Nivellering in de geschiedenis

Wij weten iets van hun lot

Het gelijkstellen van daders, omstanders en slachtoffers tijdens de Tweede Wereldoorlog is een trend geworden. Volgens Bart van der Boom kunnen we ‘gewone Nederlanders’ niet aanwrijven dat ze hun joodse medeburgers niet genoeg geholpen hebben. Ze wisten immers niet wat er met hen ging gebeuren. Klopt deze redenering?

Het boek van de historicus Bart van der Boom ‘Wij weten niets van hun lot’: Gewone Nederlanders en de Holocaust past in een huidige trend binnen de geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog en met name die over de shoah (holocaust).[1] Een trend van nivelleren, van bestaande verschillen verkleinen in positie, gevoelens en motieven tussen daders, omstanders en slachtoffers.

Van der Boom heeft op grond van oorlogsdagboeken een transparant opgebouwde studie geschreven over een belangwekkende kwestie: wat wist men wanneer van de jodenvernietiging? Daarbij richt hij zich vooral op de ‘omstanders’. Waarom? Volgens hem zijn zij steeds meer tot medeplichtig aan de jodenvervolging gemaakt. Juist omdat de holocaust, zegt Van der Boom, als lakmoestest voor alles geldt, ligt het al snel voor de hand om passiviteit en accommodatie inzake de jodenvervolging te interpreteren als onverschilligheid en instemming. Maar ‘het is nogal wat om over onze grootouders te zeggen dat ze het wel prima vonden dat hun joodse buren werden vermoord’.[2] Dit is Van der Booms karikaturale vertaling van wat hij in zijn boek de ‘mythe van de schuldige omstander’ noemt, en die wil hij weerleggen. Zijn belangrijkste stelling luidt dat ‘gewone Nederlanders’ niets van de ‘essentie’ van het lot van de joden wisten, dat wil zeggen van hun onmiddellijke vernietiging na aankomst in de kampen.

Welk geschiedbeeld bestempelt Bart van der Boom tot mythe en wie stelt hij ervoor verantwoordelijk? Volgens hem hebben historici in heel Europa, ook in Nederland, de visie omarmd dat de ‘Europese maatschappij de Duitse bezetting aan[greep] om van haar joden af te komen’.[3] In de door hem veronderstelde mythe zijn ‘gewone Nederlanders’ lafaards en halve antisemieten, en hebben zij zich onverschillig, zelfs instemmend tegenover de jodenvervolging opgesteld, zo ze al niet regelrecht medeplichtig waren. Deze mythe zou tot stand gebracht zijn door een bont palet van journalisten, columnisten, historici en andere onderzoekers: Arnold Heertje, Joël Cahen, Gerard Mulder, Paul Scheffer, Ian Buruma, Sylvain Ephimenco, Max van Weezel, Chris Lorenz, Theo van Gogh, Sytze van der Zee, Max Arian, Dienke Hondius, Wichtert ten Have, Johannes Houwink ten Cate, Nanda van der Zee, Ad van Liempt, Bob Moore, Rolf Wolfswinkel, wijlen Dick van Galen Last, Frank Bovenkerk, Geert Mak, Ed van Thijn. Op niemand gaat Van der Boom werkelijk in. Zij dienen, getooid met losse citaten, als beeldvormers die hij vervolgens als eenzame beeldenstormer te lijf gaat. Ies Vuijsje vormt de uitzondering: hij dient als kop van Jut – en tevens als contrapunt. In Tegen beter weten in (2006) stelt Vuijsje dat de autoriteiten (van regering in Londen tot de Joodse Raad) hun kennis van de jodenvernietiging moedwillig verzwegen, en ook dat veel Nederlandse burgers, joden en niet-joden, dagboekschrijvers en verzetsmensen, ‘het’ wisten dan wel konden weten, maar verdrongen. Vuijsje spreekt van de mythe van ‘het niet geweten hebben’.[4] Van der Boom doet precies het omgekeerde, en concludeert: men wist ‘het’ niet. Complexiteit en gelaagdheid verdwijnen zo uit zicht.

Om te beginnen wil Van der Boom iets laten zien wat al lang vaststaat, namelijk dat verreweg de meeste Nederlanders geen harde bewijzen hadden van een bij voorbaat vaststaande massale vernietiging. In de tweede plaats, en dat is het meest fundamentele probleem, wil hij zo proberen aan te tonen dat, áls niet-joden en joden van de vernietiging hadden geweten zij adequater hadden gehandeld.[5] Dit is een onverdedigbare vorm van geschiedschrijving volgens de lijn ‘wat zou er gebeurd zijn indien…’ Maar Van der Boom heeft deze what if-redenering nodig om de conclusie te trekken dat er dus geen reden is om ‘gewone Nederlanders’ aan te wrijven dat ze hun joodse medeburgers niet genoeg geholpen hebben. Ze wisten immers niet dat die massaal zouden worden afgeslacht? Hij heeft daar ook een ander discutabel uitgangspunt voor nodig: namelijk het terugbrengen van de holocaust tot de daadwerkelijke uitroeiing in de gas-kamers. Alles wat daaraan vooraf ging – de anti-joodse verordeningen, het isolement, de razzia’s, de deportaties – telt in deze benadering niet mee.

De titel van het boek ‘Wij weten niets van hun lot’ is ontleend aan een dagboekfragment van Etty Hillesum, bekend vanwege de dagboeken die zij bijhield tot ze, in september 1943, vanaf Westerbork naar Auschwitz werd gedeporteerd. Voorafgaand hieraan schrijft Hillesum: ‘Reeds honderdduizend van onze rasgenoten uit Holland zwoegen onder een onbekende hemel of liggen te rotten in een onbekende aarde.’[6] Hillesum lijkt hier van twee mogelijkheden uit te gaan: zware dwangarbeid of dood. Onduidelijk is of ze bij dat laatste alleen denkt aan creperen ten gevolge van dwangarbeid, of aan moord. Voor Van der Boom is dat wél duidelijk. Hij benadrukt twee andere uitspraken van Hillesum. Het ene moment schrijft ze: ‘Ze zijn uit op onze vernietiging’; het andere moment vraagt ze zich af welke boeken ze mee zal nemen. Van der Boom lost de tegenstrijdigheid van de twee opmerkingen op door te concluderen dat Etty Hillesum – net als alle andere ‘gewone Nederlanders’ – dacht dat de joden aan zware dwangarbeid onderworpen zouden worden, waaraan ze uiteindelijk zouden bezwijken. Maar dat de meeste joden na aankomst onmiddellijk vergast zouden worden, wist niemand – vandaar dat Hillesum boeken wilde meenemen.[7] Van der Boom vermeldt niet het fragment waarin Hillesum schrijft dat de joden in Westerbork elkaar ‘aardige dingen’ vertellen, namelijk ‘dat ze in D.land worden ingemetseld of met gifgassen uitgeroeid’. Ze noemt het onverstandig elkaar ‘dergelijke verhaaltjes’ te vertellen.[8] Ook deze tekst is multi-interpretabel: er schuilt zowel ironie in en de wens het hoofd koel te houden als angst, ongeloof en bezwering.

Van dit soort tegenstrijdigheden wemelt het in het dagboek van Hillesum, en in dat van talloze andere joodse en niet-joodse dagboekschrijvers. Bij het doen van uitspraken over ‘gewone Nederlanders’ (is dat dezelfde categorie als ‘omstanders’? Van der Boom komt niet met een definitie) zijn zeer kritische kanttekeningen te maken. De schrijvers zijn geen ‘gewone’ Nederlanders, want de meeste Nederlanders hielden geen dagboek bij. Van de duizenden dagboeken heeft Van der Boom er 164 uitgekozen. Daarvan zijn er 53 door joden geschreven, disproportioneel veel naar verhouding tot het aantal van hen dat in Nederland leefde. De argumenten die Van der Boom noemt waarom hij toch algemene conclusies kan trekken (zoals dat de dagboekschrijvers het niet alleen over zichzelf hebben, en hij er ook algemene stemmingsberichten bij betrekt) zijn niet overtuigend.[9]

De representativiteit van Van der Booms bronnen is ook twijfelachtig omdat hij de joden in Nederland na mei 1940 onder de toch al onduidelijke noemer ‘gewone Nederlanders’ vat. In mei 1940 voltrekt zich een golf zelfmoorden onder joden. Vanaf juli 1940 volgen de anti-joodse maatregelen elkaar in razendsnel tempo op, twee jaar later starten de deportaties. Hoezo: gewone Nederlanders? Voor hen betekent de jodenvervolging iets totaal anders dan voor hun niet-joodse medeburgers; dus schreven ze er in een dagboek altijd over. Zoals er niet-joden waren die er niet of nauwelijks over schreven. Het is een van de vele voorbeelden waarin Van der Boom nivelleert.

Ten slotte trekt Van der Boom zich niets aan van in wetenschappelijke kring bekende kanttekeningen bij het gebruik van dagboeken voor onderzoek. Dagboeken vormen een rijke bron. Maar ze verhullen net zo veel als ze onthullen. Een dagboek kan voor de schrijver dienen om zichzelf op een zelfverkozen manier te presenteren. Veel dagboeken kenmerken zich door meerduidigheid – zie bijvoorbeeld de verschillende stemmen in Hillesums dagboek.[10] Van der Boom schrijft echter dat hij zich, juist als historicus, ‘een dergelijke strengheid’ niet veroorloven kan. Bij het lezen van oorlogsdagboeken krijgt hij het gevoel een ‘echte persoon (…) met echte gevoelens en echte overtuigingen’ te leren kennen.[11] In het Historisch Nieuwsblad (24 april 2012) betoogt hij, verrassenderwijs, dat daden multi-interpretabel zijn, gedachten niet.[12]

Hoewel bepaalde gevoelens, overwegingen en informatie te pijnlijk zijn om op te schrijven, en andere ter troost of bemoediging dienen, negeert Van der Boom de impact van psychologische factoren. Ook bij Van der Boom komt een niet-joodse dagboekschrijver voor die aanvankelijk de verhalen over het lot van de joden ‘te schokkend’ vindt om op te schrijven.[13] ‘Ontkenning’ komt in Van der Booms vocabulaire echter niet voor. Verdringing is voor hem een onwerkbaar begrip – een ‘omstreden psychoanalytische theorie’. Waarom zou men trouwens hoeven te verdringen wat men niet wist?[14] ‘Weten’ staat voor hem gelijk aan onweerlegbaar gedocumenteerde kennis. In dit geval over de gaskamers – en die was er niet. Of slechts bij heel weinigen.

Zijn betoog dat termen als ‘vernietiging’ en ‘uitroeiing’ destijds niet letterlijk maar vooral als metafoor begrepen werden, snijdt geen hout. Net als het begrip ‘massamoord’ (De Waarheid) of ‘een zekere dood’ (De Geus) en de talloze andere aanduidingen die ook in de dagboeken worden genoemd, verbloemen ze weinig.[15] In een niet door Van der Boom gebruikt dagboekfragment schrijft dichteres M. Vasalis, geciteerd in de biografie van Maaike Meijer (2011):

‘Nacht aan nacht gaan gezinnen met baby’s, bepakt met zware rückzakken, eenzame kinderen van 15 jaar uit hun huis hun zekere dood tegemoet. Vernederd, en klein als luizen lopen we door de stad. Niemand doet iets om deze reeks moorden te verhinderen.’[16]

De wijze waarop ‘de moord’ plaatsvond bleef in dit citaat in nevelen gehuld. Elders niet. Van der Boom citeert dagboekfragmenten waarin de schrijvers wel degelijk van actieve moord uitgaan: de joden worden ‘zeker’ ‘vergast’ of ‘neergemaaid’, noteert de een; de ander heeft op de bbc gehoord dat er in Polen sinds 1939 een miljoen joden zijn doodgeschoten, of heeft het over ‘gaswagens’.[17] Voor Van der Boom geven hun twijfels de doorslag.

Wanneer Van der Boom het niet over ‘gewone Nederlanders’ maar over niet-joden en joden heeft, is dat vooral ter benadrukking van de overeenkomsten in hun situatie, niet de verschillen. In zijn analyse vond het merendeel van de ‘niet-joodse gewone Nederlanders’ de jodenvervolging ‘afschuwelijk’, maar ging men niet tot actie over uit machteloosheid, ingewortelde gehoorzaamheid, behoedzaamheid vanwege het risico voor alle partijen (was voor de joden dwangarbeid niet te prefereren boven vreselijke straffen voor zowel onderduikers als onderduikgevers die volgden op ontdekking?) en vooral: gebrek aan kennis over de massamoord. Wat betreft de joden gaat Van der Booms aandacht vooral uit naar hen die wel konden maar niet wilden onderduiken. Zij zouden voor deze passieve houding min of meer dezelfde redenen gehad hebben als hun niet-joodse tegenvoeters. Met ook hier voorop de overweging dat een arbeidskamp met kans op overleven wellicht de voorkeur verdiende boven het gevaar na ontdekking als strafgeval gedeporteerd te worden, met de bekende dodelijke afloop (Mauthausen).

Ook dit is een geval van nivellering. De situatie van joden en niet-joden was cruciaal verschillend, alleen al omdat joden per definitie moesten kiezen: onderduiken, of niet. Niet-joden waren niet gedwongen om te kiezen. Het is een contrast dat Van der Boom slechts in het voorbijgaan vermeldt.[18] Joden moesten bovendien kiezen tussen twee kwaden: onderduiken, opgesloten zitten dus, afhankelijk van derden, meestal gescheiden van dierbaren, met angst voor ontdekking – ofwel zich op laten halen met alle gevreesde maar onzekere gevolgen van dien. Daarbij kwam de pijnlijke beslissing eigen kinderen achter te laten bij derden of (groot)ouders en andere familieleden alleen op transport te laten gaan. Tot slot beschikte het merendeel van de joden niet over genoeg geld en niet-joodse connecties om überhaupt te overwegen onder te duiken. Van deze grote groep heeft nauwelijks iemand een dagboek bijgehouden – ze valt dan ook buiten het bestek van ‘Wij weten niets van hun lot’.

Van der Boom benadrukt vooral de overeenkomsten tussen joden en niet-joden, omdat hij de lezer ervan wil doordringen dat, als zoveel joden al aarzelden onder te duiken het niet vreemd is dat niet-joden ook zo hun twijfels hadden. Hij gebruikt op die manier de joden als legitimatie. Maar waarom waren er eigenlijk zoveel joden die wél onderdoken (zo’n 28.000)? En waarom waren er nog veel meer niet-joden bij deze onderduik betrokken?[19] Waren deze laatsten dan geen ‘gewone Nederlanders’? Waren zij helderziend, of achtten zij ook zonder kennis van gaskamers de situatie dreigend genoeg om in te grijpen? Kortom, het passief en actief verzet van zowel joden als niet-joden komen er in Van der Booms boek bekaaid van af.

Van der Boom beroept zich regelmatig op Loe de Jong . Die verwoordde al decennia eerder in Koninkrijk dat men zich niet had gerea-liseerd dat de joden in de gaskamers zouden verdwijnen. Van der Boom vermeldt dat De Jong de mogelijkheid openliet dat men niet zo geïnteresseerd was in hun lot, en bij menigeen ‘een gebrek aan solidariteit’, zelfs een ‘negatieve instelling’ tegenover joden -signaleerde.[20] Maar De Jong ging wel wat verder dan dat. Hij schreef dat angst ‘een belangrijke, vermoedelijk de belangrijkste bijdrage’ aan de passiviteit onder de niet-joodse bevolking had geleverd, maar dat bovendien diegenen die tot illegale hulp bereid waren, terugdeinsden voor het herbergen van joodse onderduikers. ‘Afkeer van joden speelde daar vaak een rol in’, aldus De Jong. Onder de kop ‘Antisemitisme’ stond hij ook stil bij het scala aan negatieve gevoelens dat steeds meer terrein won, zoals vanaf 1942 in de illegale pers vastgelegd. Het groeiende antisemitisme was voor De Jong een gegeven: ‘Naarmate de joden scherper vervolgd werden en naarmate er minder joden over waren, nam het antisemitisme toe.’[21]

Het is op z’n minst verwonderlijk dat Van der Boom het antisemitisme onder de Nederlandse bevolking niet als een serieuze factor behandelt, terwijl het toch bij heel wat van zijn dagboekschrijvers opduikt. Gynaecologe Jetje Stroink haatte de Duitsers ‘als de pest’, maar een terug-kerend refrein bij haar luidt: ‘Dol op de joden zijn we nu bepaald niet’. Niet iemand om een joodse onderduiker in huis te nemen, denkt de lezer. Zo niet Van der Boom. Hem gaat het erom te constateren dat ‘afkeer van joden én van jodenvervolging’ samengingen. Een andere dagboekschrijfster, mevrouw Sikking-Ladenius, haalt achtergelaten spullen uit joodse woningen. Niettemin vindt ze de jodendeportaties ‘verschrikkelijk’, en vraagt zij zich af wat de joden aangedaan zal worden in Polen. ‘Het zijn toch ook menschen (al worden het nooit onze vrienden)’, schrijft ze. ‘Ze kunnen ze toch in een wijk doen.’ Van der Boom spreekt hier van opportunisme en ‘segregatie’ – niet van antisemitisme.[22]

Van der Boom blijkt zich niet verdiept te hebben in antisemitisme. Hij past daarmee in een Nederlandse traditie waarin nauwelijks historisch onderzoek gedaan is naar het antisemitisme van eigen bodem. Veel verder dan te constateren dat in vooroorlogs Nederland antisemitisme een mild maar wijdverbreid verschijnsel was, komt Van der Boom niet. Dat het ‘passieve antisemitisme’ van bijvoorbeeld de dames Stroink en Sikking bijdroeg aan hun passieve houding tegenover de jodenvervolging is voor hem ondergeschikt.[23] Door te laten zien dat tijdens de bezetting ‘afkeer van joden’ een ‘afkeer van Duitsers en jodenvervolging’ niet in de weg stond, probeert hij het verschijnsel te neutraliseren.[24]

Nu zou het volstrekt onjuist zijn om te beweren dat antisemitisme de belangrijkste reden was dat Nederlanders niet in groten getale hun joodse medeburgers hielpen. De belangrijkste oorzaak dat er hier zoveel meer joden zijn gedeporteerd dan in Frankrijk en België is het ideologisch zeer gemotiveerd en virulent antisemitisch SS’-regime in Nederland. -Zwaarwegende factoren waren ook legalisme en gehoorzaamheid van regering, bestuur, ambtenarij en bevolking, niet-joodse en joodse, inclusief de Joodse Raad.[25] Niettemin is men in het Nederlands historisch onderzoek meestal geneigd om van de weeromstuit de impact van het Nederlands antisemitisme als irrelevant terzijde te schuiven. Van der Boom is hier een treffend voorbeeld van. Dat het antisemitisme tijdens de bezetting toenam, bagatelliseert hij. Na de bevrijding barstte het gegroeide -antisemitisme naar buiten. Kranten berichtten er meteen in 1945 over, brochures en ingezonden brieven werden geschreven, de verwensing ‘ze zijn vergeten je te vergassen’ raakte in zwang.[26] De onder-zoeker die het anti-semitisme van na de bevrijding betrekt in zijn analyse is minder geneigd het Nederlands antisemitisme tijdens de oorlog te negeren. In het Historisch Nieuwsblad erkent Van Der Boom dat als het anti-semitisme na de bevrijding ‘een dominant sentiment’ zou zijn geweest dit tegen zijn these zou pleiten. Maar volgens hem is de opleving van antisemitisme niet afdoende bewezen. Zijn indruk is dat het precies andersom is. ‘Omdat de veronderstelling is dat men de joden tijdens de oorlog in de steek liet, denken we dat men na de oorlog geneigd was de slachtoffers negatief te bejegenen.’[27] Zo zet Van der Boom de geschiedenis naar zijn eigen hand.

Van der Boom gaat ver in zijn streven aan te tonen dat onder de meeste joden gehoorzaamheid troef was. In zijn boek en in interviews verwijst hij naar drie joodse dagboekschrijvers die noteren dat joden makkelijk uit Westerbork konden vluchten. In grote meerderheid deden zij dit niet. Slechts 210 gevangenen ontsnapten.[28] Een cruciaal maar door Van der Boom niet genoemd argument tegen vluchten, waren de strenge represaille-maatregelen. Op 11 februari 1943 legde kampcommandant Gemmeker vast in zijn Lagerbefehl Nr. 3 dat na een geslaagde vlucht tien bewoners van de barak waarin de vluchteling was ondergebracht op ‘straftransport’ gesteld zouden worden. Dat gold zonder meer voor familieleden, die de nazi’s dus in feite in gijzeling hadden.[29] Deze strafmaatregel zorgde natuurlijk voor een duivels dilemma. Dat wat Van der Boom onder de noemer ‘gehoorzaamheid’ schaart, kan even goed, zo niet beter, opgevat worden als ‘verantwoordelijkheidsgevoel’ of ‘verbondenheid’. Niet van de represailles reppen, betekent een ernstige omissie.

Tot slot twee conclusies. Allereerst is Van der Booms opvatting over ‘kennis’ en ‘weten’ zeer problematisch. Wanneer dagboekschrijvers -noteren dat de joden een vreselijk lot te wachten staat, is hem dat niet genoeg. Dit terwijl er geen ooggetuigen waren, geen foto’s, geen film, en er genoeg reden was voor aarzeling en ontkenning ten aanzien van iets wat zo moeilijk viel te geloven. Van der Boom schrijft echter dat het toch eigenlijk ging om een ‘op zichzelf simpele gedachte – de joden worden niet aan het werk gezet maar bij aankomst gedood’.[30] Zo oppervlakkig als hij het besef van systematische uitroeiing reduceert tot een ‘simpele gedachte’, zo speculatief oppert hij dat, hadden omstanders, en ook medeplichtigen als politieagenten, spoorwegpersoneel en ambtenaren bij de bevolkingsregisters ‘het’ geweten, zij zich minder passief zouden hebben opgesteld. ‘Ik vraag me af’, zei hij in het Historisch Nieuwsblad (mei 2012) ‘of zij net zo hadden gehoorzaamd als de Duitsers hadden gevraagd: “Kunt u een lijst met namen maken? Dan gaan we die mensen vergassen.” Dat geldt ook voor de Joodse Raad.’[31] Uit dit citaat maar ook uit Van der Booms boek spreekt een cirkelredenering: had men kennis gehad, dan had men gehandeld – aangezien men niet gehandeld heeft, had men geen kennis. Alsof informatie zonder meer tot handelen leidt. Alsof er geen niet-joden waren die joden te hulp kwamen, omdat ze de jodenvervolging die zich voor hun ogen afspeelde ‘afschuwelijk’ genoeg vonden.

In de tweede plaats: Van der Boom verwachtte, zo zei hij in NRC -Handelsblad (24 april 2012), ‘flinke kritiek op zijn conclusies’.[32] Die kwam er niet – er verschenen bijna alleen lovende recensies; hij won zelfs de Grote Geschiedenisprijs 2012. Daaruit blijkt dat Van der Booms nivellerende aanpak van slachtoffers en omstanders aanslaat. Dat is niet zo verwonderlijk omdat zijn boek past in een al langer bestaand landschap van nivellering. Daarbij heeft Chris van der Heijden met zijn zowel geprezen als verguisde Grijs verleden (2001) de toon gezet. Van der Heijden gaat veel verder dan Van der Boom door een schakering van ‘grijs’ te schetsen waarin ook verschillen tussen daders en slachtoffers verbleken. In zijn latere publicaties Joodse NSB’ers (2006) en Israël: Een onherstelbare vergissing (2008) ging Van der Heijden nog een stapje verder door in praktijk te brengen wat men in Duitsland kortweg aanduidt als Täter-Opfer-Umkehr.[33] Een handvol joodse nsb’ers diende als bewijs dat joden ook ‘fout’ konden zijn, en dat Mussert, die hen korte tijd de hand boven het hoofd hield, niet een ‘echte’ antisemiet was. Israël was een ‘onherstelbare vergissing’ onder meer omdat het ten koste van de Palestijnen werd opgericht terwijl de shoah toch al voorbij was.[34] In zijn dissertatie Dat nooit meer (2011) ten slotte schreef Van der Heijden dat de holocaust de internationale gemeenschap had ‘opgezadeld’ met de morele plicht al het mogelijke te doen om herhaling te voorkomen.[35]

Van der Heijden is niet de enige die van mening is dat de shoah een te centrale plaats inneemt in geschiedschrijving, herdenking en publieke moraal. Weinigen lijken te beseffen dat de jodenvervolging decennialang een ondergeschoven kind was. Meteen na 1945 werd er al geschamperd dat de joden niet moesten denken dat ze de enigen waren die geleden hadden. Juist vanaf de periode dat de shoah in de jaren tachtig steeds meer center stage kwam, zijn de tegengeluiden sterk in kracht toegenomen.[36]

Zeker het laatste decennium is nivellering van daders, omstanders en slachtoffers tot een trend uitgegroeid. Het televisieprogramma Andere tijden zond op 1 april 2012 een programma uit over vier mannen op het snijvlak van collaboratie.[37] Zonder verder commentaar werden interview-fragmenten uitgezonden van een politieagent die joden had weggehaald, een hulpmachinist op een deportatietrein, een joodse jurist die in Westerbork deportatielijsten had bijgehouden, en een marechaussee die in Westerbork had gediend. Blijkbaar maakte het voor de programma-makers geen verschil dat een van de geïnterviewden een joodse gevangene was, per definitie bedreigd met deportatie. Ook een heikel thema als joods verraad mag zich in een toegenomen belangstelling verheugen, bijvoorbeeld als substantieel onderdeel in het boek Vogelvrij (2010) van Sytze van der Zee en in het veelvuldig opgevoerde toneelstuk over Ans van Dijk, ‘de joodse verraadster’, geschreven door Helmert Woudenberg.[38] Van der Boom op zijn beurt betitelt de holocaust als ‘een donderwolk’ die ‘een schaduw over de hele Nederlandse geschiedenis’ werpt, en voor een algemeen onbehagen zorgt.[39] Als dat al zo is, dan vormt een rechtlijnige redenering die motieven en gevoelens van omstanders en slachtoffers tegen elkaar wegstreept een onbevredigend antwoord.

Dat de enige negatieve reacties op Van der Booms boek van joodse kant kwamen, is uiteraard niet toevallig.[40] In ‘Wij weten niets van hun lot’ wordt het joods perspectief geweld aangedaan en gereduceerd tot gehoorzaamheid en angst voor straf. Zelfmoord, apathie, verdringing tellen in Van der Booms verhaal slechts mee in zoverre ze als bewijs kunnen dienen voor of men ‘het’ wist.[41]

Waar liggen de grenzen tussen daders, omstanders, slachtoffers? Wanneer kan men spreken van verzet? De enthousiaste ontvangst van het boek van Van der Boom wijst naar de behoefte aan een eenduidig antwoord op complexe vragen over inzicht, schuld en verantwoordelijkheid. De affaire rond het gedicht over de Waffen SS’er afgelopen 4 mei liet zien dat velen vinden, zoals blijkt uit artikelen, ingezonden brieven en reacties op het internet, dat de joodse stem te veel domineert in de publieke herinnering met betrekking tot de Tweede Wereldoorlog.[42] Het jongste incident vond plaats in Geffen, waar men verzoening wilde aanbrengen door een gedenk-teken op te richten met daarop ook de namen van tijdens de oorlog vermoorde joden en ter plekke gesneuvelde Duitse Wehrmachtsoldaten. Het past moeiteloos in de strijd over hoe er 65 jaar na dato in Nederland naar de jodenvervolging gekeken moet worden. De afloop daarvan is nog onduidelijk. De wethouder van Geffen moest in ieder geval beteuterd concluderen dat de tijd anno 2012 voor ‘verzoening’ nog niet rijp is.[43]


Evelien Gans (Universiteit van Amsterdam) en Remco Ensel (Radboud Universiteit Nijmegen) zijn beiden als onderzoeker verbonden aan het NIOD.


[1] Bart van der Boom, ‘Wij weten niets van hun lot.’ Gewone Nederlanders en de Holocaust (Amsterdam 2012).

[2] Bas Kromhout, ‘Nederlanders hebben het nicht gewusst’, Historisch Nieuwsblad 24 april 2012 http://www.historischnieuwsblad.nl/nl/nieuws/18562/nederlanders-hebben-het-nicht-gewusst.html

[3] Van der Boom, Wij weten niets, 417.

[4] Ies Vuijsje, Tegen beter weten in. Zelfbedrog en ontkenning in de Nederlandse geschiedschrijving over de Jodenvervolging (Amsterdam 2006) 207 e.v.

[5] Van der Boom, Wij weten niets, 415. Zie ook: ‘We waren onwetend, niet onverschillig’, de Volkskrant, 25 april 2012.

[6] Etty Hillesum, Etty. De nagelaten geschriften van Etty Hillesum 1941-1943 (Amsterdam 1991), 24 augustus 1943, 697. Het citaat vormt het motto van Van der Booms boek.

[7] Van der Boom, Wij weten niets, 323-324. Zie ook: Bart Kromhout, ‘We hebben het nicht gewusst’. Bart van der Boom over Nederlanders en de Holocaust’, Historisch Nieuwsblad, mei 2012, 21; Bart Funnekotter, ‘We wisten het niet’, NRC, 24 april 2012.

[8] Hillesum, Etty, 512.

[9] Van der Boom, Wij weten niets, 112-113.

[10] Van der Boom schrijft dat strenge bronnenkritiek en het bezien van het dagboek als geconstrueerde tekst het einde van het vak van de historicus zou betekenen. ‘De sociale wetenschapper schatert om zoveel naïviteit…’: Van der Boom, Wij weten niets, 115-116. Hij gaat er dus aan voorbij dat ook de historicus Jacques Presser die de term ‘egodocumenten’ muntte en, veel recenter, de historici Arianne Baggerman en Rudolf Dekker egodocumenten betitelden als ‘teksten die zowel onthullen als verhullen’ en gekenmerkt worden door ‘meerduidigheid’: A. Baggerman en R. Dekker, ‘De gevaarlijkste van alle bronnen. Egodocumenten: nieuwe wegen en perspectieven’, Tijdschrift voor Geschiedenis 1, 4 (2004) 3-22.

[11] Van der Boom, Wij weten niets, 116.

[12] Kromhout, ‘Nederlanders hebben het nicht gewusst’.

[13] Van der Boom, Wij weten niets, 292-293.

[14] Ibidem, Wij weten niets, 385.

[15] De Waarheid, 30 januari 1943; De Geus, 4 september 1943, beide aangehaald in: De Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, mei ’43 – juni ’44, 1976, VII, 438.

[16] Maaike Meijer, M. Vasalis. Een biografie (Amsterdam 2011) 309-310.

[17] Van der Boom, Wij weten niets, o.a. 273-274, 276-277, meer algemeen 263-312.

[18] Ibidem, 314.

[19] Voor de vorm van legitimatie: o.a. Van der Boom, Wij weten niets, 413-414. Deze berekening van het aantal joodse onderduikers staat in de meest recente en grondige analyse van de onderduikkansen van joden en opstelling van potentiële onderduikgevers: Marnix Croes en Peter Tammes, ‘Gif laten wij niet voortbestaan.’ Een onderzoek naar de overlevingskansen van Joden in de Nederlandse gemeenten 1940-1945 (Amsterdam 2004), 471; 174 e.v. Croes en Tammes spreken van tenminste 27.995 joodse onderduikers. Chaya Brasz noemt nog een aantal van 24.000, in: ‘Na de tweede wereldoorlog: van kerkgenootschap naar culturele minderheid; , in: J.C.H. Blom, Rena Fuks-Mansfeld e.d. (ed), Geschiedenis van der joden in Nederland (Amsterdam 1994) 351-352. Zie ook: Bob Moore, Slachtoffers en overlevenden. De nazi-vervolging in Nederland (Amsterdam 1998) 196 e.v.; Bert-Jan Flim, o.a. Omdat hun hart sprak: geschiedenis van de georganiseerde hulp aan Joodse kinderen in Nederland, 1942-1945 (Kampen 1996).

[20] Van der Boom, Wij weten niets, 93.

[21] De Jong, Koninkrijk, VII, 462-463 en: ibidem, 440-441.

[22] Van der Boom, Wij weten niets, 206-207.

[23] Voor het belang van ‘passief antisemitisme’, zie o.a. Helen Fein, ‘The Impact of Antisemitism on the Enactment and Success of “The Final Solution of the Jewish Question”’, in: idem, The Persisting Question, (Berlin / New York 1987) 283-284. De historicus Saul Friedländer, onder meer bekend van zijn Nazi Duitsland en de Joden (2007) heeft het over het belang van wat hij ‘ordinary antisemitism’ noemt. Het bestaan hiervan ziet hij als een van de factoren waarom in (nazi-)Duitsland verzet tegen de antisemitische politiek van een relatief kleine groep uitbleef: Wanneer de herinnering komt. Een film over Saul Friedländer (2012) van Frank Diamand. Meer specifiek voor Nederland: Dienke Hondius, ‘De holocaust als hype. Goldhagen onderscheidt maar twee groepen Duitsers: daders en slachtoffers. daartussenin zit niets’, De Groene Amsterdammer, 23 april 1997.

[24] Van der Boom, Wij weten niets, 303.

[25] Zie o.a. de conclusies in: Pim Griffioen en Ron Zeller, Jodenvervolging in Nederland, Frankrijk, en België, 1940-1945. Overeenkomsten, verschillen, oorzaken (Amsterdam 2011) 685-686, 1025 e.v.

[26] In Van der Boom, Wij weten niets, 207, 211. Voor antisemitisme rond en vooral na de bevrijding: Dienke Hondius, Terugkeer. Antisemitisme in Nederland rond de bevrijding (Den Haag 1998); Moore, Slachtoffers en overlevenden, 300 e.v.; Evelien Gans, ‘“Vandaag hebben ze niets, maar morgen bezitten ze weer een tientje.” Antisemitische stereotypen in bevrijd Nederland’, in: Conny Kristel (ed), Polderschouw. Terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog. Regionale verschillen, (Amsterdam 2002), 313-353; Pieter Lagrou, ‘Return to a Vanished World: European Societies and the Remnants of their Jewish Communities, 1945-1947, in: David Bankier (ed), The Jews are coming back. The return of the Jews to their countries of origin after WW II (Jerusalem 2005) 10 e.v. Uit dit en ook uit het volgende boek blijken de toename van het antisemitisme tijdens de bezetting en de openlijke manifestatie ervan na de bevrijding niet bepaald uniek voor Nederland, zie: Keith Lowe, Savage Continent. Europe in the Aftermath of World War II (London 2012) 189 e.v.

[27] Kromhout, ‘Nederlanders hebben het nicht gewusst’.

[28] Van der Boom, Wij weten niets, 397-398, 401; Bas Kromhout, ‘“We hebben het nicht gewusst”. Bart van der Boom over Nederlanders en de Holocaust’, Historisch Nieuwsblad, mei 2012, 22.

[29] Loe de Jong, Koninkrijk, VIII, 1978, 738-740. Zie ook: C.J.F. Stuldreher, ‘Samen alleen. Joods verzet in Nederland’, Bericht van de Tweede Wereldoorlog, afl. 54, 13 februari 1971, 1493; Evelien Gans, Jaap en Ischa Meijer. Een joodse geschiedenis 1912-1956 (Amsterdam 2007) 218-220.

[30] Van der Boom, Wij weten niets, 373.

[31] Kromhout, ‘We hebben het nicht gewusst’, 22. Van der Boom, Wij weten niets, 414-415.

[32] Funnekotter, ‘We wisten het niet’.

[33] Voor een eerste aanduiding, zie: Max Horkheimer: ‘Über die deutschen Juden’. In: Max Horkheimer (ed.) Zur Kritik der instrumentellen Vernunft (Frankfurt am Main 1997) (eerste editie 1961), 314. Zie ook: Voor Täter-Opfer-Umkehr zie o.a.: Werner Bergmann, ‘“Störensfriede der Erinnerung”. Zum Schuldabwehr-Antisemitismus in Deutschland’, in: Klaus Michael Bogdal/Klaus Holz/Matthias Lorenz (Hrsg), Literarischer Antisemitismus nach Auschwitz (Stuttgart-Weimar 2007) 30. Voor een zeer recente discussie: Juliane Wetzel, ‘Die Täter-Opfer-Umkehr’, Der Freitag, 22 april 2012 en digitaal:http://www.freitag.de/autoren/der-freitag/die-tater-opfer-umkehr

[34] Evelien Gans, ‘Iedereen een beetje slachtoffer, iedereen een beetje dader. De Nederlandse Historikerstreit over de grijze oorlog’, De Groene Amsterdammer, 28 januari 2010.

[35] Chris van der Heijden_, Dat nooit meer. De nasleep van de Tweede Wereldoorlog in Nederland_ (Amsterdam 2011) 606.

[36] Evelien Gans, ‘Over gaskamers, joodse nazi’s en neuzen’, Peter R. Rodrigues en Jaap van Donselaar (ed) Monitor Racisme en Extremisme. Negende rapportage (Amsterdam 2010) 135-136.

[37] ‘In de grijze zone tussen toekijken en deelnemen’, aldus presentator Hans Goedkoop. ‘Geweten in de oorlog’, Andere Tijden, 3 april 2012: http://www.uitzendinggemist.nl/afleveringen/1246385

[38] Sytze van der Zee, Vogelvrij. De jacht op de Joodse onderduiker (Amsterdam 2010) 231-435. Het toneelstuk van Helmert Woudenberg beleefde zijn première in 1997 onder zowel de titel De jodenverraadster als De jodenverraadsters. Het ging onder meer in 2007 en 2012 in reprise:

http://catalogus.tin.nl/catalogus.php#tinCatalogus=tinSearchInput%3Djodenverraadster; ‘De Jodenverraadster. Interview met Helmert Woudenberg’, De Groene Amsterdammer, 2 mei 2007;

http://www.hvatoneel.nl/index.php/toneelcompetitie/2011-2012/jury-boek-2011-2012/2-ongecategoriseerd/62-odia-2

[39] Van der Boom, Wij weten niets, 14.

[40] Ingezonden brieven in de Volkskrant, 26 (Menno ten Brink, ‘Lachertje’) en 28 april (Ron van der Wieken, ‘Joden’) 2012. Zie ook de ingezonden brieven en de weerwoorden in het Nieuw Israëlietisch Weekblad (NIW) (van zowel Bart van der Boom als Anet Bleich) n.a.v. Anet Bleichs recensie van Wij weten niets van hun lot, ‘Onwetend?’, Nieuw Israëlietisch Weekblad, 2 november 2012. Ook Ed van Thijn en Ies Vuijsje kwamen met kritiek op de debatmiddag in het Verzetsmuseum, zie: ‘Ed van Thijn: “Boek Van der Boom misleidend”’, Historisch Nieuwsblad, mei 2012: http://www.historischnieuwsblad.nl/nl/nieuws/18657/ed-van-thijn-boek-van-der-boom-misleidend.html

Bart van der Boom bericht ook zelf over kritische en prijzende reacties op zijn blog: http://wijwetennietsvanhunlot.blogspot.nl/

[41] Over joden die zelfmoord pleegden [of onderdoken of probeerden te vluchten] – Van der Boom noemt hen in één adem – merkt Van der Boom op dat deze reacties niet op ‘concrete kennis van de Holocaust’ hoefden te wijzen. Het bewijst ‘alleen dat ze de toekomst somber inzagen, en daar was alle reden toe (…)’, Van der Boom, Wij weten niets , 377. Voor joodse zelfmoord in Nederland tijdens de oorlog: Wout Ultee en Ruud Luijks, De schaduw van een hand. Joods-gojse huwelijken en joodse zelfdodingen in Nederland 1936-1943, in: H. Flap en W. Arts (ed.), De organisatie van de bezetting (Amsterdam 1997) 55-76. Zie ook: Karin Dangermond, ‘Het heft in eigen handen: Joodse zelfmoorden in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog’, Misjpoge, 2012, 25, 1, 4-12.

[42] Zie o.a.: NRC, 25, 26 april en 2 mei 2012; de Volkskrant, 2 en 3 mei 2012; Een Vandaag, ‘Dodenherdenking’, 3 mei 2012. Ewoud Sanders, ‘Maak van Dodenherdenking geen Jodenherdenking’, NRC, 7 mei 2012. Voor reacties op internet, zie o.a. http://www.nujij.nl/algemeen/dodenherdenking-moet-geen-jodenherdenking-worden.16926407.lynkx.

[43] Zie o.a. ‘Boosheid over Duitse namen op het monument’, NRC, 18 oktober 2012; Elma Drayer, ‘Het begint met modieuze praatjes over goed en fout’, Trouw, 25 oktober 2012.