
‘Als we een tank nodig hebben, krijgen we die’, zegt Sêvînaz Evdike. Het duurt even voor het tot me doordringt, maar het gaat over een legertank, die wordt geleverd door de Syrische Democratische Krachten (sdf), de strijdkrachten van het autonoom bestuurde noordoosten van Syrië, zodra de Rojava Film Commune er eentje nodig heeft. Ook voor strijders kunnen ze zorgen, voor helmen, uniformen, noem maar op: de sdf leveren graag een bijdrage aan het artistieke werk van het filmgenootschap. Maar eenrichtingsverkeer is het niet. ‘Zowel de sdf als wij zijn een deel van hetzelfde lichaam’, zegt Sêvînaz Evdike, een van de leiders van de commune, ‘namelijk van het zelfbestuur in Noordoost-Syrië. We doen beide ons uiterste best om het tot een succes te maken.’
We drinken koffie rond de petroleumkachel in het hoofdkwartier van de Rojava Film Commune, een groep van 24 mannen en vrouwen, verspreid over de steden Qamisşlo en Kobani en enkele plaatsen in Europa, die sinds 2015 onafhankelijke films maken. Vier van hen zijn net terug uit Beiroet, Libanon, waar ze naar de Nederlandse ambassade moesten om hun visa voor Nederland af te halen. Het consulaat in Erbil, in de Koerdische autonome regio in Irak, verstrekt alleen zakelijke visa, terwijl de filmers een cultureel visum nodig hebben omdat ze naar Nederland gaan voor het International Film Festival Rotterdam. Daar zal hun tweede speelfilm, The End Will Be Spectacular, zijn Europese première beleven.
Om ons heen wordt getimmerd en gezaagd. Een houthandel heeft latten geleverd waarvan grote frames worden gemaakt, waarop even later met een automatische nietmachine de filmposters van The End Will Be Spectacular worden bevestigd. Op sommige zijn stills uit de film te zien, andere zijn er Diyar Hesso impressies van, prachtig geschetst door de broer van een communelid die kunstenaar is. Zo zie je strijders in de straten van een Koerdische stad in Zuidoost-Turkije die rondom een vuur hun handen warmen en thee drinken. De stad om hen heen ligt in puin.
De première in Syrië staat op de rol voor de tweede week van januari. In het Koerdisch heet de film Ji bo azadiyê, ‘Voor de vrijheid’. Hij gaat over de stadsoorlog die eind 2015, begin 2016 woedde tussen het Turkse leger en de yps, een aan de pkk gelieerde jongerengroep, in Sur, het historische hart van Diyarbakır, de grootste Koerdische stad in het zuidoosten. ‘Bakur’ wordt dat deel van Koerdistan hier genoemd, oftewel ‘Noord-Koerdistan’. In andere steden in Bakur, zoals Cizre, Nusaybin en Şırnak, woedde een vergelijkbare strijd.
In de zomer van 2015 liep een toen twee jaar durend vredesproces tussen de pkk en de Turkse staat spaak. Verschillende gemeentes die werden bestuurd door de Koerdische partij hdp riepen daarop de autonomie uit – dat was immers waar het hun in het vredesproces om te doen was – waarop de yps de taak op zich nam die autonomie te verdedigen. De Turkse staat greep nietsontziend in. Volgens mensenrechtenorganisaties raakten daarbij honderdduizenden burgers op drift en kwamen er tussen de drie- en vierhonderd mensen om het leven; Human Rights Watch spreekt van ‘minstens 338’.
De scheidslijn tussen burger en strijder was niet altijd duidelijk te trekken. Burgers werden strijders, zoals ook in de film te zien is. Een jonge vrouw, Zilan, gaat daarin naar Sur om meer te weten te komen over de dood van haar broer, een strijder. De spanning in het stadsdeel loopt op. Als het geweld verder uit de hand loopt en in een regelrechte oorlog ontaardt, vecht ze als vanzelfsprekend mee. De jonge strijders maken geen schijn van kans met hun kalasjnikovs en raketten tegen het brute geweld van het leger. Ze worden steeds verder in het nauw gedreven. Over overgave piekeren ze niet.
Stel je bij dat hoofdkwartier van de Rojava Film Commune (Rojava betekent ‘west’, dus West-Koerdistan, het deel in Syrië) niet te veel voor. Het is een gebouw met een wilde tuin ervoor dicht bij het centrum van Qamişlo, de grootste stad in Noordoost-Syrië. Binnen zijn er vier kamers rondom een hal waar een kachel staat met banken en stoelen eromheen, een keuken en een kleine badkamer. De communeleden zijn het liefst onderweg. Ze maken films – tien documentaires inmiddels, een paar dozijn korte films en nu dan de tweede speelfilm – en reizen ermee de regio door om hun werk op zo veel mogelijk plekken te laten zien. Vaak aan kleine gezelschappen, zoals aan kinderen op lagere en middelbare scholen, of aan speciale groepen, zoals nabestaanden van omgekomen strijders.


Probleem voor de première: in het noordoosten van Syrië zijn er geen bioscopen. Die waren er wel, maar eentje is in onbruik geraakt en de andere is nu een bruiloftszaal. Zodra we ’s ochtends vertrekken uit Zakho in de Koerdische autonome regio in Irak, de grens met Rojava oversteken en Evdike’s telefoon het lokale signaal oppikt, breekt de week los. Evdike heeft zelf ook een korte film gemaakt – ze volgde een driejarige filmopleiding bij een cultureel centrum in Diyarbakır – maar is toch vooral degene die de Rojava Film Commune organisatorisch runt. ‘Dít is mijn leven’, zal ze later zeggen. ‘Met de groep on the road zijn, filmen en onze films aan de bevolking laten zien.’ Over hun aanstaande trip naar Europa, nadat er eindelijk een visumaanvraag werd gehonoreerd, zegt ze: ‘Het is tegenwoordig moeilijk om een Syriër te zijn. Iedereen ziet je als potentiële vluchteling. Maar ik wil nergens anders zijn dan hier.’
Eerste stop is het cultureel centrum Aram Tigran, genoemd naar een Armeense zanger die voornamelijk in het Koerdisch zong, in het stadje Derik. Of Ji bo azadiyê hier, in het zaaltje voor zo’n tweehonderd mensen waar een klein wit doek hangt, ook zal draaien, is nog niet helemaal duidelijk. Sêvînaz Evdike en ook anderen in de groep doen er wat vaag over.
Rumelan Diyar Hesso, filmmaker en -producent en in 2015 een van de oprichters van de commune, verklapt de datum pas als we al in Rojava zijn. Hij wilde niet dat het eerder op sociale media gedeeld zou worden. Hesso, blond haar, rustige uitstraling met dito lach en een bijna fluisterende stem: ‘We moeten er rekening mee houden dat IS een aanslag kan plegen of dat Turkije een aanval uitvoert. Daarom communiceren we de datum pas een paar dagen van te voren.’
De volgende stop is Rumelan, waar het cultureel centrum een zaal voor zeshonderd mensen herbergt. Het is de grootste zaal in de regio, met stoelen in licht beige, dezelfde kleur muren en op de achterwand portretten van Koerdische strijders die het leven lieten tijdens, onder andere, de strijd tegen IS. Op het podium staan enorme portretten van Abdullah Öcalan, geestelijk vader van de ideologie van de grassroots-democratie die in dit deel van Syrië sinds 2012 in de praktijk wordt gebracht, en van Mazlum Doğan, een medeoprichter van de pkk die in 1982 omkwam in de gevangenis van Diyarbakır. De achterwand van het podium wordt geïnspecteerd. Daar zal over drie dagen een wit doek moeten hangen.
Dat Turkije kan proberen de première van de film te voorkomen met wat welgemikt geschut, is niet ondenkbaar. De Turkse grens is dichtbij. De stadsoorlogen zijn een periode in Turkije’s recente geschiedenis waar Turkije geen aandacht voor wil, zéker niet als dat aandacht is vanuit Koerdisch perspectief. Op de laatste dag van 2019 zou Ji bo azadiyê in première gaan in Sulaymanya, de tweede stad in de Koerdische autonome regio in Irak. De gouverneur van de stad gaf de eigenaar van de bioscoop echter op het laatste moment te verstaan dat hij zijn zaal moest sluiten als de voorstelling niet werd afgelast.
Het is de derde film over de Koerdische strijd waarvan de vertoning in Sulaymanya door de plaatselijke autoriteiten is verboden. Dat daar Turkse druk achter zit, betwijfelt niemand. Iraaks Koerdistan is economisch afhankelijk van Turkije en kan maatregelen tegemoet zien als ze in de ogen van de Turkse president Erdogan niet genoeg doen om de pkk en andere organisaties die Öcalans ideologie volgen de wind uit de zeilen te nemen. Dat dat geen loze dreigementen zijn, bleek in 2018, toen Turkije het luchtruim maandenlang sloot voor vluchten naar de twee internationale vliegvelden in de regio en daarmee de lokale economie veel schade toebracht.


In de autonome regio in Noordoost-Syrië heeft Erdogan niemand om onder druk te zetten. Nou ja, druk is er natuurlijk wel, maar die is niet economisch of politiek, maar militair. Sterker nog: het is nog maar drie maanden geleden dat het Turkse leger de autonome regio in Noordoost-Syrië binnenviel, samen met de huurlingen van het inderhaast opgerichte Syrische Nationale Leger, een samenraapsel van plaatselijke, in meerderheid jihadistische groepen waaronder ook voormalige IS-strijders.
Ook Qamişlo werd aangevallen, maar het meeste geweld had verder naar het westen plaats, tussen Serekaniye en Tal Abyad, twee steden die Turkije en de jihadisten nu in handen hebben. Erdogan dreigde ook andere delen van de autonome regio over te nemen, maar vooralsnog lijkt de Turkse honger voor even gestild. Nu het gebied tussen Serekaniye en Tal Abyad is ingenomen, is Kobani, dat ten westen daarvan ligt, niet meer zo makkelijk bereikbaar vanuit het oostelijk deel van de autonome regio. Reden waarom er deze week geen voorstelling in Kobani zal zijn maar pas half februari, als de film een uitgebreidere tour maakt door de regio.
Hoe de regio er dan voor zal staan, blijft gissen. De Rojava Film Commune heeft geleerd flexibel te zijn. De première was eigenlijk voor november vorig jaar gepland in Kobani, maar moest worden afgelast wegens de Turkse inval. Militair is er nu sprake van een wankel evenwicht. De sdf gingen samenwerken met het Syrische regeringsleger, die nu troepen heeft gelegerd aan de Turkse grens (maar niet in de steden) om verdere Turkse agressie te stoppen.
De Syrische president Bashar al-Assad maakt er al jaren geen geheim van dat hij de volledige controle over Syrië terug wil en dus ook over het noordoosten van het land, maar voorlopig lijkt dat er niet in te zitten. De sdf beschikken over tienduizenden zeer gemotiveerde strijders, terwijl de Syrische regeringssoldaten vaak dienstplichtigen zijn zonder motivatie. Hoe de verhoudingen liggen, blijkt uit een verhaal dat verschillende mensen in de regio delen: de sdf hebben afgedwongen dat zij de bevoorrading van de regeringssoldaten verzorgen, omdat ze niet steeds Syrische militairen door sdf-gebied willen zien trekken. Een bron zegt: ‘De Syrische soldaten wisten aanvankelijk niet of het voedsel dat ze van de sdf kregen voor een dag was of voor een week.’
De sdf proberen met Damascus in gesprek te blijven over een overeenkomst. De kans dat Assad zal toegeven aan de veruit belangrijkste eis, erkenning van de huidige autonomie voor Koerden en de andere bevolkingsgroepen in het noordoosten, lijkt echter minimaal. Wel kan de moord op de Iraanse generaal Qassem Soleimani door de VS begin januari de verhoudingen gunstig hebben beïnvloed voor de autonome regio: de invloed van Iran, die altijd tegen Koerdische autonomie is vanwege de opstandige Koerdische bevolking in eigen land, is erdoor verminderd en die van Rusland, dat minder negatief staat tegenover het Koerdische experiment, juist vergroot.
Sêvînaz Evdike – dik lang donker haar, een kleine donkergroene traditionele Koerdische tattoo onder haar mond, een schaterlach – komt uit Serekaniye. Veel bewoners, vooral de Koerdische maar ook Arabische die een rol speelden in het autonome bestuur van de stad, vertrokken halsoverkop toen de aanval op 9 oktober begon. Ook Evdike’s familie vluchtte weg. Eerst naar Haseke, een stuk oostelijker en verder van de grens, maar al snel stelde een bevriende familie in Qamişlo een huis ter beschikking. Daar verblijven ze nu.
Ze vertelt over een oom die altijd als een vader voor haar was. Hij streed in Serekaniye tegen het Turkse leger en de huurlingen en moest het met zijn leven bekopen. Een foto van zijn levenloze lichaam bereikte de familie, maar door het oorlogsgeweld lukte het niet hem de stad uit te krijgen en hem een waardige begrafenis te geven. Van achterblijvers hoorde ze dat het zogenoemde Nationale Syrische Leger verdeeld is en de verschillende facties soms met elkaar strijden om controle over delen van de stad. Het doet pijn, maar ze zegt: ‘Ons autonome bestuur is voor ons het allerbelangrijkst. Dat móet blijven bestaan. Als we daarvoor een stad moeten opgeven, het zij zo.’
Het lijkt nogal surrealistisch om stug door te gaan met films maken en omstandigheden scheppen om die te vertonen, terwijl ruim honderd kilometer westelijker Turkse troepen huishouden. Tijdens het Turks-jihadistische offensief zijn tienduizenden bewoners, vooral Koerden, op de vlucht geslagen en kwamen zeker tweehonderd burgers om. De bevolkingssamenstelling zal nog verder veranderen door Turkije’s plan om Syrische vluchtelingen in het gebied te huisvesten. Een soort etnische zuivering.
‘We zijn opgegroeid in een samenleving waarin niemand opgaf’, zegt Sêvînaz Evdike. ‘Mijn vader was twintig jaar politiek actief, hij werd gezocht door het regime en was niet vaak thuis. Mijn moeder had het moeilijk maar ze ontwikkelde zichzelf en gaf ons mee dat we nooit moesten opgeven. Toen ik me eens zorgen maakte om mijn broer, die nog niet thuis was terwijl het regime, in 2004, Koerden aan het vermoorden was, vroeg mijn moeder wat mijn broer dan moest doen volgens mij. Thuisblijven? Stilzitten?’
Zeker, ze ziet een parallel met de strijders in Sur die door blijven vechten, zelfs als ze zwaar gewond zijn, ook al is allang duidelijk dat ze het onderspit zullen delven. ‘Turkije is dichtbij’, zegt ze, ‘maar als we niets doen, komen ze nog dichter bij en nemen ze het hier over. Dat is geen optie, we moeten verdedigen waar we in geloven en waar we van houden. Ik hoor bij deze revolutie, ik wil er onderdeel van zijn en met films helpen het moreel van mijn mensen hoog te houden.’
‘We gaan een wit doek regelen’, zegt Diyar Hesso op de ochtend na onze aankomst in Rojava. Hij en Hogir Qulan, die een dag eerder het timmeren en zagen in goede banen leidde, springen in de auto en rijden naar het bedrijventerrein van Qamişlo. Het heeft geregend de afgelopen dagen en de half-verharde straten, waarlangs tientallen kleine bedrijfjes gevestigd zijn, zijn in modderpoelen veranderd. Het wekt bevreemding dat Qulan de auto stopt voor een oudijzerhandel, waar stellingkasten en een binnenplaats zijn volgestouwd met meer of minder roestige onderdelen. De eigenaar weet precies wat waar ligt. Hogir Qulan kiest twee tandwielen met een doorsnee van zo’n tien centimeter. Elders wordt een ijzeren pijp van zes meter op de kop getikt.
Daarna verder naar de smid, een paar modderpoelen verderop. De tandwielen passen niet lekker om de pijp, andere worden opgescharreld en Qulan legt de smid uit wat de bedoeling is. Die tandwielen moeten aan de uiteinden van de pijp worden gesoldeerd en dan weer worden bevestigd aan een ophangsysteem van stevige hendels met gaten erin voor flinke bouten. De pijp moet om zijn as kunnen draaien. De smid gaat geconcentreerd aan de slag. Jonge jongens, leerling-smeden, assisteren hem.
Een paar uur later hebben Hesso en Qulan precies wat ze willen. Terug in het hoofdkwartier hebben anderen bij de drukkerij die ook de filmposters leverde een wit doek van drie bij zes meter gekocht. Echt filmdoek is het natuurlijk niet, maar dit komt het dichtst in de buurt. Er wordt even iets gegeten terwijl weer andere leden van de commune het ijzeren ophangsysteem buiten in de tuin snel zwart spuiten. Daarna, hop, boven op een busje ermee en op weg voor de laatste etappe: van Qamişlo zuidoostwaarts naar Rumelan, een rit van bijna anderhalf uur. Door het donker.
Het witte doek wordt voorzichtig uitgespreid op de grond van het podium in de premièrezaal. Hogir Qulan schroeft het vast aan de pijp terwijl anderen het behoedzaam vasthouden. Daarna wordt het doek voorzichtig om de pijp gerold, terwijl twee mensen met hun sjaals stof en aarde van het doek slaan.
Is er een ladder? Ja, maar die is niet hoog genoeg. Hogir Hesso gebruikt hem om op het houten framewerk aan de achterkant van de achterwand van het podium te klimmen. Schroeven, bouten, moeren, balanceren. Daarna kan het werk aan de voorkant worden afgemaakt. Een stelling op wieltjes wordt vanuit de coulissen in positie gereden, Qulan, Hesso en een van de anderen in de groep, Şêro Hindê (die een klein rolletje heeft in de film), klimmen erop, krijgen het filmdoek aangereikt en schroeven het vast. Daarna volstaat een rukje aan het doek: met een doffe klap rolt het uit. Het veert een paar keer terug en hangt dan stil, kaarsrecht en spierwit. Op de stelling en op het podium wordt gedanst.
Die avond overnachten we bij een familie in de buurt. Op de vraag of het hele gevaarte de dag na de première terug moet voor de voorstelling in Qamişlo, zegt Diyar Hesso: ‘Nee, Qamişlo krijgt een eigen scherm. We maken er morgen nog zo eentje.’


De Rojava Film Commune heeft niet alleen als doel films te maken, maar vooral ook om de filmcultuur te doen herleven die er ooit was. Wie denkt dat die vooral door de Syrische oorlog in het gedrang kwam, kent de geschiedenis van de Koerden niet. In november 1960 dirigeerden de Syrische autoriteiten alle schooljongens in de Koerdische stad Amude, dertig kilometer ten westen van Qamişlo, naar de bioscoop. Er draaide een film over de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd die ze verplicht waren te zien. De bioscoopeigenaar waarschuwde dat de projector soms oververhit raakte en het misschien niet aankon, een paar voorstellingen draaien op één dag. De capaciteit van de zaal was bovendien te klein. De autoriteiten zetten door. Er brak brand uit, het dak van hout en stro vatte vlam en daalde neer op het publiek; 238 jongens kwamen om, de meeste jonger dan veertien jaar.
Het Syrisch-Koerdische hart ligt sindsdien niet meer zo bij film, zeker niet omdat de Koerdische identiteit in de decennia na het drama, onder de huidige dictator Assad en daarvóór zijn vader, geen enkele ruimte kreeg. Binnen het democratische experiment in Rojava heeft cultuur echter een belangrijke plek, reden waarom het eigen ministerie van Cultuur de Rojava Film Commune financiert.
Van het geld worden niet alleen films gefinancierd, maar ook projecten met studenten van de kunstacademie die zo ervaring kunnen opdoen met het maken van korte films en documentaires. De filmdoeken die deze week zijn gemaakt voor Rumelan en Qamişlo, blijven hangen voor toekomstig gebruik door wie maar wil. Alle voorstellingen zijn gratis toegankelijk.
Invloed op de inhoud van de films heeft het ministerie niet, zegt Diyar Hesso. ‘Elk instituut in Rojava is op zichzelf autonoom. Niemand bemoeit zich met ons.’ Waarom een film is gemaakt over de stadsoorlog in Sur? Ersin Çelik, de regisseur van de film: ‘Over de strijd in Sur is vrijwel niets naar buiten gekomen. Geen filmpjes of geluidsopnames, zoals die er wel zijn van de strijd in Cizre. Ook de slag om Kobani in 2014 is vastgelegd. Als machthebbers iets proberen te vernietigen, zul je je als intellectueel, als revolutionair, als filmmaker moeten verzetten, want als de vernietiging eenmaal is voltooid, is het te laat.’
Ersin Çelik komt uit Turkije. Uit Malatya, net buiten het gebied dat tot Koerdistan wordt gerekend en waar de bevolking gemengd is: Koerden, Turken, veel Alevitische Koerden. Hij heeft jaren als journalist gewerkt en schreef een serie van drie boeken over het democratisch experiment in Rojava. Uiteindelijk werd de grond hem in Turkije te heet onder de voeten en week hij uit naar de Koerdische autonome regio in Irak, waar hij nu in Sulaymanya woont.
Zijn korte krulhaar gaat verstopt onder een donkerrood mutsje of onder een gebloemde Koerdische sjaal met kraaltjes. Hij lijkt geen prater, maar zodra je een vraag stelt, neemt hij de tijd. Hij betrekt het Turkse verleden in zijn verhaal: ‘Achteraf wordt altijd gezegd dat de vernietiging niet had moeten gebeuren, maar waarom hébben we het dan laten gebeuren? De massamoorden op de Armeniërs en Assyriërs een eeuw geleden, voltrokken zich op de grond waarop ook wij leven. Daarom rouwen wij niet om wat er is gebeurd, daarom zeggen wij geen gebeden op aan de graven maar maken we films.’
Diyar Hesso legt uit dat films, en cultuur in het algemeen, volgens de filosofie van de Rojava Film Commune een veel bredere functie heeft: ‘Aan de ene kant zijn onze films een reactie op hoe veel internationale media de Koerden neerzetten: als een arm, ongeschoold maar mooi volk dat heroïsch vecht tegen IS. De staten in de regio verspreiden weer het narratief dat we terroristen zijn. Het lukt slechts enkele journalisten die naar Koerdistan komen om boven beide frames uit te stijgen. Daarom maken wij films vanuit het perspectief van de mensen hier.’
‘Aan de andere kant’, gaat Hesso verder, ‘is kunst de kern van sociale vooruitgang. Kunst vormt de identiteit en het karakter van een volk. Door kunst weten we wat verliefdheid is voordat we het voelen. We horen over heldendom, over de waarde van vriendschap, over opoffering via films en literatuur. Zo dragen onze films bij aan de vorming van de identiteit van de Koerden, die door onze internationale vrienden worden erkend als moedig, tot offers bereid, antiracistisch, noem maar op. Die identiteit is gevormd door de decennialange strijd.’
De zaal in Rojava is tot de laatste plek gevuld, voor een paar laatkomers is er alleen nog plaats op de trappen tussen de rijen stoelen. Waar het Öcalan-portret stond, prijkt nu de filmposter – Öcalan staat in de coulissen. De film duurt twee uur en twintig minuten (de versie op het International Film Festival Rotterdam was een half uur korter). Applaus barst even los na een zenuwslopende scène waarin een van de strijders, Dicle, zich lijkt over te geven aan het Turkse leger en haar dagboek met informatie over haar kameraden aan de commandant overhandigt. Terwijl Dicle wordt afgevoerd voor verdere ondervraging, opent de commandant het dagboek – dat met een enorme knal ontploft.
Bij de aftiteling, waar het aantal doden onder de strijders wordt vermeld, roept iemand in het publiek ‘Şehit namirin! Şehit namirin!’ ‘Martelaren zijn onsterfelijk.’ De hele zaal doet mee. Vooral kameraad Çiyager, die door de pkk naar Sur werd gestuurd om de strijd te coördineren en die in de nadagen van de strijd stierf, heeft zijn plek als held in de Koerdische geschiedenis ingenomen. Regisseur Ersin Çelik las dagboeken van yps’ers die meevochten in Sur en sprak met twee overlevenden die zichzelf spelen in de film. Maar de oorlog, benadrukt hij, verliep niet precies zoals in Ji bo azadiyê. ‘Het is een film, geen documentaire. Voor mij was het personage Yilmaz belangrijk, vanwege één zin die ik tegenkwam in een dagboek over de motivatie van de jongeren om tot het laatst te blijven vechten tegen de Turkse overmacht: “Je kunt niet zomaar mijn huis binnenkomen.” Vanuit die zin zijn we zijn karakter en de film gaan uitwerken.’
Een aantal strijders in de film is in het dagelijks leven ook strijder. Niet alleen overlevenden van de stadsoorlog in Sur speelden mee, ook twee hoofdrolspelers van elders hebben ervaring aan het front. De man die Yilmaz speelde, vocht in de slag om Kobani, waarbij de Koerden eind 2014 voorkwamen dat IS de stad overnam. De man met de rol van commandant Çiyager, Rubar Şervan, kwam naar de filmset, in 2017 zorgvuldig opgebouwd in Kobani en nauwelijks van het echte Sur te onderscheiden, vanaf het front ten noorden van Raqqa dat toen nog onder IS-controle stond. Hij vertrok na de strijd tegen IS naar de bergen in Iraaks Koerdistan, waar de pkk haar hoofdkwartieren heeft. Daar kwam hij vorig jaar in de herfst om bij een Turks bombardement.
Het blijft niet bij de twee geplande voorstellingen. Er komt een derde voor studenten aan de universiteit van Qamişlo, dan nog eentje in een enorme bruiloftshal in Hasake. Als we erheen rijden, verzoekt Diyar daar vooral níet over te twitteren: als het nieuws over de vertoning zich verspreidt, komen er misschien meer mensen dan er stoelen zijn. Uitnodigingen zijn mondeling verspreid via de plaatselijke jongerenorganisatie, een culturele vereniging en een organisatie van families van martelaren. Er komen zo’n tweehonderd mensen opdagen.
Een dag later, op weg terug naar de grens met de Koerdische autonome regio in Irak, is er nog een voorstelling in het kleine zaaltje in Derik. Regisseur Çelik laat bij geen voorstelling verstek gaan. In Derik loopt hij even de zaal in. Als hij terugkomt, grinnikt hij: iemand in het publiek stond op en de halve zaal protesteerde luid – niemand wilde ook maar één scène missen. Waarom gaat hij eigenlijk elke keer mee, terwijl hij al die uren alleen maar zit te wachten tot de film is afgelopen? De vraag blijft blijkbaar door zijn hoofd spoken, want hij komt er later op terug: ‘Als je een geliefde hebt, kun je diegene bloemen sturen. Ik vind het mooier de bloemen persoonlijk te bezorgen.’