sonnetten van Petrarca en Shakespeare rechtvaardigt. Maar Het abattoir van het afscheid is een beklemmend geheel, waarin bloed en ijs een dodelijk huwelijk aangaan. De geslotenheid van de vorm smeekt om verlossing, die niet komt. Wel weten de zinsconstructies de strofische vorm te frustreren, maar dat versterkt slechts de indruk dat de spreker zit ingemetseld in een onleefbare ruimte. Het begin van de liefde laat nog enige hoop toe:

Haar hartslag maakt vaak alles goed. Van de veel te grote
kamer maakt ze het eiland waarop het zand niet om zacht

te vallen ligt, maar om de tijd te tellen. Uit de hemel breekt
gauw een bed, voorspelt ze, waarin de jacht anders is.

Maar in het volgende gedicht is het al mis: 'Onder de tafel wintert het bij haar, erboven durven onze lippen niet meer// te synchroniseren.’ Met deze vrouw valt niet te leven, want haar 'eigen oorlog ensceneert ze meermaals per dag,/ net zoals ze handig is in het nabootsen van een ongeluk// en berucht is als loeiboei bij de ambulance’. De reeks eindigt met deze strofe:

In de balzaal van haar blikken heb ik haar ontmoet. En als
mijn hart daar wil smelten, kan ik haar verliezen als het moet.

Hoewel het relationele drama centraal staat, bevatten deze gedichten ook voldoende hints om ze lezen als evaluatie van het dichterschap. Het gedicht is een gesloten ruimte waarin woorden van uiteenlopend karakter het met elkaar moeten zien uit te houden, en soms loopt dat uit op een slachting. 'Mijn hart tikt dan wel’, zegt het gedicht, 'maar het klopt/ niet. Laat me bij de beul een abonnement nemen op asbest.’ De dichter noemt zichzelf 'de valse zanger, de blinde bard’. Een deel van Waakzaam maakt die claim ruimschoots waar.

MAARTEN INGHELS
WAAKZAAM
De Bezige Bij Antwerpen, 72 blz., € 19,95
uit: De confettigeneratie