Nederlandse verpleegsters in de Spaanse Burgeroorlog

‘Wij waren géén Florence Nightingale’

Deze maand tachtig jaar geleden begon de Spaanse Burgeroorlog. Onder de zevenhonderd Nederlandse vrijwilligers die meestreden tegen Franco zaten twintig vrouwen, veelal verpleegsters. Wat motiveerde hen?

Medium opening04 verpleegsters onteniente 20groter

Met een rode bloem in haar knoopsgat stond Dinie te wachten op een verlaten perron in Toulouse. De bloem was het herkenningsteken voor de man die haar zou ophalen. Hij bracht haar in het pikkedonker naar een terrein dat een clandestien vliegveldje bleek te zijn. Midden in de nacht vertrokken ze en tegen de ochtend kon Dinie de toppen van de Pyreneeën al zien. Ze landden in Barcelona, vanwaar de reis vervolgde naar Albacete. Met een postauto legde ze de laatste 150 kilometer naar haar eindbestemming af: het hospitaal in Murcia.

Ten slotte was Dinie dan toch op de plek van bestemming gekomen. Anders dan de meeste Nederlandse verpleegsters reisde ze alleen, want toen ze zich aanmeldde bij de Commissie Hulp aan Spanje was er net een groep vertrokken. Dinie werd geadviseerd op eigen gelegenheid naar Parijs te gaan en daar te wachten op een mogelijkheid om naar Spanje door te reizen. Die kwam. Na een tiendaags verblijf in Parijs kreeg ze te horen dat ze de trein naar Toulouse moest nemen.

Dinie Heroma (1907 – sterfdatum onbekend) was een van de Nederlandse verpleegsters die in de tweede helft van de jaren dertig naar Spanje gingen om aan de zijde van de Spaanse Republiek te helpen in de strijd tegen Franco, waarbij de Republiek in 1939 het onderspit zou delven. In totaal vertrokken ongeveer zevenhonderd Nederlanders, onder wie een twintigtal vrouwen. Hun verhalen maken nauwelijks deel uit van het Nederlandse collectieve geheugen. Dat er ook vrouwen naar Spanje gingen en dat een groot deel van hen later in Nederland hun verzet tegen het fascisme voortzetten tijdens de Tweede Wereldoorlog is nog minder bekend. Maar aan die onzichtbaarheid komt nu een einde.

Na een lange periode van stilte rondom de Spaanse Burgeroorlog en de daarin strijdende Internationale Brigades is er onlangs, in samenwerking met het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, een voor het publiek toegankelijke database gelanceerd met biografische informatie van ruim zevenhonderd mannen en vrouwen die hebben deelgenomen aan de Spaanse Burgeroorlog. Wie waren die vrouwen? Wat motiveerde hen de lange tocht naar Spanje te ondernemen? En hoe verging het ze na terugkomst in Nederland?

Het was met name de Communistische Partij Nederland (cpn) die steun aan de Spaanse Republiek bepleitte. De partij zag de opmars van Franco als een internationaal fascistisch complot dat alle Europese democratieën bedreigde. Naar schatting meer dan de helft van de zevenhonderd Spanje-strijders was dan ook communist of had communistische sympathieën. De rest was sociaal-democraat, links-socialist of anarcho-syndicalist. Een kleine minderheid was partijloos. De verschillende politieke gezindten waren ook onder de Nederlandse verpleegsters terug te vinden.

Voor een aantal verpleegsters waren de verhalen van joodse en politieke vluchtelingen uit nazi-Duitsland met wie ze in die jaren in contact kwamen een belangrijke motivatie om aan de strijd in Spanje deel te nemen. Dat gold ook voor Trudel van Reemst-De Vries (1914- 2007) die behalve communist ook joods was en zich daardoor misschien nog wel meer bewust was van het gevaar dat aan de oostgrens dreigde. Toen ook Spanje door het fascisme werd bedreigd vond ze dat ze iets moest doen. Haar altijd kalme vader sloeg voor het eerst van zijn leven met de vuist op tafel toen ze haar besluit om naar Spanje af te reizen vertelde. Hij zei: ‘Je gaat niet.’ Maar haar moeder verzuchtte: ‘Als Trudel dit in haar hoofd heeft, ben ik bang dat wij haar niet kunnen tegenhouden.’ Hoe belangrijk het politiek engagement voor Trudel was, blijkt uit het feit dat ze uitdrukkelijk afstand nam van de verpleegster bij uitstek, Florence Nightingale, die de personificatie werd van de ziekenzuster wier toewijding geen grenzen kende. ‘Wij waren geen Florence Nightingale’, zegt ze met klem. Haar besluit om naar Spanje te gaan werd ingegeven door haar politieke idealen en haar zorgend beroep was ‘slechts’ de vlag waaronder ze deze kon verwezenlijken.

Medium 05 ambulance

Net als voor Trudel waren voor Dinie de politieke ontwikkelingen in nazi-Duitsland de belangrijkste redenen om te sympathiseren met de Spaanse Republiek. In een interview, waar ze met tegenzin haar medewerking aan verleende omdat ze vond dat ze niets te vertellen had, zei ze dat haar ouders, die in een groot huis aan de Minervalaan in Amsterdam woonden, tijdelijk onderdak gaven aan joodse vluchtelingen. ‘Ik werkte als verpleegster in Leiden, maar op mijn vrije dagen kwam ik naar huis. Daar werden de gesprekken beheerst door de vreselijke situatie in Duitsland. Met de opstand van Franco werd steeds duidelijker dat het fascisme zich als een inktvlek over Europa dreigde uit te breiden.’

Dinie, uitdrukkelijk geen communist, begon geld in te zamelen voor de Commissie Hulp aan Spanje, dat met financiële, materiële en medische hulp de Republikeinen trachtte te steunen. Op een gegeven moment kwam ze aan de deur bij een mevrouw die zei: ‘Waarom gaat u er eigenlijk zelf niet naartoe?’ Een beslissend moment dat Dinie aan het denken zette.

Trijn Hulleman (1895-1970) had haar besluit al eerder genomen. Ze was in oktober 1936 met een door de Commissie Hulp aan Spanje georganiseerde ambulancevliegtuig met de eerste groep uitgezonden medisch personeel naar Spanje vertrokken. De sociaal-democratische Trijn sprak zich al in haar jonge jaren uit over de sociale misstanden in de samenleving en was politiek geëngageerd. Toen ze in de krant de oproep zag van de Commissie Hulp aan Spanje, had ze niet geaarzeld.

Frederike (Freddy) van Dordrecht (1908-1997) was al op jonge leeftijd gegrepen door het communistische ideeëngoed en leefde onder het motto ‘als je ziet dat er iets mis is, moet je er wat tegen ondernemen’. Het zou de reden zijn geweest dat ze haar baan als leerling-verpleegster in het Leidse ziekenhuis had verloren. Haar superieuren zaten niet te wachten op een werkneemster die haar politieke opvattingen niet onder stoelen of banken stak en die bovendien nog eens samenwoonde met een man waar ze niet mee getrouwd was. Het ontslag betekende concreet dat Freddy niet naar Spanje kon, want zonder verpleegstersdiploma kwam ze niet in aanmerking. Ook de Spaanse consul, bij wie ze als hulp in de huishouding was gaan werken in de hoop dat hij haar een visum zou verschaffen, bleek niet bereid zijn huishoudster van de benodigde papieren te voorzien.

Soms hadden de verpleegsters niet meer dan een tent waarin operaties onder carbidlampen werden uitgevoerd

Zonder baan, zonder relatie (die was inmiddels stukgelopen) en zonder vooruitzicht naar Spanje te kunnen zat Freddy behoorlijk in zak en as. Tot ze van een partijgenote over een inzamelingsactie voor Spaanse kinderen hoorde. Het was het begin van Zorg voor het Spaanse Kind, een organisatie die een kinderkolonie zou opzetten in het Spaanse Picaña en waarvoor een Nederlandse vertegenwoordigster werd gezocht. Zo kwam het dat ze uiteindelijk toch, in haar eentje, met de trein via Parijs naar Spanje reisde.

Trudel ging in april 1937. Samen met vijf verpleegsters en één verpleger vertrok ze met de trein van Den Haag Holland Spoor naar Parijs om van daaruit de lange reis naar Spanje voort te zetten. Het clubje was van gemengde politieke gezindte. Trudel, Jo Bovenkerk, Jenny Schaddelee-Timmerman en Ans Blauw waren communist, Noor Diamant en Simon d’Ancona sociaal-democraat en Maatje Huizinga was een Rozenkruiser.

Medium 06 hulleman eerste bezoek barcelona

Voor Jenny (1907-1999) speelde naast haar antifascistische, communistische overtuiging het verlies van haar twee maanden oude zoontje mee in haar besluit om naar Spanje af te reizen. Hij had een aangeboren hartafwijking. Ziek van verdriet en inmiddels ook zonder baan hoopte ze in Spanje nuttig werk te kunnen doen en haar leven weer op de rails te krijgen. Haar man, Tim Timmerman (1909-1938), ging ook naar Spanje. Hij sneuvelde in 1938 aan het front.

Maatje was in het gezelschap dat in april vertrok een vreemde eend in de bijt. Ze had de advertentie van de Commissie Hulp aan Spanje gelezen en meldde zich min of meer impulsief aan. Net als veel andere gediplomeerde verpleegsters hing haar als gevolg van de economische crisis van de jaren dertig ontslag boven het hoofd; ziekenhuizen namen liever goedkopere leerling-verpleegsters in dienst. Deze economische onzekerheid speelde mee in haar beslissing om naar Spanje te gaan. Daarnaast ging ze uit hulpvaardigheid en was ze ‘sowieso antifascist!’. Maar met het vuur van haar medeverpleegsters van wie de vuisten omhoog gingen bij het horen van ‘No pasaran!’ (‘Ze komen er niet door!’), de bekende strijdkreet van Dolores Ibárruri (1895-1989), beter bekend als La Pasionária, kon ze niet zoveel. Voor haar was het opzwepende verbale vertoon van La Pasionária, die vanaf 1936 onvermoeibaar een appèl op ‘haar’ antifascistische kameraden van over de hele wereld bleef doen, te veel van het goede. >

Het clubje waarmee Trudel reisde, kwam midden in de nacht aan in het toen nog niet operatieve hospitaal in Onteniente, gehuisvest in een verlaten klooster met ruimte voor honderden bedden. Ze werden opgevangen door drie Spaanse verpleegsters, die alsmaar ‘ay qué sympáticas’ gilden, ‘wat een aardige meiden’. Trudel antwoordde dan ‘si si partido communista’, omdat ze dacht dat de meisjes ‘sympathisanten’ bedoelden. De volgende morgen leerde het groepje dat er al een aantal artsen uit Italië was, een stuk of wat chirurgen en ongeveer dertig Pools-joodse meisjes die een ehbo-cursus hadden gevolgd. Na enkele maanden in Onteniente gewerkt te hebben, vertrokken de meeste Nederlandse verpleegsters naar andere hospitalen, volgens Jo uit onvrede over de hooghartige opstelling van artsen tegenover de verpleegsters en patiënten. Het werken volgens de traditionele hiërarchische verhoudingen stuitte de strijdsters van een samenleving waarin iedereen gelijk was tegen de borst. Alleen Maatje bleef.

Noor Diamant (1912-1987) trok met een veldhospitaal mee met het front, van het ene dorp naar het andere. Zelden bleven ze langer dan twee weken op dezelfde plek. Als hospitaal werd vaak een huis, klooster of school gebruikt. Soms hadden ze niet meer dan een tent waarin operaties onder carbidlampen werden uitgevoerd. De omstandigheden waren veelal zeer primitief en er was altijd gebrek aan alles, voornamelijk aan beddengoed en verband. Zware gevallen werden direct geopereerd, de andere gewonden werden zo snel mogelijk naar de hospitalen in het veiliger achterland getransporteerd. Het werk in het veldhospitaal was bijzonder zwaar en soms werkte Noor dagen achtereen zonder pauzes. Maar ze lette niet op de vermoeidheid, ‘je weet dat het niet anders kan en dat er een tijd komt dat het weer rustiger is’.

Trudel was een van de verpleegsters die vanuit Onteniente in Villanueva de la Jara terechtkwam, een plaatsje vijftig kilometer ten noorden van Albacete. Hier was een oud landhuis ingericht als hospitaal, de woonkamers en de graanzolders dienden als ziekenzalen. Er konden 250 patiënten worden opgenomen. Het ziekenhuis was een van de nationale ziekenhuizen die door de Internationale Brigades werden opgericht en werd bekend als ‘Hollands hospitaal’. Hoewel in het ziekenhuis ook Spaanse patiënten werden verpleegd, probeerde men zoveel mogelijk patiënten van dezelfde taalgroep op te nemen. Het idee erachter was dat een gemeenschappelijke taal de genezing zou bevorderen omdat de patiënten met elkaar konden praten over hun ervaringen. Een prettige bijkomstigheid was dat het thuisfront inzamelingen kon houden voor het ‘eigen’ hospitaal.

In dit hospitaal leerde Trudel de communistische arts Theo van Reemst kennen. Theo werkte aan het front bij de troepen van de Internationale Brigades, maar moest vanwege tyfus en geelzucht in het Hollands hospitaal behandeld worden. Daar viel zijn oog al snel op Trudel. Binnen een jaar was het paar getrouwd. Het huwelijk werd ingezegend door de plaatselijke burgemeester. Het was bepaald niet de enige liefde die in Spanje opbloeide. To (Tonny) Kraay (1906-1960) raakte in Spanje zwanger van de Amerikaans-Hongaarse strijder Sandor Voros. In mei 1938 keerde zij, bijna acht maanden zwanger, liftend naar Nederland terug om te bevallen van haar dochter. Jo (1905-2005) beleefde maar liefst drie liefdes, waarvan één een beetje tegen wil en dank. ‘Maar je was jong en het was oorlog en die jongens moesten weer naar het front’, zei ze terugblikkend.

Medium 07 wijwerkteninspanje1

In feite waren de internationale brigadisten de pioniers op het gebied van gezamenlijke oorlogvoering die later in de Tweede Wereldoorlog veel grootschaliger in de praktijk zou worden gebracht. Dat dit problemen met zich meebracht mag duidelijk zijn. Aan het front en in de hospitalen was het niet anders. Hennie Peeks (1906 – sterfdatum onbekend) vertelde dat de verpleegsters, zeker in hun begintijd in Spanje, vaak niet verstonden wat de arts zei. De meesten spraken nog geen woord Spaans en het Frans dat zij op school hadden geleerd was bij lange na niet voldoende om zich ermee te redden. Het volgen van Spaanse lessen zou de situatie in de loop van de tijd enigszins verbeteren.

Ondanks de honger stonden patiën­ten en personeel graag eten af aan de hongerige kinderen uit de omgeving

De internationale diversiteit leidde ook tot grappige situaties. Zo verhaalt Hennie hoe ze ’s nachts tijdens een ronde gesteun uit een zaal hoorde komen. Ze zag een gewonde rechtop in bed zitten. Er was net een nieuw transport aangekomen en ze kende deze patiënt niet. Ze vroeg hem, op goed geluk in het Frans, wat er aan de hand was. Hij vertelde haar, ook in het Frans, dat zijn voet pijn deed. De volgende avond wist ze niet meer zo gauw in welke taal ze hem had aangesproken en vroeg ditmaal in het Duits wat eraan scheelde. Ze kreeg antwoord in het Duits. Weer een dag later kwam ze nog even bij hem kijken, naast hem lag een Vlaming met wie ze een praatje maakte. ‘Wat!’ riep de patiënt uit, ‘spreek je Hollands? Nu, ik ook hoor!’

In de hospitalen werkten veel Spaanse meisjes die vaak ongeschoold of zelfs analfabeet waren. Een van hen hielp Trudel op de ziekenzaal. Omdat Trudel druk was, liet ze dit meisje de temperatuur van de patiënten opnemen. Ze deed het een keer voor, nam de temperatuur van een patiënt op, 38,5 graden, en noteerde dit. Vervolgens gaf ze de thermometer aan het Spaanse meisje. Na een poosje keerde deze trots terug, ze was klaar. Toen Trudel ging kijken, bleek dat alle patiënten 38,5 graden hadden. Wat bleek? Het meisje kon niet lezen en schrijven en had netjes nagetekend wat Trudel had voorgedaan.

Het werk in de hospitalen was niet alleen zwaar, uit brieven van de verpleegsters naar het thuisfront blijkt dat er ook nog eens aan alles een tekort was. Het ontbrak de verpleegsters vaak aan de eerste benodigdheden, zoals linnen voor schone bedden en zeep om de vuile gewonden van het front mee te wassen. Maar het ergste, zo vertelde Ans (1908-1973) in een brochure van de Commissie Hulp aan Spanje, was toch wel de strijd om de magen gevuld te krijgen. Later in de oorlog werd dit alsmaar moeilijker. Maar ondanks de honger stond volgens Ans iedereen – patiënten en personeel – graag wat bonen en erwten af aan de hongerige kinderen uit de omringende dorpen die evenzeer te lijden hadden onder het oorlogsgeweld. Dat kwam soms heel dichtbij.

Ans zal nooit vergeten hoe haar hospitaal onder vuur werd genomen. Een muur spleet en de stukken kalk en scherven vlogen door de zaaltjes. Tijd voor dekking was er niet. De bedden van de patiënten vlak bij de ramen werden snel weggehaald en iedereen werd toegedekt met de lakens en spreien die voorhanden waren, om te voorkomen dat er door de rondvliegende glasscherven slachtoffers vielen. ‘O, welk een woede laaide in me op toen de barbaren hun bommen uitstrooiden over deze weerloze zieken, zo ver van het front!’ vertelde ze terugblikkend.

Tegen het eind van 1938 begon duidelijk te worden dat de Republikeinen aan de verliezende hand waren. In een laatste poging steun te krijgen van de westerse regeringen had de Republikeinse regering in september besloten de Internationale Brigades, waar de westerse regeringen ernstige bezwaren tegen hadden uitgesproken, te ontbinden. Na een warm officieel afscheid van de brigadisten in Barcelona in oktober van dat jaar begonnen ook de verpleegsters aan hun terugkeer naar Nederland. Sommigen stond bij het passeren van de Spaans-Franse grens een onaangename verrassing te wachten. Zo werd Trijn door de Franse autoriteiten gearresteerd toen ze met een ambulance vol gewonden de grens overstak. Met hulp van de Commissie Hulp aan Spanje en bemiddeling door het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken keerden uiteindelijk alle Nederlandse verpleegsters terug naar Nederland.

Het medisch personeel dat in Spanje had gediend, was vertrokken met toestemming van de Nederlandse regering. In tegenstelling tot de meeste Nederlandse Spanje-strijders was daarom hun Nederlands staatsburgerschap niet in het geding. Dit gold echter niet voor de vrouwen die getrouwd waren met een Spanje-strijder. Zo raakte Jenny aan het front niet alleen haar man kwijt, maar werd haar ook haar Nederlanderschap ontnomen. Ook Trijn zou lange tijd als stateloze door het leven gaan, net als Dinie omdat ze niet door de Commissie Hulp aan Spanje was uitgezonden, maar haar vertrek zelf had geregeld.

Voedselbonnen smokkelen, oplages van verboden kranten als De Waarheid verspreiden, onderduikadressen regelen, smokkelwaar in fietstassen vervoeren, Duitse objecten saboteren, onderduikers in huis nemen – toen met de Duitse inval, ruim een jaar nadat de laatste Nederlandse verpleegster was teruggekeerd uit Spanje, ook voor Nederland de Tweede Wereldoorlog een harde realiteit werd, zette een groot aantal van deze vrouwen hun strijd tegen het fascisme voort. Velen van hen zouden als gevolg van hun verzetswerk worden gearresteerd en kwamen in Duitse gevangenissen of kampen terecht. Dinie moest haar verzetswerk betalen met een verblijf in het Oranjehotel in Scheveningen, een Duitse gevangenis. Ans werd gedeporteerd naar Auschwitz, Trijn naar Ravensbrück, Trudel naar Westerbork en Jenny naar Vught. Ze overleefden de oorlog alle vijf.

Ook na de oorlog bleven veel verpleegsters politiek geëngageerd. Trijn zette zich, net als Trudel, de rest van haar leven in voor Spaanse slachtoffers van het Franco-regime. Jo, die gedurende de Duitse bezetting een joods echtpaar bij haar liet onderduiken, stond tot haar negentigste op de Dam te demonstreren tegen de wapenwedloop. Bij de deur van haar appartement in het Henriette Roland Holsthuis, waar ze de laatste jaren van haar leven woonde, hing een bordje: atoomvrije woning. Inmiddels had de Koude Oorlog zijn intrede gedaan. Het zou tot pijnlijke breuken binnen de communistische gelederen leiden, en tussen de vrouwen onderling.

Maar in het jubileumjaar 1996 – zestig jaar na het uitbreken van de Spaanse Burgeroorlog – stonden ze er, in het tot de nok toe gevulde sportpaleis in Madrid waar de oud-Spanje-strijders werden geëerd door de Spaanse bevolking. Ze werden met oorverdovend applaus ontvangen. Kwetsbaar vanwege hun hoge leeftijd, maar aan strijdbaarheid hadden deze oud-Spanje-strijders niets verloren. Bij het horen van de historische woorden ‘No pasaran!’ gingen de vuisten omhoog.


Bronnen

Dit artikel is deels gebaseerd op interviews door Hinke Piersma met oud-Spanje-strijdsters in 1996 en 1997. Tevens is gebruik gemaakt van de IISG-collectie ‘Nederlandse deelnemers aan de Internationale Brigades in de Spaanse Burgeroorlog’ en het biografisch woordenboek van het IISG (Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis), waarin de circa zevenhonderd Nederlanders die hebben deelgenomen aan de Spaanse Burgeroorlog zijn opgenomen. Deze database, waarvan Seran de Leede co-auteur is, is vanaf juni 2016 online te raadplegen op spanjestrijders.nl

Verdere bronnen: H. Dankaart e.a., De oorlog begon in Spanje: Nederlanders in de Spaanse Burgeroorlog, 1936-1939 (uitgeverij Van Gennep, 1986); Wij werkten in Spanje: Ervaringen van het Hollandse medische personeel in Spanje, met bijdragen van B.H. Sajet, A. Blauw, N. Diamant e.a., Medisch-Hygiënisch Commitee van ‘Hulp aan Spanje’, 1939; Hinke Piersma, ‘“We zijn zo oud, we herkennen elkaar niet meer”: Brigadisten terug naar Spanje’, Historisch Nieuwsblad, no.1/1997

Beeld: (1) Nederlandse, Poolse en Hongaarse verpleegsters in Onteniente. Linksonder Trudel van Reemst-De Vries. 3 september 1937 (Privé-archief T. van Reemst / Collectie IISG Amsterdam); (2) De eerste Nederlande vliegende ambulance van de Commissie Hulp aan Spanje, op de foto onder anderen Trijn Hulleman en Hennie Peeks, 1936 (Privé-archief T. van Reemst / Collectie IISG Amsterdam); (3) Een eerste bezoek aan Barcelona, Trijn Hulleman in het midden, 1936 (Privé-archief T. van Reemst / Collectie IISG Amsterdam); (4) Uit de brochure ‘Wij werkten in Spanje’: 'Vrolijk was de ontvangst in Holland!’ V.l.n.r. Noor Diamant, Ans Blauw, Trudel van Reemst-De Vries, Dinie Heroma en Jenny Schaddelee-Timmerman (Brochure 'Wij werkten in Spanje’ / Collectie IISG Amsterdam)